Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.3.3.5
8.3.3.5 De ondernemingskamer kan slechts tijdelijk ingrijpen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368530:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepaling dient ook de rechtszekerheid, maar verlenging is een expliciete mogelijkheid. Zie Kamerstukken 9596, nr. 3 (MvT), p. 9.
Hof Amsterdam (OK) 6 juli 2006, ARO 2006/137 (TCA). In het tegen deze beschikking aangetekende cassatieberoep ging het louter om de vraag of sprake was van wanbeleid. Zie HR 9 juli 2002, ARO 2007/81.
Zie par. 8.3.2.5.
Zie par. 8.3.3.1 en 8.3.3.4 en 15.2.2.
Zie ook par. 5.4.3.4.
Hof Amsterdam (OK) 14 november 2006, JOR 2007/10 (TCA).
Hof Amsterdam (OK) 25 april 2012, JOR 2013/6 m.nt. Bulten (Butôt).
Hof Amsterdam (OK) 3 april 2014, ARO 2014/107 (Butôt).
Hof Amsterdam (OK) 9 maart 2016, ARO 2016/104 (Butôt).
Art. 2:357 lid 1 BW bepaalt dat de ondernemingskamer de geldingsduur van de door haar getroffen eindvoorzieningen bepaalt.1 Daaruit volgt reeds dat ingrijpen door middel van eindvoorzieningen tijdelijk is. Ook de tekst van art. 2:356 BW staat bol van de tijdelijkheid: het tijdelijk aanstellen van bestuurders en commissarissen, het tijdelijk ten titel van beheer overdragen van aandelen en tijdelijk afwijken van bepalingen van de statuten. Ook het schorsen van besluiten en bestuurders en commissarissen is uit zijn aard een tijdelijk maatregel.
Ook de eindvoorzieningen met een niet tijdelijk karakter, de vernietiging van een besluit; ontslag van een bestuurder of commissaris; en ontbinding van de vennootschap, brengen uit hun aard slechts een tijdelijke bemoeienis door de ondernemingskamer met zich mee. Dergelijke eindvoorzieningen werken immers ogenblikkelijk, al kan de regeling die eventueel is getroffen ten aanzien van dergelijke voorzieningen langer doorwerken. Dat is bijvoorbeeld het geval als de ondernemingskamer de gevolgen van de vereffening regelt na de ontbinding (bijvoorbeeld door te voorzien in een vereffenaar), of indien de rechtspersoon wordt verboden om te handelen alsof een vernietigd besluit nog rechtsgeldig is.2
Dit leidt tot de conclusie dat eindvoorzieningen de ondernemingskamer slechts in staat stellen om het beleid en de gang van zaken tijdelijk te beïnvloeden. Anders gezegd: de ondernemingskamer kan niet permanent de meest wezenlijke bevoegdheden binnen de vennootschap overnemen.3 Dat past ook bij de rol van de ondernemingskamer.4 (waarover meer in hoofdstuk 15). Het is niet de bedoeling dat de ondernemingskamer op de stoel van de onderneming gaat zitten. De ondernemingskamer opereert op afstand.
Het feit dat de ondernemingskamer geen vaste waarde binnen de vennootschap moet worden, is ook in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. Aan dat beginsel zal in hoofdstuk 9 aandacht worden besteed.5 Kort gezegd, houdt het in dat de ondernemingskamer niet meer ingrijpt dan noodzakelijk is. Dat is evident niet gelukt, als de ondernemingskamer een vast onderdeel van de organisatie van de rechtspersoon zou geworden.
Dat neemt niet weg dat de bemoeienis van de ondernemingskamer met een vennootschap waarbij wanbeleid is geconstateerd zeer lang kan duren.
Het beleid en de gang van zaken bij een vennootschap die is ontbonden door de ondernemingskamer, wordt veelal tot het eind van haar bestaan, beheerst door de door de ondernemingskamer aangestelde functionaris.
In de enquêteprocedure bij TCA hanteerde de ondernemingskamer een uitrookstrategie. De aandelen van de oorspronkelijke aandeelhouder, een stichting administratiekantoor, werden net zo lang ten titel van beheer overgedragen totdat deze stichting haar administratievoorwaarden aanpaste.6
In de enquêteprocedure bij Butôt beoogde de ondernemingskamer met het treffen van eindvoorzieningen onder meer dat de uitvoering van bepaalde overeenkomsten werd teruggedraaid.7 Dat zou moeten worden uitgevoerd door een tijdelijk aangestelde bestuurder. Na twee jaar was deze daar nog niet in geslaagd en werd met succes verzocht om de geldingsduur van de eindvoorzieningen te verlengen.8 Twee jaar later herhaalde zich dit.9
Het feit, dat op de hierboven beschreven wijze in art. 2:356 BW tot uitdrukking is gebracht dat de ondernemingskamer zich niet permanent moet bemoeien met het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap, is mijns inziens ook van belang bij de interpretatie van de term “tijdelijk” in art. 2:356 BW. Daarmee wordt volgens mij louter het hierboven uiteengezette uitgedrukt. Meer specifiek is de term “tijdelijk” niet bedoeld als een rem op de tertiaire gevolgen van eindvoorzieningen. Verwezen zij voorts naar par. 8.4.2, 16.3.3, 17.4.3.2 en 17.6.2.4.