Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.3.3
10.3.3 Aanbevelingen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491529:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het waarborgen van belastingclaims wordt in art. 14a Wet VPB 1969 niet bereikt met de vestigingsplaatseis, maar door eisen te stellen aan de wettelijke doorschuifregeling (art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969). Wanneer niet aan die eisen kan worden voldaan, is een fiscaal begeleide splitsing uitsluitend mogelijk op verzoek (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969). In dat geval zorgen de standaardvoorwaarden in het huidige systeem voor afwikkeling van belastingclaims die niet gewaarborgd kunnen worden. Zie hierover nader hoofdstuk 11. In de basis staat dit systeem los van de vestigingsplaats van de splitsingspartners. Ook op het niveau van de (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers heeft de vestigingsplaatseis geen claimhandhavingsfunctie. De belastingclaim wordt voor die betrokkenen zeker gesteld door de fiscale boekwaarde respectievelijk de verkrijgingsprijs door te schuiven. Zie art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 3, Wet IB 2001 respectievelijk art. 18, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 4.42, lid 2, Wet IB 2001. Zie hierover nader hoofdstuk 13.
Denk aan de keuze tussen een bedrijfsfusie en een moeder-dochterafsplitsing.
Deze alinea geldt mutatis mutandis voor de vestigingsplaatseis die is gekoppeld aan de juridische fusiefaciliteit.
Bij het aanleggen van de fiscaal-theoretische toets is geconcludeerd dat de geografische beperking die voortvloeit uit de vestigingsplaatseis een gemiste kans is. Daarom stel ik voor de vestigingsplaatseis te schrappen.1 Voor de volledigheid wijs ik erop dat deze eis geen claimhandhavingsfunctie heeft,2 terwijl de antimisbruikbepaling kan waken tegen oneigenlijk gebruik ongeacht de vestigingsplaats van de splitsingspartners. In dit verband wijs ik erop de bedrijfsfusieregeling van art. 14 Wet VPB 1969, die eveneens is gebaseerd op de Fusierichtlijn, geen vestigingsplaatseis kent.3 Mijn voorstel heeft daarom een bijkomend voordeel op het punt van neutraliteit. Stel dat een onderneming een herstructurering tot stand wil brengen, maar dat een daarbij betrokken lichaam buiten Nederland en de EU/EER is gevestigd. Onder het huidige recht bestaat de kans dat in zo’n geval wordt gekozen voor de bedrijfsfusiefaciliteit, omdat de herstructurering dan fiscaal kan worden gefaciliteerd (geen geografische beperking). Dit terwijl het zeer goed mogelijk is dat een splitsing – afgezien van de fiscaliteit – de voorkeur heeft.4
Dit voorstel zorgt voor meer coherentie tussen de diverse, op de Fusierichtlijn gebaseerde, reorganisatieregelingen. Dat draagt bij aan de innerlijke consistentie en systematische opbouw van de vennootschapsbelasting (onderlinge afstemming). In de tweede plaats creëert het voorstel duidelijkheid en dat draagt bij aan rechtszekerheid. De wettekst maakt dan immers in een oogopslag duidelijk dat géén vestigingsplaatseis geldt. De fiscaaltechnische toets wordt dus met succes gepasseerd. Tot slot conflicteert dit voorstel niet met het EU-recht aangezien grensoverschrijdende splitsingssituaties binnen de EU én daarbuiten op dezelfde wijze worden behandeld als zuiver nationale gevallen.
Mocht de wetgever niet bereid zijn de vestigingsplaatseis te laten vervallen, dan dienen de hiervóór geconstateerde strijdigheden met de verkeersvrijheden te worden weggenomen. Bovendien eist de fiscaaltechnische toets in dat geval dat in art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969, art. 3.56, lid 2 en art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001 duidelijk wordt gemaakt dat voor het begrip vennootschap in art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001 moet worden gelezen: entiteit. Volledigheidshalve roep ik in herinnering dat eerder in dit onderzoek al een andere aanpassing van art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969 is voorgesteld.5 Ook dat voorstel herleeft als de wetgever de vestigingsplaats handhaaft.6