Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.3
7.3 Het redelijk belang-vereiste
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971986:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 215. Vgl. Voor een breder perspectief Kemp (diss.) 2015, p. 139 e.v.
Vgl. HR 30 juni 1944, NJ 1944/465 (Wennex), waarin de Hoge Raad het stemrecht van de aandeelhouder kwalificeerde als “een eigen recht [dat] is gegeven om zijn belang in de vennootschap te dienen”.
Zie par. 2.5.2 , 3.3.1 , 4.3.1 en 5.3.1 hiervoor.
Zie in dit verband ook par. 7.4.2.2 hierna.
Section 220(b) DGCL.
Voor de GmbH volgt dit reeds uit §51a(2) GmbHG en voor de AG wordt dit aangenomen op basis van leerstukken als de schending van een loyaliteitsplicht of misbruik van recht (zie ook Decher 2018, nrs. 434 en 441 e.v.).
Zie hierover ook Schmidt 2021, p. 1272: “Gesellschaftsfremd (…) sind solche Verwendungszwecke, die außerhalb ordnungsmäßigen mitgliedschaftlichen Verhaltens liegen.”
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 4 december 2018, ARO 2019/41 (Korsten Holding), r.o. 3.9: “Bij dit alles is van belang dat Floor Korsten aanspraak kan maken op de informatie die hem uit hoofde van zijn positie van certificaathouder en van bestuurder van STAK toekomt en dat hij buiten dat kader geen recht heeft op informatie waarbij hij als schuldeiser van Holding mogelijk belang heeft.”
Dit laat onverlet dat uit die hoedanigheid (andere) informatieplichten van de vennootschap jegens de betrokken partij kunnen bestaan. Zie hierover ook Jansen (diss.) 2012.
Dit past bij de gedachte dat een geheimhoudingsrecht de bestuursautonomie waarborgt, waarover ook par. 2.2.1 hiervoor. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM). Vgl. vanuit Amerikaans perspectief Se. Pa. Transp. Auth. v. Abbvie Inc., C.A. No. 10374-VCG (Del. Ch. 2015), waaruit volgt dat geen sprake is van een proper purpose in de zin van Section 220 DGCL indien met het informatieverzoek primair is beoogd “to satisfy a desire to oversee matters properly within the province of corporate management or the corporate board”. Rond de eeuwwisseling was dit van groot belang bij de regulering van inspection rights in de VS, aldus Geis 2019, p. 418 (“Managers could not run a business with investors constantly peering over their shoulders. The right to inspect had, in part, become a right to harm the firm – and, derivatively, to harm other shareholders –by grabbing corporate information for private advantage.”).
Zie in dit verband HR 21 februari 2003, NJ 2003/182 m.nt. J.M.M. Maeijer (HBG), waarin de Hoge Raad oordeelde dat – behoudens een wettelijke of statutaire grondslag – een dergelijk consultatierecht niet bestaat. Zie hierover ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 24. Vgl. echter Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.8, waarin een consultatierecht is aangenomen ter zake van ‘belangrijke besluiten’ op grond van artikel 2:8 BW in een besloten familievennootschap.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 3 May 2022, JOR 2023/2 m.nt. P.L. Hezer (Intercont), r.o. 4.15: “Het verzoek van [appellante] mocht Intercont bovendien zien in het licht van al jaren slepende conflicten binnen de familie [naam1]. De informatieverschaffing zou in dat licht in feite weinig meer zijn dan het waarschijnlijke opstapje voor een nieuwe procedure tussen de aandeelhouders, haar UBO’s of anderen binnen de familie [naam1]. Dat de vennootschap bij dergelijke procedures niet is gebaat, behoeft geen betoog. Die hebben immers een verlammende uitwerking op het functioneren van de vennootschap.”
Zie par. 5.3.2 hiervoor.
Zie ook mijn noot bij JOR 2023/2 (Intercont), par. 6, over strategische informatieverzoeken. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 20 april 2021, ARO 2021/93 (Lanius), r.o. 3.7, waarin de Ondernemingskamer begrip toont voor het gegeven dat de vrees dat informatie tegen de vennootschap wordt gebruikt zou leiden tot een meer terughoudende opstelling, maar tevens overweegt dat dit er niet toe mag leiden dat de aandeelhouder geheel verstoken blijft van informatie.
Vgl. vanuit Duits perspectief Lutter 1982, p. 4; en vanuit Amerikaans perspectief Goldman 1977, p. 1810-1811; Jeffries 2011, p. 1100-1101; en Geis 2019, p. 417.
Zie voor een Amerikaans voorbeeld State v. Gulf Sulphur Corp., 233 A.2d 457 (Del. 1967), die zag op een informatieverzoek ex § 220 DGCL waarin de aandeelhouder zijn proper purpose onderbouwde met de stelling dat hij de informatie nodig had om een voorgestelde fusie te kunnen beoordelen. Hoewel dit gestelde belang inderdaad een proper purpose zou hebben opgeleverd als vereist onder § 220 DGCL, stelde de Delaware Superior Court vast dat de aandeelhouder reeds over voldoende informatie over de fusie beschikte en dat hij in werkelijkheid uit was op informatie over de zwavelvoorraden van de fusiepartijen ten behoeve van zijn eigen bedrijfsvoering. Het informatieverzoek is tegen deze achtergrond afgewezen.
Dit ligt minder voor de hand in besloten verhoudingen en zal daardoor in Nederlandse vennootschappen niet snel aan de orde zijn. Vgl. voor een Amerikaans voorbeeld Simeone v. The Walt Disney Company, No. 2022-1120-LWW (Del. Ch. 2023), waarin een books and records request op grond van Section 220 DGCL werd afgewezen omdat daarmee niet het belang van de aandeelhouder, maar dat van een belangenorganisatie die de aandeelhouder gebruikte als stroman. In vergelijkbare zin Wilkinson v. A. Schulman, Inc., 2017 WL 5289553 (Del. Ch. 2017).
Vgl. in Amerikaanse context Pershing Square, L.P. v. Ceridian Corp., 923 A.2d 810, 817 (Del. Ch. 2007); en Sutherland v. Dardanelle Timber Co., 2006 WL 1451531, (Del. Ch. 2006), waarin is geoordeeld dat de vennootschap legitieme informatieverzoeken terecht had afgewezen omdat kon worden aangetoond dat het door de aandeelhouder gestelde (redelijke) belang bij zijn informatieverzoek niet het ware belang was dat werd nagestreefd.
Vgl. in Amerikaanse context Skouras v. Admirality Enterprises, Inc., 386 A.2d 674 (Del. Ch. 1978): “Once a proper purpose is established, it becomes irrelevant that the stockholder may have a secondary and perhaps questionable ulterior purpose behind his primary purpose.”
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM), r.o. 3.15; Hof Amsterdam (OK) 8 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1278 (Simetra), r.o. 3.10; en mijn annotatie onder JOR 2023/2 m.nt. P.L. Hezer (Intercont), par. 6. Zie uitgebreid par. 7.4.2.6 hierna.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 3 May 2022, JOR 2023/2 m.nt. P.L. Hezer (Intercont), r.o. 4.15. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 26 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:539 (Everizone), 3.11: “Everizone c.s heeft aangevoerd dat [B] aan [A] en [D] informatie heeft gevraagd, maar dat die informatie “niet los” kwam. Welke specifieke informatie [B] heeft gevraagd, waarom die van belang zou zijn en waarom [A] en [D] daarover wel zouden beschikken, maar die ten onrechte niet hebben gedeeld is niet duidelijk en dit wordt door Everizone c.s. ook verder niet toegelicht of geconcretiseerd. In de kern volstaat Everizone c.s. met de blote stelling dat ten onrechte informatie niet is verstrekt. Dat levert geen gegronde reden op voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken.”
Inspiratie kan worden ontleend aan het credible-basis requirement dat in Delaware is ontwikkeld voor gevallen waarin informatieverzoeken verband houden met vermeend wanbeleid (mismanagement). Kort samengevat, komt dit vereiste erop neer dat de verzoekende aandeelhouder ten minste feiten en omstandigheden dient aan te voeren die hun voldoende aannemelijk dat er mogelijk sprake is van wanbeleid en dat dit noopt tot verder onderzoek. Dit is een lage drempel, maar vereist wel feitelijk en logische onderbouwing. Louter speculatie en verdachtmakingen zullen dus niet voldoen. Zie hierover ook Geis 2019, p. 425-426 met verwijzingen aldaar.
Een voorvraag bij de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de informatierechten van aandeelhouders is welke aandeelhoudersbelangen daarbij dienen te worden meegewogen. Anders gezegd, kan ieder belang van een partij die aandelen houdt rechtvaardigen dat die partij toegang krijgt tot informatie van de vennootschap? Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Steeds dient sprake te zijn van een redelijk belang, oftewel een (vermogensrechtelijk of zeggenschaps)belang dat de aandeelhouder ontleent aan zijn hoedanigheid als aandeelhouder. Artikel 2:8 BW is immers slechts van toepassing op de aandeelhouder “als zodanig”, dus in hoedanigheid van aandeelhouder. Informatierechten volgen uit de lidmaatschapsverhouding tussen de aandeelhouder en de vennootschap1 en dienen, net als bijvoorbeeld zijn stemrecht,2 (slechts) het belang van de aandeelhouder in de vennootschap. Ook sluit dit aan bij de accessoire aard van informatierechten: informatie is geen doel op zich, maar dient om de aandeelhouder in staat te stellen zijn rol en positie binnen de vennootschap te vervullen.3 Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op andere kapitaalverschaffers dan aandeelhouders.4
Andere rechtsstelsels kennen vergelijkbare vereisten. Naar het recht van Delaware dient de aandeelhouder die een books and records request doet bijvoorbeeld aan te tonen dat zijn informatieverzoek een proper purpose dient, waaronder wordt verstaan “a purpose reasonably related to such person’s interest as a stockholder”.5 Een vergelijkbaar vereiste volgt uit het Duitse recht, waar bij de weigering van een informatieverzoek relevant is of dat verzoek wordt gedaan met het oog op een gesellschaftsfremde Zwecke:6 een ‘vennootschapsvreemd’ doel dat geen verband houdt met het aandeelhouderschap.7 Dergelijke criteria beschermen de vennootschap tegen oneigenlijke informatieverzoeken en verzoeken die te kwader trouw worden gedaan. Zij dragen bij aan een evenwichtige regulering van informatierechten door te legitimeren dat het geheimhoudingsrecht van de vennootschap wijkt voor het aandeelhoudersbelang.
De vraag of sprake is van een (on)redelijk belang zal met name spelen bij informatieverzoeken van aandeelhouders buiten vergadering. Zonder uitputtendheid te pretenderen, schets ik hieronder een aantal situaties waarin geen sprake zal zijn van een redelijk belang:
De aandeelhouder ontleent het belang bij zijn informatieverzoek aan een andere hoedanigheid waarin hij bij de vennootschap is betrokken, bijvoorbeeld die van crediteur,8 commerciële contractspartij of onderhandelingspartij.9
De aandeelhouder tracht zich via informatieverzoeken in te mengen in zaken die tot het exclusieve domein van het bestuur behoren,10 althans tracht een ‘oneigenlijk consultatierecht’ te forceren.11 Dergelijke verzoeken zijn in strijd met de bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap en doorkruisen de bestuursautonomie.
De aandeelhouder streeft met zijn informatieverzoek een louter persoonlijk belang na, dat geen verband houdt met zijn positie binnen de vennootschap. Te denken valt aan een situatie waarin de aandeelhouder tracht informatie te verkrijgen in verband met een persoonlijk conflict tegen een bij de vennootschap betrokken partij.12
Het informatieverzoek strekt tot een fishing expedition13 of is (anderszins) bedoeld om de vennootschap te belasten, te schaden of onder druk te zetten.14
Het informatieverzoek wordt slechts uit nieuwsgierigheid15 gedaan, althans heeft geen zakelijk motief.
Het risico bestaat dat een aandeelhouder een ogenschijnlijk redelijk belang bij informatie zal pretenderen terwijl hij zijn ware, onredelijke belang verhult.16 Denkbaar is ook dat de aandeelhouder als stroman wordt gebruikt door derden om informatie te verkrijgen over de vennootschap.17 Dergelijke vormen van misleiding zijn mijns inziens in strijd met de redelijkheid en billijkheid en kunnen rechtvaardigen dat het verzoek wordt afgewezen.18 Indien de vennootschapsleiding op een dergelijke grond het informatieverzoek afwijst, ligt het voor de hand die afwijzing behoorlijk toe te lichten.
Wat nu als een aandeelhouder een volstrekt redelijk belang heeft bij bepaalde informatie, maar daarnaast ook kwade bedoeling heeft? Ook in dergelijke gevallen zal het uitgangspunt zijn dat de betreffende informatie dient te worden verstrekt,19 al kan het handelen van de informatiegerechtigde nopen tot meer terughoudendheid om de belangen van de vennootschap te beschermen.20 De drempel daarvoor zal in het algemeen hoog liggen; de vennootschap kan onwelgevallig gedrag niet lichtvaardig aanhalen om een informatiegerechtigde een op zichzelf genomen legitieme aanspraak op informatie te ontzeggen.
Indien een aandeelhouder om informatie verzoekt, mag van hem worden verwacht dat hij in staat is (desgevraagd) zijn belang bij een informatieverzoek te onderbouwen.21 Hierbij moet rekening worden gehouden met de informatieachterstand van de aandeelhouder, waardoor niet steeds een uitputtende onderbouwing kan worden verlangd. Steeds dient te worden gekeken of de aandeelhouder zijn gestelde (redelijke) belang, in het licht van alle omstandigheden van het geval, voldoende concreet heeft onderbouwd.22 De vennootschap wordt op deze manier beschermd tegen lichtzinnige en/of schadelijke informatieverzoeken, zonder dat de aandeelhouder een onmogelijke bewijslast krijgt opgelegd.