Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/1.4:1.4 Plan van behandeling
Morganatisch burgerschap 2019/1.4
1.4 Plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181145:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift bestaat inclusief deze inleiding uit acht hoofdstukken. Daarbij wordt stapsgewijs toegewerkt naar de beantwoording van de vragen hoe het Nederlanderschap dient te worden geduid vanuit een conceptueel-theoretisch perspectief en wat de betekenis is van de gelding van het Europees Unieburgerschap op de LGO van het Koninkrijk voor de duiding van het Nederlanderschap. Deze materie wordt in een rechtsvergelijkend Frans perspectief geplaatst. Teneinde de onderzoeksvragen te beantwoorden wordt aandacht besteed aan achtereenvolgens het burgerschapsbegrip, de LGO, het Europees Unieburgerschap, het Franse burgerschap en het Nederlanderschap. Hiermee bevatten de verschillende hoofdstukken in een systematische opbouw de bouwstenen voor de beantwoording van de onderzoeksvragen.
Hoofdstuk II staat in het teken van het burgerschapsbegrip en zijn verschijningen. Daarbij wordt stilgestaan bij de vraag wat de essentialia zijn van dit begrip en welke rechtsverhouding het reguleert. In ieder geval het ontstaan, de eclipsen en de wedergeboorten van het burgerschapsbegrip worden bestudeerd, teneinde het fluctuerende karakter van dit eeuwenoude begrip weer te geven en de samenhang van het burgerschapsbegrip met wederkerigheid en de politieke representatie van de burger te analyseren. Zoals zal blijken uit Hoofdstuk II zijn de noties wederkerigheid en politieke representatie relevant bij de vormgeving van burgerschap. De verhouding tussen deze noties zal ter sprake komen in Hoofdstuk II. Wel kan in dit stadium alvast een opmerking worden gemaakt over de term wederkerigheid. Hiermee wordt gedoeld op de rechten en plichten over en weer tussen de burger en zijn rechtsorde. Als voorbeeld van een burgerplicht zal dienen de militaire dienst in tijden van oorlog. Met betrekking tot de burgerschapsrechten zal het kiesrecht voor vertegenwoordigende organen in de verschillende rechtsordes, zijnde die van het Koninkrijk der Nederlanden, de Franse Republiek en de Europese Unie, uitvoerig worden behandeld, teneinde te bezien in hoeverre wordt tegemoetgekomen aan de notie van politieke representatie. Daarnaast wordt ten aanzien van deze rechtsordes kort stilgestaan bij het reis- en vestigingsrecht van burgers. De keuze hiervoor is eenvoudig te verklaren: door middel van dit recht kan de burger zich immers vrij bewegen en vestigen op het grondgebied van de desbetreffende entiteit om aldaar burgerschapsrechten uit te oefenen en aan burgerschapsplichten te voldoen.
Aansluitend wordt in Hoofdstuk III en IV aandacht besteed aan de rechtsfiguur van de LGO. Daarbij wordt ingegaan op het ontstaan van de LGO en de ontwikkeling die de LGO hebben doorgemaakt in zowel de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie als de zogenoemde LGO- besluiten van de Raad. Wat is de strekking (geweest) van deze LGO-regeling en welke ontwikkeling maakt zij door? Vervolgens wordt in Hoofdstuk V het Unieburgerschap als species van het genus burgerschap bestudeerd. Op welke wijze bewerkstelligt dit burgerschap een rechtsverhouding tussen de Unieburger (overzee) en de rechtsorde van de Unie? Wat is de betekenis van de toepassing van het Unieburgerschap in de LGO wanneer in het bijzonder wordt gekeken naar de politieke representatie van de Unieburger overzee in het wetgevende orgaan van de Unie? In Hoofdstuk VI wordt aandacht besteed aan de contouren van het Franse burgerschap, in het bijzonder de wederkerigheid ervan en de politieke representatie van de Franse burger overzee in het wetgevende orgaan van de Republiek. Daar wordt hoofdzakelijk stilgestaan bij twee vraagstukken. Ten eerste om welke reden(en) en op welke wijze gehoor is gegeven aan het principe dat iedere Franse overzeese burger door middel van gebruikmaking van het kiesrecht politiek vertegenwoordigd is in het orgaan dat mede betrokken is bij het uitvaardigen van wetgeving. Ten tweede wordt ingegaan op de betekenis van de gelding van het Unieburgerschap, in het bijzonder wat betreft politieke representatie van de Franse overzeese burger in het Europees Parlement, in de Franse LGO voor de duiding van het Franse burgerschap. Hoofdstuk VII staat in het teken van het Nederlanderschap. In dit hoofdstuk wordt een antwoord gegeven op de vragen op welke wijze het burgerschapsbegrip binnen het Koninkrijk kan worden geduid vanuit een conceptueel-theoretisch en rechtsvergelijkend Frans perspectief en welke inzichten de gelding van het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk biedt voor het Nederlanderschap.
Tot slot wordt in het concluderende Hoofdstuk VIII gereflecteerd op een drietal thema’s uit dit proefschrift. Het eerste thema betreft het fluctuerende bestaan van het burgerschapsbegrip. Het tweede thema heeft betrekking op de daadwerkelijke invulling van het burgerschapsbegrip in het Koninkrijk der Nederlanden, de Franse Republiek en de Europese Unie. Als derde thema wordt de toekomstbestendigheid van het LGO-regime in de statutaire rechtsorde bezien.