Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.4.2.3
2.4.2.3 Het rapport van S.D.A.P. en N.V.V. inzake bedrijfsorganisatie en medezeggenschap (1923)
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481364:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zo valt op p. 20 van het rapport te lezen dat ‘de invloed van de Russiese radengedachte niet geheel ontkend kan worden’.
P. 6 van het rapport.
P. 8 van het rapport.
P. 12 en 90 van het rapport.
Art. 1 van de Ontwerp-Wet. In datzelfde artikel is bepaald dat in ondernemingen met tussen de vijf en de twintig werknemers, een raadsman benoemd moeten worden, die zoveel mogelijk de functies van de ondernemingsraad waarneemt. Vgl. p. 14 van het rapport.
Art. 11 van de Ontwerp-Wet.
Art. 2 van de Ontwerp-Wet.
Art. 27 van de Ontwerp-wet, nader uitgewerkt in de artt. 34 t/m 36.
Art. 30 van de Ontwerp-Wet, nader uitgewerkt in de artt. 46 t/m 50. Artikel 46 bepaalt dat de ondernemingsraad ‘uit zijn midden’ een commissaris benoemt en dat, indien hij er twee mag aanwijzen (hetgeen het geval is indien de raad meer dan 15 leden telt), hij er bij voorkeur één benoemt die behoort tot de hoofdarbeiders en één die behoort tot de handarbeiders.
Het belang van de ontwikkelingen in Duitsland, maar ook van die in Rusland,1 komt eveneens naar voren in het rapport ‘Bedrijfsorganisatie en medezeggenschap’, dat in 1923 werd uitgebracht door een commissie, ingesteld door de N.V.V. en de S.D.A.P.. Geïnspireerd door ervaringen, opgedaan tijdens buitenlandse studiereizen, komt de commissie tot een aantal adviezen met betrekking tot ‘medezeggenschap der loontrekkenden in de onderneming’.2 Een vergelijking makend met de politieke vrijheid en de staatkundige rechten die werknemers inmiddels hebben verworven, stelt de commissie vast dat diezelfde werknemers zodra zij de fabriek betreden en niet langer staatsburgers maar bedrijfsgenoten zijn, machteloos als weleer zijn, en dat het met hun invloed op de gang van zaken gedaan is: ‘Hij weet niet, of de zaak goed of slecht gaat, hoort daaromtrent hoogstens geruchten … tot hij op zekere dag wegens de slechte uitkomsten van de onderneming, misschien ten gevolge van slechte leiding, “op de keien” komt te staan.’.3
Verwijzend naar de praktijk van de Engelse works-committees,4 ziet de commissie weinig tot geen heil ziet in de vrijwillige instelling van ondernemingsraden. Zij adviseert dan ook een wettelijke regeling tot stand te brengen. Bijlage 1 bij het rapport is het ontwerp van een Wet op de Ondernemingsraden: medezeggenschap van werknemers dient gestalte te krijgen in de vorm van een ondernemingsraad, waarvan de instelling verplicht is in elke onderneming waarin ten minste 20 werknemers werkzaam zijn.5 Tenzij uitdrukkelijk daartoe uitgenodigd, worden de vergaderingen van de ondernemingsraad niet bijgewoond door de ondernemer.6
De belangrijkste algemene taak van de ondernemingsraad is verwoord in art. 29 van de Ontwerp-Wet, dat wel doet denken aan art. 2 lid 1 van de huidige wet: ‘De ondernemingsraad staat de werkgever bij in het bevorderen van de bloei van de onderneming. Hij dient de werkgever van advies in alle aangelegenheden de onderneming betreffende.’. Tot de bijzondere taken behoort onder meer het houden van toezicht op de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten.7 Van de aan de ondernemingsraad toekomende bevoegdheden noem ik ook die tot het inzien van de balans en de winst- en verliesrekening8 en die tot aanwijzing van een of twee vertegenwoordigers in de raad van commissarissen.9