Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.4.2.4
2.4.2.4 De Bedrijfsradenwet
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS482579:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 7 april 1933, Stb. 1933, 160.
Onder het woorddeel ‘bedrijf’ in de Bedrijfsradenwet werd bedrijfstak verstaan, zo blijkt ook uit art. 2 lid 1 van de wet: ‘In elk bedrijf … wordt, hetzij voor het gehele land, hetzij voor een gedeelte des lands, door Ons een bedrijfsraad ingesteld.’
De Bedrijfsradenwet biedt hiermee, zoals De Gaay Fortman (1936, p. 120) al betoogde, een basis voor instelling van ondernemingsraden in individuele ondernemingen.
Stoop 2001, p. 83.
Werkman 1987, p. 131.
Hoefnagels 1977, p. 238.
Windmuller 1970, p. 94.
Op 6 april 1933 nam de Eerste Kamer de Bedrijfsradenwet aan,1 die het mogelijk maakte in elke bedrijfstak2 een paritair samengestelde bedrijfsraad in te stellen. Een bedrijfsraad zou op grond van art. 15 lid 1 van de wet onder meer tot taak hebben het ontwerpen van arbeidsvoorwaarden, zo mogelijk in de vorm van een collectieve arbeidsovereenkomst, het bevorderen van de werkgelegenheid, het stimuleren van overleg tussen werkgevers en werknemers in afzonderlijke ondernemingen ‘door middel van een daartoe strekkend orgaan’,3 het bespreken van technische en commerciële aangelegenheden van de bedrijfstak en het bevorderen van al hetgeen de verhoudingen tussen werkgevers en werknemers zou versterken. Bovendien had de raad verordenende bevoegdheid met betrekking tot bij of krachtens de wet aangeduide onderwerpen (art. 16) en had hij inzake arbeidsrechtelijke onderwerpen een adviserende functie voor diverse overheidsinstellingen (art. 22). De bedrijfsraden werden niet het succes wat daarvan, bijvoorbeeld in anti-revolutionaire kring,4 verwacht werd. Aan het begin van de oorlog waren er slechts 20 bedrijfsraden ingesteld. Werkman zag als belangrijkste oorzaak van dit geringe succes de beperkte bevoegdheden van de raad en de weerstand bij (met name) niet-confessionele werkgevers, die bevreesd waren dat de raden een opstap vormden naar socialisatie van hele bedrijfstakken.5 Hoefnagels meende dat gewone werknemers niet warm liepen voor instanties die ver verwijderd van hun dagelijkse werk.6 Achteraf kan men zeggen dat de toegevoegde waarde van de Bedrijfsradenwet is geweest dat hij na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke basis vormde voor ontwikkelingen op bedrijfstakniveau en op het gebied van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.7