Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/1.3
1.3 Onderzoeksmethode
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181135:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.B.M. Vranken, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht, Algemeen deel****. Een synthese, Deventer: Kluwer 2014, nr. 8 e.v. Zie ook P.C. Westerman, M.H. Wissink, ‘Rechtsgeleerdheid als rechtswetenschap’, NJB 2008, 440.
C. van Vollenhoven, ‘Omtrek en methode der rechtswetenschap’, in: Mr.C. van Vollenhoven’s verspreide geschriften, Haarlem: Tjeenk Willink & Zoon N.V. 1934, p. 14: “Met deze drie dan, de systematische, de historische en de vergelijkende rechtsstudie, met het naspeuren dus van gesteldheid, verloop, en regelmaat van het recht, is het ambt der rechtswetenschap ten einde. Het is niet drieërlei stoffe, het is een zelfde stoffe van drieërlei zijde aangevat.” Cf. E.M.H. Hirsch Ballin, ‘Object en methode van de wetenschap van het staatsrecht en het bestuursrecht’, in: Rechtsstaat & beleid. Een keuze uit het werk van mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willinck 1991.
R. Stürner, ‘Das Zivilrecht der Moderne und die Bedeutung der Rechtsdogmatik’, JuristenZeitung 2012/1, schrijft op p. 11 treffend: “Die Grundfunktion der Dogmatik besteht vor allem darin, Gleichheit, Ungleichheit und Ähnlichkeit transparent zu halten.” Zie ook: R. Kranenburg, De grondslagen der rechtswetenschap. Juridische kennisleer en methodologie, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon N.V. 1948, p. 32: “Zoo is dus de nimmer eindigende functie der rechtswetenschap: het ordenen der verschijnselen op het gebied der rechtswaardeering, het systematiseren en kritisch analyseeren, zoodat zij kunnen worden begrepen als een samenhangend en verstaanbaar geheel.”
Deze redenering ontleen ik aan P.C. Westerman, The Disintegration of Natural Law Theory. Aquinas to Finnis, (diss. Groningen), Leiden/New York/ Köln: Brill 1997, p. 11: “Is it not true that the arrangement of five authors in a row suggests that they are considered to contribute to one tradition, whereas they simply do not? Is it not equally true that the differences are more striking and also more interesting than their continuity? I agree with that objection. But I maintain that in order to discern and asses these differences, it can be helpful to act as if these various theories contribute to the same tradition. That tradition does not ‘exist’, it cannot readily be ‘found’; it is a construct of our own making.”
Het dissertatieonderzoek is gelet op de hiervoor genoemde vragen juridisch-dogmatisch van aard.1 Met behulp van een bronnenstudie in de vorm van een jurisprudentie- en literatuuronderzoek is een conceptueel-theoretische analyse gemaakt van het Nederlanderschap en de toepassing van het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk met het oog op de duiding van het staatsburgerschap van dit Koninkrijk. De juridisch-dogmatische aard van het onderzoek heeft tot gevolg dat het onderzoek een analyserend en systematiserend karakter heeft.2 Daarbij wordt het geldende recht over het voetlicht gebracht als een coherent en consistent geheel van begrippen waarbij overeenkomsten en tegenstellingen in dit normenkader worden blootgelegd.3
Een vraagpunt in dit verband betreft de veronderstelde intellectuele continuïteit tussen het begrip burgerschap zoals dit is ontstaan in de klassieke oudheid en zoals het daarna is ontwikkeld. Dit vraagpunt speelt met name in Hoofdstuk II van dit proefschrift een relevante rol. In dat hoofdstuk komen namelijk het begrip burgerschap en zijn verschijningsvormen ter sprake, waarbij aandacht wordt besteed aan verschillende auteurs die zich daarover hebben uitgelaten. Een legitieme vraag in dit kader is of de behandelde auteurs allen bijdragen aan hetzelfde concept – namelijk het concept burgerschap. Gelet op de verschillende maatschappelijke en historische context waarin de auteurs opereerden, is vanzelfsprekend dat die auteurs niet altijd dezelfde notie voor ogen hebben gehad in hun verhandelingen. In de tekstuele analyse van de totstandkomings- en ontwikkelingsgeschiedenis van het burgerschapsbegrip wordt echter in dit proefschrift verondersteld dat er door de eeuwen heen sprake is van begripsparallellie. Om de overeenkomsten en verschillen tussen die verschillende benaderingen te doorgronden kan het wel degelijk nuttig zijn om te doen alsof de verscheidene auteurs dezelfde notie beschouwen.4 In de bestudering van het burgerschapsbegrip wordt in dit proefschrift derhalve als uitgangspunt gehanteerd alsof door de eeuwen heen is bijgedragen aan de ontwikkeling van dezelfde notie: namelijk de vormgeving van de rechtsbetrekking tussen de burger en zijn rechtsorde. Deze keuze is te rechtvaardigen door de omstandigheid dat het overgrote deel van de te behandelen auteurs impliciet of expliciet uitgaat van de gedachte dat het burgerschapsbegrip een rechtsbetrekking betreft tussen de burger enerzijds en zijn rechtsorde anderzijds. De daadwerkelijke vormgeving van deze rechtsbetrekking is daarbij afhankelijk van de constitutionele structuur van de desbetreffende entiteit en de inkleuring van het in kwestie zijnde burgerschap.
De vragen die in dit onderzoek centraal staan, zijn hiervoor uiteengezet. Rechtsvergelijking is, zoals daaruit blijkt, een component van deze studie. In het onderzoek is gebruik gemaakt van inzichten uit het Franse recht ten aanzien van de invulling van het burgerschapsbegrip. De behandeling van het Franse burgerschapsbegrip is functioneel van aard en staat ten dienste van de begripsvorming in het constitutioneel Koninkrijksrecht en het constitutioneel Nederlands recht. Bij de behandeling van het Franse burgerschap is eveneens door middel van de bestudering en interpretatie van de Franse wet, rechtspraak en literatuur getracht de betekenis van de toepassing van het Unieburgerschap in de Franse LGO uiteen te zetten voor de duiding van het Franse burgerschap. De bestudering van het Franse burgerschapsbegrip dient afwisselend tot inspiratie voor de vormgeving van het Nederlanderschap, tot verheldering van en nadere inkleuring van de notie van burgerschap in een ander constitutioneel bestel en sporadisch ter ondersteuning van ingenomen standpunten in het Koninkrijk. De keus voor het Franse recht is door meer redenen ingegeven. Drie van deze redenen zijn de volgende. In de eerste plaats is te noemen dat het Franse recht een cruciaal uitgangspunt deelt met het constitutioneel Koninkrijksrecht, namelijk dat er een ongedeeld burgerschap bestaat in de overzeese gebieden en de metropool. Ongeacht de lokale status van de ingezetenen van de overzeese gebieden, zijn zij de iure te kwalificeren als Frans staatsburger. Dit geldt eveneens voor de staatsburgers van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Zij zijn allen aan te merken als Nederlandse staatsburgers. Hiermee leent het Franse recht zich goed voor een vergelijking met het Nederlandse recht. Ten tweede geldt dat het LGO-regime zijn historische wortels vindt in het in de jaren vijftig van de vorige eeuw vigerende onderscheid tussen de zogenoemde départements d’outre-mer en territoires d’outre-mer in het Franse recht. De LGO-regeling kan beter worden begrepen indien het ontstaan en de evenknie van deze rechtsfiguur naar Frans recht worden bestudeerd. Tot slot is de omstandigheid dat de Franse Revolutie een cruciale rol heeft gespeeld ten aanzien van de vormgeving van het burgerschapsbegrip, ook ten aanzien van de uitgangspunten met betrekking tot de overzeese gebieden, een reden geweest om het recht van de Franse Republiek met betrekking tot burgerschap te bestuderen.