Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.2.5.3
III.2.5.3. Inhoud en werking van het Erbverzichtsvertrag
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577925:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ebenroth, Erbrecht, Rn. 354.
§ 2349 BGB: ‘Verzichtet ein Abkömmling oder ein Seitenverwandter des Erblasssers auf das gesetzliche Erbrecht, so erstreckt sich die Wirkung des Verzichts auf seine Abkömmlinge, sofern nicht ein anderes bestimmt wird.’
Palandt-Edenhofer, BGB, § 2349, Rn. 1.
Ebenroth, Erbrecht, Rn. 104. MünchKomm – Strobel, § 2349, Rn. 4.
MünchKomm – Strobel, § 2349, Rn. 1.
Palandt-Edenhofer, BGB, § 2346, Rn. 5 e.v.
Als variant zou in dit kader ook gedacht kunnen worden aan het opnemen van een considerans voorafgaande aan de beschikkingen. Art. 4:43 lid 2 BW dient hierbij nauwlettend in het oog te worden gehouden.
Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 1143 en Rn. 1145. Een beperking wat betreft de erfopvolging ten aanzien van bepaalde goederen is niet mogelijk. Dit zou immers niet aansluiten bij het feit dat een legaat onder algemene titel niet past in het Duitse gesloten stelsel. Bij de legitieme, een financiële aangelegenheid, is dit anders.
Palandt-Edenhofer, BGB, § 2350, Rn. 1.
Nieder,Testamentsgestaltung, Rn. 1146. Palandt-Edenhofer, BGB, vor § 2346, Rn. 5.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, p. 185. Palandt-Edenhofer, BGB, vor § 2346, Rn. 9.
Schlüter, Erbrecht, Rn. 391 en Rn. 392.
Zie ook Ebenroth, Erbrecht, Rn. 353 voor vergelijkbare voorbeelden.
Contractspartijen bij het Erbverzichtsvertrag zijn enerzijds de erflater en anderzijds zijn echtgenoot, ‘Lebenspartner’, of familieleden die krachtens versterferfrecht zouden kunnen opvolgen (‘Verwandte’) (§ 2346 BGB). Een verloofde kan vóór de huwelijkssluiting reeds afstand doen van het toekomstige versterferfrecht betreffende de nalatenschap van zijn/haar echtgenoot (Vgl. § 2347Abs.1BGB).
Voor de gevolgen die gekoppeld zijn aan het doen van afstand kan men eveneens terecht in § 2346 BGB. Als gevolg van de afstand wordt de betrokkene niet alleen uitgesloten van het versterferfrecht, maar verliest hij ook zijn eventuele recht op de legitieme.
In het object waar afstand van kan worden gedaan (versterferfrecht en legitieme) is eveneens de beperktheid van de groep personen besloten met wie de erflater het Verzichtsvertrag kan sluiten.
Gefingeerd wordt dat degene die afstand doet op het moment van overlijden niet meer bestaat.1 De vraag die dan beantwoord moet worden is of de plaatsvervullers (§ 1924 BGB e.v.) ook niet meer opkomen. § 2349 BGB2 geeft hierop het antwoord: de afstand ziet ook op de (toekomstige) plaatsvervullers, tenzij anders is overeengekomen. Er hoeft hiervoor geen vertegenwoordiging bij het aangaan van het contract plaats te vinden (Vgl. § 2347 BGB).3 De ‘eigen rechten’4 van de afstammelingen gaan teniet. De motivering voor het gesignaleerde rechtsgevolg is dat de afstand in de regel om baat geschiedt, en daarvan de hele stam profiteert.5 § 2349 BGB werkt onder meer niet als een echtgenoot afstand doet.
De afstand van het erfgenaamschap impliceert afstand van de legitieme. Het is evenwel ook mogelijk slechts afstand te doen van de legitieme (§ 2346 Abs. 2 BGB). Er wordt dan gesproken van een ‘Pflichtteilsverzicht’. Ook kan slechts het versterferfrecht als voorwerp van de afstand genomen worden, en het recht op de legitieme in stand worden gelaten.6 Dit laatste heeft zin indien erflater de betrokkene slechts zijn legitieme wil geven, maar niet meer dan dat. In rechtsgevolg verschilt dit niet van een onterving of een ‘in de legitieme stelling’. Emotioneel ligt dit anders en de emotionaliteit dient in het erfrecht niet onderschat te worden. De ‘onterfde’ is bij de plannen van vader en moeder betrokken. Degene die in de notariële praktijk werkzaam is, zal in het kader van een onterving, een ‘in de legitieme stelling’, of een verkleining van het versterfbreukdeel, wel eens het advies hebben gegeven aan de testateur om de kinderen over de erfrechtelijke plannen in te lichten, een en ander voor zover het niet de bedoeling is de betrokkene een loer te draaien. Dit werkt beter dan met de deur in het sterfhuis te vallen.7 Het sluiten van een louter Pflichtteilsverzichtsvertrag geeft de erflater de mogelijkheid om, zo gewenst, de legitimaris toch als versterferfgenaam te laten erven; de betrokkene blijft immers versterferfgenaam. Wil erflater dit niet, dan heeft een onterving zijn volledige effect. Een louter Pflichtteilsverzicht heeft niet, zoals een Erb- und Pflichtteilsverzicht, tot gevolg dat de legitieme van de andere legitimarissen wordt verhoogd (‘Quotenerhöhung’). De legitimaris valt immers niet weg als versterferfgenaam(§ 2310 BGB en § 2316 Abs. 1BGB).
Ook anderszins zijn beperkingen in het object van de afstand mogelijk. Zo kan gedacht worden aan de beperking van het breukdeel of het ‘accepteren’ van inferieure makingen (zie § 2306 BGB, te vergelijken met de techniek van art. 4:72 BW en 4:73 BW). Ook kan overeengekomenworden bepaalde goederen buiten de berekening van de legitieme te houden.8
Dat er ook voorwaarden kunnen worden gekoppeld aan de afstand bleek al uit het bovenstaande. Een belangrijke aanwijzing hiervoor vindt men onder meer in de uitlegregel van § 2350 BGB Abs. 1 ten aanzien van de afstand ten behoeve van een ander:
‘Verzichtet jemand zugunsten eines anderen auf das gesetzliche Erbrecht, so ist im Zweifel anzunehmen, dass der Verzicht nur für den Fall gelten soll, dass der andere Erbe wird.’9
Het bedingen van een herroepingsrecht is, gelet op het abstracte karakter, niet mogelijk. Wel kunnen ontbindende en opschortende voorwaarden worden opgenomen.10
Meestal11 wordt het Erbverzichtsvertrag gesloten om baat. Het belang van de figuur voor de praktijk wordt verwoord door Schlüter:12
‘Der Erbverzicht kann der Erhaltung gröβerer Wirtschaftseinheiten dienen, die durch eine plötzliche Fälligkeit groβer Pflichtteilsbeträge zerschlagen würden. Er ist deshalb ein geeignetesMittel, um den Familienbesitz in einer Hand zu erhalten, vor allem dann, wenn er aus landwirtschaftlichen oder gewerblichenUnternehmen besteht.
Der Verzichtende kann zum Ausgleich mit dem Erblasser durchVertrag unter Lebenden auf denTodesfall seine Beteiligung am Nachlaβ vorweg regeln. So kann der Erbverzicht mit einer Abfindung der künftigen Erben verbunden werden. Sie lassen sich “auszahlen” und sichern sich schon zu Lebzeiten des Erblassers ihren Anteil an seinem künftigen Nachlaβ. Damit nehmen sie die Erbfolge vorweg. Auf diese Weise werden etwa die Kinder in die Lage versetzt, sich noch zu Lebzeiten der Eltern eine Existenz aufzubauen. Dabei werden andere künftige Miterben, die dieser Existenzhilfe nicht bedürfen, erbrechtlich nicht benachteiligt.’13