Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/2.2.1.4
2.2.1.4 De rondvraag
1
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649796:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Een iets andere versie van deze paragraaf publiceerde ik reeds. Zie Breukink 2020.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 60.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 15.
HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, JOR 2010/228(ASMI) r.o. 4.6.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 6. Anders Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, nr. 64 die menen dat enkel de algemene vergadering als orgaan een recht op inlichtingen (vraagrecht) heeft.
De wet bepaalt t.a.v. alle vergadergerechtigden met gebruikmaking van dezelfde woorden dat zij bevoegd zijn “de algemene vergaderingen bij te wonen” (zie art. 2:117/227 lid 1 en lid 2 BW, alsmede art. 2:88 en 89 lid 4/197 en 198 lid 4 BW. Ergo: de algemene vergadering wordt gevormd door de vergadergerechtigden.
Vgl. naar Duits recht de uitspraak van het Bundesgerichthof (Duitsland) 8 februari 2010, Rn. 18, waarover ook Klaassen 2011, p. 68, m.n. in voetnoot 31.
In gelijke zin Bier 2010, p. 37. Kennelijk anders: Van Solinge 1994, p. 48, Posthumus Meyjes 1960, p. 210 en Buijn 1994, p. 106. Laatstgenoemde schrijft dat de rondvraag wel op de jaarlijkse algemene vergadering thuishoort, maar dat ten aanzien van de agenda voor een buitengewone algemene vergadering degene die de vergadering bijeenroept, bepaalt of er een rondvraag wordt opgenomen.
Dit kan niet tijdens de behandeling van de stem- en bespreekpunten. De vergaderorde laat dat niet toe.
Hetgeen onverlet laat dat een zwaarwichtig belang zich tegen het verstrekken van gevraagde informatie kan verzetten.
In algemene zin meen ik dat de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid, ook voor zover deze ziet op de wijze van totstandkoming van het besluit, marginaal behoort te zijn. Zie ook Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 308 met verdere verwijzingen.
Zie in dit verband Klaassen 2011, p. 67.
Wet van 22 april 2020, houdende tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in verband met de uitbraak van COVID-19, Kamerstukken II 2019/20, nr. 35 434.
At. 11 lid 1 onder b en art. 18 lid 1 onder b Spoedwet.
Hierover ook Van Olffen & Nagtegaal 2020, p. 327.
Van Helden 2019, p. 9. De auteur van de genoemde handleiding schrijft bij de vraag of een rondvraag altijd nodig is: “Pas op: dan kan men over elk onderwerp vragen gaan stellen. Te adviseren is om het agendapunt rondvraag weg te laten en de voorzitter bij de opening te laten aangeven dat alleen over die onderwerpen gesproken kan worden die op de agenda staan.”
Art. 2:117/227 (jo art. 2:88 en 89 lid 4/197 en 198 lid 4) BW bevat het spreekrecht van vergadergerechtigden. Het spreekrecht is het recht om in de algemene vergadering het woord te mogen voeren. Door gebruik te maken van het spreekrecht kan een vergadergerechtigde op zakelijke wijze zijn standpunt kenbaar maken over de aan de orde zijnde en door hem tijdens de rondvraag ter sprake gebrachte onderwerpen.2 De vergadergerechtigde kan pas gebruik maken van het spreekrecht als hij daartoe door de voorzitter in de gelegenheid wordt gesteld. Van het spreekrecht kan worden onderscheiden het vraagrecht. Het vraagrecht volgt uit art. 2:107/217 lid 2 BW, waarin is bepaald dat het bestuur en de rvc de algemene vergadering alle verlangde inlichtingen verschaffen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. Art. 2:107 lid 2 BW omvat mede het in art. 9 Richtlijn 2007/36/EG neergelegde recht van de individuele aandeelhouder om ter vergadering vragen te stellen, en de vennootschap dient die vragen te beantwoorden.3 De Hoge Raad oordeelde in r.o. 4.6 van ASMI dat art. 9 Richtlijn 2007/36/EG (en dus art. 2:107 lid 2 BW) zich ook uitstrekt tot onderwerpen die niet op de agenda staan.4 Aangezien art. 2:217 lid 2 BW exact hetzelfde geredigeerd is als art. 2:107 lid 2 BW, mag worden aangenomen dat ook bij de BV iedere aandeelhouder het recht heeft om ter vergadering vragen te stellen – ongeacht of deze betrekking hebben op punten die op de agenda zijn vermeld –, en dat de vennootschap die vragen dient te beantwoorden.
Waarbij ik overigens opmerk dat naar mijn mening de vennootschap vragen over niet geagendeerde onderwerpen in beginsel minder gedetailleerd en uitvoerig hoeft te beantwoorden. Dit omdat de vennootschap vragen over niet geagendeerde onderwerpen normaliter niet heeft kunnen voorbereiden. Het ligt anders als de vennootschap de vragen (ruim) van tevoren heeft ontvangen.
Betekent het voorgaande nu dat het spreekrecht toekomt aan iedere vergadergerechtigde, maar dat slechts aandeelhouders het vraagrecht hebben? Ik meen dat dit niet het geval is en dat ook andere vergadergerechtigden dan de aandeelhouders het vraagrecht hebben. De wet heeft het in art. 2:107/217 lid 2 BW over ‘verlangde inlichtingen’, hetgeen verstaan kan worden als vanuit (niet: door) de algemene vergadering verlangde inlichtingen.5 De algemene vergadering wordt blijkens de wet mede gevormd door de andere vergadergerechtigden.6 Er is daarom geen reden om aan te nemen dat slechts aandeelhouders, en niet ook de andere vergadergerechtigden, het vraagrecht hebben. Overigens zou het, wanneer het spreekrecht en het vraagrecht strikt gescheiden worden gehouden, lastig vast te stellen zijn op welk moment precies de grenzen van het spreekrecht worden overschreden.7
Maar op welke momenten gedurende de algemene vergadering kunnen de vergadergerechtigden dan gebruik maken van hun spreek- en vraagrecht? In de eerste plaats kunnen zij dat nadat het onderwerp waarover zij willen spreken of vragen willen stellen door de voorzitter aan de orde is gesteld. Indien het onderwerp ter stemming op de agenda staat, moet de voorzitter, op straffe van vernietigbaarheid van het besluit op grond van art. 2:15 lid 1, sub b BW, voorafgaand aan de stemming de gelegenheid tot het uitoefenen van het spreek- en het vraagrecht bieden. Daarnaast kunnen vergadergerechtigden tegen het einde van de algemene vergadering, nadat de stem- en bespreekpunten zijn afgewerkt, over alle onderwerpen (ongeacht of deze op de agenda staan) een discussie starten en vragen aan het bestuur en de rvc stellen. Meestal is hiervoor als laatste agendapunt de rondvraag opgenomen.
Uit de wet blijkt niet van een verplichting om een rondvraag in de agenda op te nemen.8 Maar als de agenda geen rondvraag bevat, kunnen de vergadergerechtigden met een beroep op de hiervoor genoemde r.o. 4.6 van HR ASMI na de behandeling van de stem- en bespreekpunten alsnog gebruik maken van hun spreek- en vraagrecht om andere onderwerpen aan de orde te stellen.9 Ik zou ook menen dat de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat de voorzitter daartoe (op verzoek) de gelegenheid biedt. Wat de voorzitter naar mijn mening in elk geval niet mag doen, is een vergadergerechtigde die aan het eind van de vergadering een vraag stelt over een aan de vennootschap of haar onderneming gerelateerd onderwerp dat niet op de agenda staat, afkappen met de mededeling dat er geen rondvraag is. Evenmin mag de vennootschapsleiding, onder opgaaf van dezelfde reden (het ontbreken van een rondvraag op de agenda) weigeren de gestelde vragen te beantwoorden.10 Gebeurt zulks wel dan wordt in strijd gehandeld met het in r.o. 4.6 van HR ASMI bepaalde. Afhankelijk van de mate waarin het spreek- en vraagrecht van de vergadergerechtigden wordt aangetast, kan sprake zijn van gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen. De ter vergadering genomen besluiten acht ik in beginsel niet vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW.11 Immers, het spreek- en vraagrecht wordt weliswaar aangetast, maar (doorgaans) niet in relatie tot de (reeds genomen) besluiten.
Anders ligt het als het spreek- en vraagrecht wordt aangetast niet tegen het eind van de vergadering, maar voorafgaand aan het nemen van een besluit, dus tijdens de beraadslaging daarover. Vernietigbaarheid van het betreffende besluit is dan eerder aan de orde.12
Omdat het tijdens de COVID-19 pandemie niet wenselijk werd geacht fysieke bijeenkomsten te houden, kreeg het bestuur op grond van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid (‘de Spoedwet’)13 de bevoegdheid te bepalen dat de algemene vergadering(en) ofwel fysiek maar zonder (alle) vergadergerechtigden, ofwel virtueel gehouden zouden worden. In de Spoedwet is onder meer als voorwaarde opgenomen dat vergadergerechtigden tot 72 uur voorafgaand aan de algemene vergadering in de gelegenheid moeten worden gesteld schriftelijk of elektronisch vragen te stellen over onderwerpen op de agenda.14 Dit is aldus een materiële inperking van het spreek- en vraagrecht van vergadergerechtigden. Normaliter kunnen zij, als gezegd, vragen stellen over elk onderwerp dat verband houdt met de vennootschap of haar onderneming.15
Samenvattend bestaat er voor de vennootschapsleiding geen plicht een rondvraag in de agenda op te nemen, maar het ontbreken van een rondvraag belet vergadergerechtigden niet aan het eind van de vergadering hun spreek- en vraagrecht uit te oefenen. Het in de ‘Handleiding met betrekking tot de formaliteiten rond een Algemene Vergadering’, ingenomen standpunt, inhoudende dat wanneer geen rondvraag in de agenda wordt opgenomen, vergadergerechtigden niet over andere dan in de agenda opgenomen onderwerpen vragen kunnen stellen, acht ik dan ook onjuist.16