Zie rov. 4.1.1-4.2 van het tussenarrest van het hof Den Bosch van 5 oktober 2010.
HR, 19-10-2012, nr. 11/03143
ECLI:NL:HR:2012:BX0744
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-10-2012
- Zaaknummer
11/03143
- Conclusie
mr. E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
BX0744
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX0744, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑10‑2012
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2011:BY3786
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX0744
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2010:BY3783
ECLI:NL:HR:2012:BX0744, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑10‑2012; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2010:BY3783
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2011:BY3786
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX0744
- Wetingang
- Vindplaatsen
JBO 2013/40 met annotatie van H.J. Bos
JBPr 2013/11 met annotatie van Mr. M.R. van Zanten
JM 2013/36 met annotatie van H.J. Bos
Conclusie 19‑10‑2012
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Partij(en)
Zaaknr. 11/03143
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 29 juni 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
Het gaat in deze zaak over tijdig appelleren van een deelvonnis, toewijzing van de vordering tot betaling van sequestratiekosten en de veroordeling in de proceskosten.
1. Feiten1. en procesverloop2.
1.1
Verweerder in cassatie, [verweerder], zocht omstreeks december 2006 een huurder voor zijn bedrijfsruimte met buitenperceel gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de loods). Eiser tot cassatie, [eiser], heeft in januari 2007 interesse getoond, de loods samen met [betrokkene 1] bezichtigd en [verweerder] daarover gesproken. Daarna hebben partijen nog verscheidene malen met elkaar gesproken. Bij één van deze gesprekken heeft [eiser] zijn paspoort getoond en heeft de echtgenote van [verweerder] daarvan een fotokopie gemaakt. Een door [verweerder] opgestelde huurovereenkomst, gedateerd 26 februari 2007, waarop [eiser] als huurder staat vermeld en waarop voorts is vermeld dat de loods per 1 maart 2007 wordt verhuurd, is niet ondertekend.
1.2
Op 7 maart 2007 heeft de gemeente Helden, naar aanleiding van klachten over geuroverlast, het terrein van de loods geïnspecteerd. Bij brief van 8 maart 2007 heeft de gemeente, kort samengevat, aan [verweerder] medegedeeld dat zij heeft geconstateerd dat een grote hoeveelheid van de stof Diisobutylketon is geloosd, dat de bodem en de riolering daardoor ernstig vervuild zijn geraakt, dat milieuvoorschriften zijn overtreden en dat bestuursdwang wordt toegepast. Op dezelfde dag heeft de gemeente een soortgelijke brief gestuurd aan [eiser] en aan Lyrasol Import & Export GmbH (hierna: Lyrasol).
1.3
Bij inleidende dagvaarding van 26 maart 2007 heeft [verweerder] [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Helmond.
[Verweerder] heeft daarbij - kort samengevat - gevorderd dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad 1. de huurovereenkomst ter zake van de loods per 1 maart 2007 ontbindt; voorts [eiser] veroordeelt 2. tot ontruiming van het huurobject en 3. tot betaling van huurpenningen alsmede 4. tot betaling van schadevergoeding voor alle door [verweerder] geleden schade ten gevolge van de door dan wel vanwege [eiser] veroorzaakte bodemverontreiniging in of rondom het gehuurde en 5. tot betaling van proceskosten, waaronder begrepen beslagkosten en kosten van sequestratie.
1.4
[Verweerder] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat hij met ingang van 1 maart 2007 een huurovereenkomst met [eiser] is aangegaan, dat in de periode van 1 tot 7 maart 2007 lossingen van milieubelastende stoffen in de bodem van het gehuurde hebben plaatsgevonden, dat [verweerder] als eigenaar van het gehuurde door de gemeente is aangesproken voor alle schade als gevolg van de lossingen en dat [eiser] aldus op ernstige wijze jegens [verweerder] is tekortgeschoten. Bovendien heeft hij de huurpenningen niet (tijdig) voldaan.
1.5
[Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Na verdere conclusiewisseling heeft de kantonrechter [eiser] bij tussenvonnis van 24 oktober 2007 toegelaten tot bewijs van de juistheid van zijn stelling dat [verweerder] de huurovereenkomst niet met hem, [eiser], is aangegaan, maar met de Duitse vennootschap Lyrasol, gevestigd te Nettetal-Lobberich.
1.6
Nadat op 24 januari en 26 maart 2008 getuigenverhoren hebben plaatsgevonden en partijen daarop bij conclusies na (contra-)enquête hebben gereageerd, heeft de kantonrechter bij vonnis van 9 juli 2008 de vordering op de onderdelen 1, 2 en 3 afgewezen op de grond dat [eiser] is geslaagd in het door hem te leveren bewijs (rov. 7). De kantonrechter heeft daarnaast onder aanhouding van iedere verdere beslissing de zaak naar de rol verwezen om [verweerder] de gelegenheid te geven zich - bij akte - uit te laten over de vraag of hij omtrent onderdeel 4 van de vordering (schadevergoeding wegens milieuvervuiling) nog verder wenst te procederen.
1.7
Na aktewisseling heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 10 december 2008 geconstateerd dat [verweerder] heeft laten weten niet verder te willen procederen en onderdeel 4 van de vordering daarentegen te willen intrekken en heeft de kantonrechter vervolgens de vordering op onderdeel 4 afgewezen en [verweerder] veroordeeld in de kosten van het geding.
1.8
[Verweerder] is, onder aanvoering van zeven grieven, bij appelexploot van 5 maart 2009 van de vonnissen van de kantonrechter van 9 juli 2008 en 10 december 2008 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van deze vonnissen en - zakelijk weergegeven - tot toewijzing van zijn vorderingen zoals in eerste aanleg omschreven.
[Eiser] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen.
1.9
Bij tussenarrest van 5 oktober 2010 heeft het hof - naar de kern genomen en sterk vereenvoudigd weergegeven - geoordeeld dat het door [eiser] te leveren bewijs niet is geleverd (rov. 4.3) en voorts dat de huurovereenkomst is gesloten met [eiser] in privé, maar dat dit niet betekent dat alle vorderingen van [verweerder] moeten worden toegewezen (rov. 4.8). Het hof heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen voor de in het arrest onder 4.8.2 tot en met 4.8.4 vermelde doeleinden.
1.10
Bij eindarrest van 5 april 2011 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigd, en opnieuw rechtdoende, (i) de huurovereenkomst tussen partijen per datum van het arrest ontbonden; [eiser] veroordeeld tot betaling van (ii) een bedrag van € 28.333,20 ter zake van de verschuldigde huurpenningen te vermeerderen met de wettelijke rente en (iii) van een bedrag van € 25.532,05 ter zake van de kosten van sequestratie. Het hof heeft de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, [eiser] veroordeeld in de proceskosten inclusief de beslagkosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.
1.11
[Eiser] heeft tegen de arresten3. van het hof tijdig4. beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
[Eiser] heeft zijn standpunt vervolgens schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen (klachten).
Onderdeel I klaagt dat het hof [verweerder] ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in zijn bij appeldagvaarding van 5 maart 2009 ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen onder 1, 2 en 3 in het tussenvonnis van 9 juli 2008.
2.2
Het onderdeel is terecht voorgesteld.
Een eindvonnis of eindarrest houdt een beslissing in het dictum in over (een onderdeel van) hetgeen is gevorderd en maakt (in zoverre) een einde aan de instantie. Dat is het geval als een vordering in het dictum (gedeeltelijk) wordt toegewezen of afgewezen5..
Het onder 1.6 vermelde vonnis van de kantonrechter van 9 juli 2008 is een deelvonnis waarin in het dictum een uitdrukkelijk einde aan een deel van het geding is gemaakt, te weten voor zover het de vorderingen 1-3 betreft door afwijzing van deze vorderingen. In zoverre is dit vonnis een eindvonnis. De tussenvonniscomponent betreft de verwijzing naar de rol met het oog op de vordering onder 4.
Met betrekking tot de vorderingen 1-3 diende van het vonnis van 9 juli 2008 binnen drie maanden (art. 339 lid 1 Rv.) hoger beroep te worden ingesteld. Deze termijn was op 5 maart 2009 (datum appelexploot) ruimschoots verstreken. Aangezien beroepstermijnen van openbare orde zijn6., had het hof [verweerder] ambtshalve niet-ontvankelijk dienen te verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit de afwijzing van de vorderingen onder 1-3 in het vonnis van 9 juli 2008 betreft.
2.3
Onderdeel II klaagt dat het hof [eiser] in zijn eindarrest ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van kosten van beslag en sequestratie, omdat deze oordelen innerlijk tegenstrijdig zijn met het oordeel van het hof in rechtsoverweging 8.7 van het eindarrest dat de vordering tot schadevergoeding wegens bodemverontreiniging als onvoldoende toegelicht zal worden afgewezen. Uit de beslagstukken vloeit voort dat de kosten van beslag en sequestratie zijn ontleend aan de beslagverloven die zijn gelegd op de grond van een gepretendeerde vordering tot schadevergoeding wegens milieuverontreiniging en niet (ook) met als grond de vorderingen onder 1-3. Nu de vordering tot schadevergoeding wegens milieuverontreiniging is afgewezen, ontbreekt de grond voor toewijzing van deze kosten.
2.4
Het onderdeel slaagt.
De voorzieningenrechter te Roermond heeft de sequestratie toegestaan op het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag met sequestratie op een vrachtauto die langs de openbare weg te Deurne stond geparkeerd7.. In dit verzoek wordt vermeld dat [verweerder] een bedrag van € 50.000,- + P.M. van [eiser] heeft te vorderen ter zake van het veroorzaken door [eiser] van een ernstige bodemverontreiniging. Nu het hof de vordering tot het vergoeden van de schade als gevolg van de bodemverontreiniging heeft afgewezen, is de grondslag aan (het beslag op en) de sequestratie van de vrachtauto komen te ontvallen.
Overigens slaagt het onderdeel ook indien de sequestratiekosten de vorderingen onder 1-3 als grondslag zouden hebben en wel in verband met het slagen van onderdeel I.
2.5
Onderdeel III is gericht tegen de veroordeling van [eiser] in de proceskosten8..
Gelet op de gegrondheid van de onderdelen I en II slaagt ook dit onderdeel.
2.6
Nu alle onderdelen slagen, dienen de bestreden arresten te worden vernietigd met uitzondering van de beslissing op de vordering onder 4..
Uw Raad kan de zaak m.i. zelf afdoen door [verweerder] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van de vorderingen 1-3 in het vonnis van 9 juli 2008, de vordering tot vergoeding van de kosten van sequestratie af te wijzen en [verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding in drie instanties.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2010 en 5 april 2011 en tot afdoening als onder 2.6 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑10‑2012
Zie de tussenvonnissen van de rb. Den Bosch van 24 oktober 2007 en 9 juli 2008 en het eindvonnis van 10 december 2008. Zie voorts het tussenarrest van het hof Den Bosch van 5 oktober 2010 en het eindarrest van 5 april 2011.
Zie rov. 4.1.1-4.2 van het tussenarrest van het hof Den Bosch van 5 oktober 2010.
Zie de tussenvonnissen van de rb. Den Bosch van 24 oktober 2007 en 9 juli 2008 en het eindvonnis van 10 december 2008. Zie voorts het tussenarrest van het hof Den Bosch van 5 oktober 2010 en het eindarrest van 5 april 2011.
Uit de tekst van onderdeel I, eerste zin (p. 5) maak ik op dat ook tegen het oordeel van het hof in het tussenarrest wordt opgekomen.
De cassatiedagvaarding is op 5 juli 2011 uitgebracht.
Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 35 onder verwijzing naar HR 10 oktober 2003, LJN AI0309 (NJ 2003, 709).
Uit de tekst van onderdeel I, eerste zin (p. 5) maak ik op dat ook tegen het oordeel van het hof in het tussenarrest wordt opgekomen.
De cassatiedagvaarding is op 5 juli 2011 uitgebracht.
Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 35 onder verwijzing naar HR 10 oktober 2003, LJN AI0309 (NJ 2003, 709).
Zie Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 43; Hugentholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands burgerlijk procesrecht, 2009, nr. 146.
Zie het verzoekschrift conservatoir beslag roerende zaken met sequestratie, overgelegd als produktie D bij de inleidende dagvaarding, en het daaraan gehechte verlof van 13 maart 2007.
Zie ook st. [eiser] onder 23.
De cassatiedagvaarding is op 5 juli 2011 uitgebracht.
Uitspraak 19‑10‑2012
Inhoudsindicatie
Ten onrechte gelegd conservatoir beslag en sequestratie; vordering in hoofdzaak afgewezen; kostenveroordeling, art. 706 Rv. Overschrijding appeltermijn deelvonnis; niet-ontvankelijkheid in hoger beroep.
Partij(en)
19 oktober 2012
Eerste Kamer
11/03143
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
- a.
de vonnissen in de zaak 500372 van de kantonrechter te Helmond van 24 oktober 2007, 9 juli 2008 en 10 december 2008;
- b.
de arresten in de zaak HD 200.028.479 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2010 en 5 april 2011.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2010 en 5 april 2011 en tot afdoening als in de conclusie onder 2.6 vermeld.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- (i)
[Verweerder], eigenaar van een loods met buitenperceel, heeft begin 2007 gesprekken gevoerd met [eiser] over verhuur van de loods.
- (ii)
[Verweerder] heeft een huurovereenkomst opgesteld, gedateerd 26 februari 2007, waarin [eiser] is vermeld als huurder en waarin voorts is vermeld dat de loods wordt verhuurd per 1 maart 2007. De huurovereenkomst is niet ondertekend.
- (iii)
Bij brief van 8 maart 2007 heeft de gemeente Helden aan [verweerder] medegedeeld dat zij op 7 maart 2007 heeft geconstateerd dat een grote hoeveelheid diisobutylketon is geloosd, dat het terrein waarop de loods zich bevindt en de rioleringen ernstig zijn vervuild en dat bestuursdwang wordt toegepast.
- (iv)
[Verweerder] heeft, na daartoe op 13 maart 2007 verkregen verlof, ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd op een vrachtauto. De auto is ter gerechtelijke bewaring afgegeven aan een bergingsbedrijf.
3.2.1
De vordering van [verweerder] strekt tot: 1) ontbinding van de huurovereenkomst, 2) ontruiming van het gehuurde, 3) betaling van huurpenningen, 4) vergoeding van de schade die het gevolg is van door [eiser] veroorzaakte bodemverontreiniging, en 5) betaling van proceskosten, waaronder begrepen kosten van beslag en sequestratie. [Verweerder] heeft aan zijn vordering onder meer ten grondslag gelegd dat [eiser] in de periode van 1 tot 7 maart 2007 op het gehuurde milieubelastende stoffen heeft geloosd en dat hij, [verweerder], in verband daarmee door de gemeente is aangesproken.
De kantonrechter heeft [eiser] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de huurovereenkomst niet met hem, [eiser], is aangegaan, maar met de Duitse vennootschap Lyrasol.
Na getuigenverhoren heeft de kantonrechter bij vonnis van 9 juli 2008 de vordering onder 1, 2 en 3 afgewezen op de grond dat [eiser] is geslaagd in het door hem te leveren bewijs. Bij dat vonnis heeft de kantonrechter voorts [verweerder] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of hij wilde voortprocederen met betrekking tot de vordering onder 4.
Nadat [verweerder] had medegedeeld dat hij deze vordering wenste in te trekken, heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 10 december 2008 ook de vordering onder 4 afgewezen en [verweerder] veroordeeld in de kosten van het geding.
3.2.2
Het hof heeft in zijn tussenarrest geoordeeld dat [eiser] niet is geslaagd in het door hem te leveren bewijs. In zijn eindarrest heeft het hof, voor zover thans van belang, de huurovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld tot betaling van achterstallige huurpenningen alsmede tot betaling van een bedrag van € 25.532,05 ter zake van de kosten van sequestratie. [eiser] is voorts veroordeeld in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.
3.3.1
Onderdeel 1 klaagt dat het hof [verweerder] ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de vordering onder 1, 2 en 3 in het tussenvonnis van 9 juli 2008.
Het onderdeel is terecht voorgesteld.
Genoemd tussenvonnis is een deelvonnis waarin in het dictum een uitdrukkelijk einde is gemaakt aan een deel van het geding, te weten voor zover het de vordering onder 1, 2 en 3 betreft. In zoverre is het vonnis van 9 juli 2008 een eindvonnis. Van dat vonnis diende derhalve met betrekking tot de vordering onder 1, 2 en 3 binnen drie maanden hoger beroep te worden ingesteld. Deze termijn was op 5 maart 2009, de datum waarop het hoger beroep is ingesteld, ruimschoots verstreken.
3.3.2
Onderdeel 2 is gericht tegen de veroordeling van [eiser] in de kosten van beslag en sequestratie.
Ook deze klacht slaagt. [verweerder] heeft zijn verzoek tot het leggen van conservatoir beslag gebaseerd op zijn stelling dat hij van [eiser] € 50.000,-- te vorderen had in verband met door [eiser] veroorzaakte bodemverontreiniging. Nu het hof de vordering onder 4, die strekte tot vergoeding van de schade wegens bodemverontreiniging, heeft afgewezen, is de grondslag aan het beslag op en de sequestratie van de vrachtauto komen te ontvallen. Het hof heeft derhalve ten onrechte [eiser] veroordeeld in de kosten van beslag en sequestratie.
Onderdeel 3, dat is gericht tegen de veroordeling van [eiser] in de proceskosten, slaagt gelet op het voorgaande eveneens.
3.4
Het hiervoor overwogene brengt mee dat de bestreden arresten dienen te worden vernietigd, met uitzondering van de beslissing op de vordering onder 4.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2010 en 5 april 2011, behoudens voor zover in laatstgenoemd arrest de vordering ter zake van schade als gevolg van bodemverontreiniging is afgewezen;
en, opnieuw rechtdoende,
verklaart [verweerder] alsnog niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van de vordering onder 1, 2 en 3 in het vonnis van 9 juli 2008;
wijst af de vordering tot vergoeding van de kosten van beslag en sequestratie;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding
- -
in hoger beroep aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.578,-- in totaal;
- -
in cassatie tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 881,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 19 oktober 2012.