Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/8.11
8.11 Eigen schuld
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS509877:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Van Zutphen 2018, p. 223.
Zie bijvoorbeeld Rb. Zwolle-Lelystad 21 april 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0380, r.o. 4.6 (Pluimveestal Lelystad) en Rb. ‘s-Gravenhage 1 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BV1555, r.o. 4.16 (SCS/Teylingen). Vgl. Rb. Amsterdam 19 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV7472, r.o. 4.25 (Erfpacht Hollands Noorderkwartier) en Rb. Arnhem 20 juni 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX3594, r.o. 4.6 (Bijgebouw Lingewaard).
Vgl. Verheij 2015, p. 53.
Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727 (Principebesluit Zwijndrecht).
De in paragraaf 8.7 beschreven bereidheid van de feitenrechter om de benadeelde burger te volgen in zijn stellingen wanneer eenmaal vaststaat dat hij onjuist is geïnformeerd, is ook zichtbaar bij de beoordeling van een beroep van de overheid op eigen schuld. In paragraaf 7.5 zijn drie situaties besproken waarin de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW. Een omstandigheid die zich in vrijwel alle zaken van onrechtmatige informatieverstrekking voordoet, is het nalaten van de burger om zoveel eigen onderzoek te doen als nodig is om de onjuistheid van de verstrekte informatie voldoende tijdig te onderkennen. De gedachte zou kunnen postvatten dat een dergelijk nalaten nooit grond voor vermindering van de schadevergoedingsplicht van de overheid kan opleveren. Een schadevergoedingsplicht bestaat namelijk slechts wanneer de burger redelijkerwijs erop mocht vertrouwen dat hij juist en volledig werd geïnformeerd. Dit vertrouwen kan alleen bestaan indien de burger geen reden had om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte informatie. Bij die stand van zaken zou men kunnen zeggen dat niet onredelijk is dat de burger de juistheid van de verstrekte informatie niet heeft gecontroleerd en daarnaar zelf geen nader onderzoek heeft gedaan.
In zijn preadvies voor de VAR merkt ook Nationale ombudsman Van Zutphen op dat je, als je de overheid vertrouwt, zonder veel nadenken afgaat op de juistheid van de informatie die zij je geeft. Wanneer je de systemen van de overheid gebruikt, gebruik je deze zonder veel nadenken. Vertrouwen heeft dus veel te maken met handelingen niet hoeven verrichten, zoals daar zijn zelf informatie verzamelen of ten minste de aangeleverde informatie controleren, aldus Van Zutphen.1
De gedachte dat aan artikel 6:101 lid 1 BW in het geheel geen toepassing kan worden gegeven, is te kort door de bocht (paragraaf 7.5.2). Het gaat immers erom of de benadeelde zich – door geen eigen, nader onderzoek te doen – anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. De toets in het kader van artikel 6:101 lid 1 BW is niet of de burger redelijkerwijs mocht vertrouwen op de verkregen informatie, maar of een redelijk denkende en handelende burger – gegeven dit vertrouwen – aanvullende maatregelen had moeten treffen teneinde te voorkomen dat hij uitging van een onjuiste voorstelling van zaken. Deze toets lijkt niet bij alle feitenrechters helder voor ogen te staan.2 De feitenrechter lijkt weinig genegen te zijn om een eenmaal aangenomen schadevergoedingsplicht van de overheid te corrigeren wegens een onvoorzichtig handelen of nalaten van de burger dat heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Dit is misschien hierdoor te verklaren dat bij de schadevergoedingsrechter, als hij eenmaal is aangekomen bij de beoordeling van een eigenschuldverweer, weinig sympathie resteert voor de overheid die de burger op het verkeerde been heeft gezet, waardoor deze burger aantoonbaar schade heeft geleden. De persoon van de doorsnee-burger, de maatman-burger, de fidens zonder bijzondere kennis en kunde, lijkt daarbij de doorslag te geven. Een meer juridische verklaring is dat een zekere mate van onvoorzichtig gedrag van de burger reeds is verdisconteerd in de onrechtmatigheidsbeoordeling (zie paragraaf 7.5.2). Dit betekent echter niet dat de schade van de burger die wel erg gemakkelijk zijn oren laat hangen naar overheidsinformatie niet op grond van artikel 6:101 lid 1 BW ten dele voor zijn rekening zou moeten kunnen worden gelaten.
Het voorgaande moet niet worden gelezen als een pleidooi voor een ruime toerekening in het kader van artikel 6:101 lid 1 BW, maar als een pleidooi voor een genuanceerde toepassing van artikel 6:101 lid 1 BW, waarbij de eigen schuld van de benadeelde aan het ontstaan van zijn schade niet bij voorbaat is uitgesloten. Mijns inziens dient voorop te (blijven) staan dat terughoudendheid is geboden bij de toerekening van onderzoeksfalen aan de burger.3 In de toepasselijke maatstaf ligt besloten dat de eigen onderzoeksplicht van de burger minder zwaar weegt dan de voorlichtingsfout van de overheid. Juist het feit dat een zekere mate van onvoorzichtigheid is verdisconteerd in het onrechtmatigheidsoordeel leidt ertoe dat niet snel aanleiding bestaat om de aansprakelijkheid van de overheid (ingrijpend) te corrigeren op grond van artikel 6:101 lid 1 BW wegens diezelfde onvoorzichtigheid. Hiervoor bestaat wel aanleiding indien de omstandigheden van het geval vragen om een ‘dubbelcheck’. Het kan bijvoorbeeld onvoorzichtig zijn om zonder meer op de juistheid van de verstrekte informatie te vertrouwen indien het weinig bezwaarlijk is om buiten de overheid om te verifiëren of de verstrekte informatie juist is, bijvoorbeeld als het niet gaat om complexe materie of als de betrokken burger over deskundigheid (of deskundige bijstand) beschikt ten aanzien van het onderwerp van de informatie. Het nalaten om eigen onderzoek te doen, lijkt daarnaast grond te kunnen zijn voor vermindering van de schadevergoedingsplicht indien de aard en/of omvang van de betrokken belangen meebrengen dat niet kan worden volstaan met het raadplegen van informatie die van overheidswege wordt verstrekt. Het voorgaande wordt geïllustreerd door het voorbeeld dat in paragraaf 1.1 en 8.7 is gegeven.4