De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.2.1:8.5.2.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.2.1
8.5.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367301:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens art. 2:357 lid 2 BW regelt de ondernemingskamer “zo nodig” de gevolgen van de door haar getroffen (onmiddellijke) voorzieningen. Die formulering brengt nog eens onder de aandacht dat (onmiddellijke) voorzieningen uiteraard ook (rechts)gevolgen hebben die de ondernemingskamer niet regelt. Een verder voorbeeld daarvan is art. 2:357 lid 3 BW. Daarin is vastgelegd dat eindvoorzieningen ook het gevolg hebben dat deze niet ongedaan kunnen worden gemaakt en dat een besluit daartoe nietig is.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de verhouding tussen de geregelde en ongeregelde gevolgen van (onmiddellijke) voorzieningen.
Het feit dat (onmiddellijke) voorzieningen ook (rechts)gevolgen hebben die de ondernemingskamer niet regelt, is ook van belang voor de vraag wanneer het nodig is om de gevolgen van (onmiddellijke) voorzieningen te regelen. Eerst dient bezien te worden welke (rechts)gevolgen zonder de interventie van de ondernemingskamer intreden. Pas als die daartoe aanleiding geven of als deze niet volstaan, is er reden om de (rechts)gevolgen te regelen. Tevens is denkbaar dat bepaalde gevolgen van (onmiddellijke) voorzieningen zich niet lenen voor een nadere regeling. In de volgende paragraaf zal hierop nader worden ingegaan.