Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/3.6.2
3.6.2 De beperkte reikwijdte van het getuigschrift
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687155:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
E.M. Meijers, De arbeidsovereenkomst, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1924, p. 163; J.G.F.M. Hoffmans, Losbladige arbeidsovereenkomst, artikel 7:656 BW, aant. 6. Anders: S.G. Canes, Critische systematische commentaar op de Wet op het Arbeidscontract, Groningen: P. Noordhoff 1908, p. 234. Zie voor een extreem voorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 2 oktober 1991, Prg. 1992/3603 (Ubachs c.s./Schils), over een vordering tot een getuigschrift acht jaar na de ontslagdatum.
W.C.L. van der Grinten, ‘De goede werkgever en de goede arbeider’, in: C.J.H. Jansen, S.C.J.J. Kortmann en G. van Solinge, Verspreide geschriften van W.C.L. van der Grinten, Deventer: Kluwer 2004, p. 623 en p. 626; P. ’t Hart, Het concurrentiebeding, concurrentie door de werknemer en de ex-werknemer, Deventer: Kluwer 1977, p. 170 en p. 175; R.A.C.M. Langemeijer, Pensioenovereenkomstenrecht, Den Haag: Bju 2008, p. 18.
A.E. Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst, eerste deel, ’s-Gravenhage: F.J. Belinfante 1907, p. 87 en p. 217.
A.E. Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst, eerste deel, ’s-Gravenhage: F.J. Belinfante 1907, p. 113; A.E. Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst, derde deel, ’s-Gravenhage: F.J. Belinfante 1908, p. 384.
Bijvoorbeeld: A.R. Houweling (red.), G.W. van der Voet, J.H. Even en E. van Vliet, Loonstra & Zondag.Arbeidsrechtelijke themata, Den Haag: Bju 2015, p. 110.
A.E. Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst, derde deel, ’s-Gravenhage: F.J. Belinfante 1908, p. 387 en p. 389.
Bijvoorbeeld: Ktr. Lelystad 19 november 1997, JAR 1998/23 (Mohamedhoesein/Kroone); Hof ’s-Gravenhage 15 april 2014, JAR 2014/141 (ex-werknemer/VO Haaglanden), waar het hof overweegt dat gunstige getuigschriften niet lichtvaardig mogen worden afgegeven wegens het gevaar van misleiding van derden. Een zekere objectivering van het functioneren is wel vereist, meent het hof, zo ook Rb. Limburg 9 maart 2015, RAR 2015/91 (ex-werknemer/ex-werkgever).
De werkgever is verplicht om bij het einde van de arbeidsovereenkomst een getuigschrift te geven, aldus artikel 7:656 BW. Algemeen is echter aanvaard dat deze verplichting niet alleen geldt ‘bij’ maar ook nog zekere tijd ‘na’ het einde van de arbeidsovereenkomst.1 Dat is reden voor sommige auteurs om deze verplichting te categoriseren als postcontractueel en ook ik zou het om deze reden als zodanig willen kwalificeren.2 De inhoud van het getuigschrift dient feitelijk van aard te zijn en alleen als de werknemer dat verzoekt, mag het getuigschrift vermelden hoe de werknemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, hoe de arbeidsovereenkomst is geëindigd en, indien de werkgever heeft opgezegd, wat daarvoor de reden was (artikel 7:656 lid 3 BW). Weigering van een getuigschrift, het nalaten aan het hiervoor genoemde verzoek van de werknemer te voldoen, het door opzet of schuld opnemen van onjuiste mededelingen, of het – kort gezegd – aanbrengen van geheime kenmerken resulteert in aansprakelijkheid van de werkgever (artikel 7:656 lid 5 BW). Vervalsing van een getuigschrift is strafbaar (artikel 230 Wetboek van Strafrecht).
De wettelijke regeling van het getuigschrift bestaat al even en beoogt te voorkomen dat een (ex-)werkgever weigert een getuigschrift af te geven, dan wel een getuigschrift afgeeft met een onjuiste inhoud.3 Een verbod op het aanbrengen van geheime tekens moet daarbij voorkomen dat werkgevers elkaar kunnen waarschuwen dat er in een getuigschrift niet staat wat er staat, waardoor de (ex-)werknemer moeilijk een nieuwe functie elders kan vinden.4 De regeling is dus hoofdzakelijk opgesteld ter bescherming van de (ex-)werknemer, maar ook de toekomstige werkgever wordt via artikel 7:656 lid 5 BW beschermd.5 Het doel van bescherming van de (ex-)werknemer ging bij de totstandkoming van de wettelijke regeling zelfs zo ver dat er over nagedacht werd of een verbod op het geven van een getuigschrift niet een betere bescherming van de (ex-)werknemer zou opleveren. Immers, als een (ex-)werknemer op verzoek kan laten opnemen op welke wijze hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan, kan een toekomstig werkgever de nodige conclusies trekken als dat niet in het getuigschrift staat. Een dergelijke verbod was voor de wetgever echter een brug te ver, aangezien de toekomstige werkgever dan volledig zou moeten vertrouwen op wat de sollicitant hem over zijn vorige dienstbetrekking zou vertellen.6 Een ex-werknemer kan trachten een positief getuigschrift af te dwingen, maar de (beperkte) rechtspraak hierover is terughoudend.7