Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS489862:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Het woord medezeggenschap komt in de hele wet op de ondernemingsraden welgeteld slechts één maal voor, en wel bij de aanduiding van Hoofdstuk VA: ‘De medezeggenschap in kleine ondernemingen’. Met betrekking tot de ook in artikel 19 lid 2 genoemde rechtspositie en arbeidsbescherming overweegt de wetgever dat dáár wel een zekere horizontale werking van uitgaat, zodanig dat door de wetgever moet worden uitgewerkt dat er dienaangaande garanties worden gegeven in de verhoudingen tussen de burgers onderling (Kamerstukken I 1976-1977, 13 873, nr. 55b, p. 13). Kennelijk acht de wetgever bescherming van rechtspositie en arbeidsbescherming van een andere orde dan uitoefening van medezeggenschap. Daar valt in die zin wel iets voor te zeggen dat bepalingen inzake rechtspositie en arbeidsbescherming veel meer dan die inzake medezeggenschap (dat immers ook elementen van een zekere zelfontplooiing in zich heeft) de persoon van de werknemer beogen te beschermen, zoals ook klassieke grondrechten dat beogen.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 1.
Kamerstukken II, 884, nr. 5, p. 11.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 1.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 873, nr. 7, p. 15.
Van den Bergh 1924, p. 1. Dat medezeggenschap direct werd gelieerd met en beperkt bleef tot medezeggenschap van arbeiders, en bijvoorbeeld niet met die van patiënten in een gezondheidsinstelling, met die van ouders en leerlingen in het onderwijs, enz., moet men zien in het licht van het feit dat medezeggenschap in algemene zin nog in de kinderschoenen stond en nog een hele weg te gaan had om op diverse maatschappelijke terreinen ingang te doen vinden.
In de zin van ‘Wie heeft het hier voor het zeggen?’ en ‘Hij heeft daar niets over te zeggen!’.
In de zin van ‘Wat zal hij ervan zeggen?’ en van ‘Ik zou zeggen van niet’.
Sprekend over medebeslissingsrecht van iemand die is onderworpen aan het gezag van een ander, maakt Van den Bergh onderscheid tussen medezeggenschap ten aanzien van de voorwaarden van onderwerping aan dat gezag en medezeggenschap ten aanzien van dat gezag zelf. Van den Bergh licht het onderscheid toe aan de hand van iemand die bereid is een ander bij te staan bij het onder diens leiding bereiken van een bepaald doel, bijvoorbeeld het uitvoeren van een werk. Bij medezeggenschap ten aanzien van de voorwaarden van onderwerping, is de helper niet geïnteresseerd in de wijze waarop het werk wordt uitgevoerd; hij onderhandelt (hij oefent medezeggenschap uit) slechts over de voorwaarden waaronder hij zal helpen. Van den Bergh spreekt in dit verband aan arbeidsvoorwaarden. Bij medezeggenschap ten aanzien van het gezag zelf, verbindt de helper aan zijn bereidheid te helpen (tevens) de voorwaarde dat hij zeggenschap ten aanzien van de uitvoering van de opdracht zelf heeft, ten aanzien van de leiding derhalve.
Cobbenhagen 1927, p. 65.
Houwing 1950, p. 8. Sprekend over het recht mede te beslissen, maakt Houwing een onderscheid tussen een recht om mede te beslissen dat inhoudt dat niet zonder toestemming van de medezeggenschapsgerechtigde kan worden beslist, en dat waarin bij meerderheid wordt beslist en de medezeggenschapsgerechtigde het recht heeft mee te stemmen.
Haardt 1950, p. 57. De verschillende vormen van medezeggenschap zijn volgens Haardt nauw met elkaar verweven. Zo ziet hij het recht mede te beslissen als een uiterste vorm van het recht mede te spreken.
Van Haren 1961, p. 39.
Slagter 1978, p. 25.
Loonstra/Zondag 2008, p. 633.
Rood 1979, p. 4.
Zie ook Jacobs 2005, p. 265.
Van den Bos 1964, p. 27.
Wachter 1980, p. 8. 24 Roest 1996, p. 25-26.
Roest 1996, p. 25-26.
Zie ook Geers 1988, p. 12.
Met de woorden mede in medeweten wordt dan tot uitdrukking gebracht dat de ondernemer de eerst aangewezene is om de informatie te verschaffen die tot het weten moet leiden.
SER-advies 1969/14, p. 11.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 22.
SER-advies 1976/20, p. 5.
Art. 2 onder i van de Richtlijnen 2001/86/EG en 2003/72/EG met betrekking tot de rol van werknemers in de Europese vennootschap (SE) resp. de Europese coöperatieve vennootschap (SCE), en art. 2 lid 1 en onder f van Richtlijn 2009/38/EG, houdende herschikking van richtlijn 94/45/ EG, inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.
Steyger 1990, p. 15 en 134.
Zo zal de verplichting de beloning openbaar te maken een rol spelen, al is dat soms achteraf, bij besluiten tot eventuele toekenning van bonussen. Een goed voorbeeld vind ik de verplichting de beloning van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen openbaar te maken. Toen in maart 2011 de nodige beroering ontstond over bonussen voor de ING-top, zag deze alsnog van die bonussen af, aangezien de ophef daarover schade dreigde te berokkenen aan het herstellende veertrouwen van cliënten en de samenleving in het bedrijf (zie ingezonden brief bestuursvoorzitter Hommen in de Volkskrant van 22 maart 2011).
Van der Heijden 1984, p. 85.
Wachter 1980, p. 8.
Roest 1996, p. 4. Het onderzoeksterrein van Roest is beperkt tot (commerciële) rechtspersonen. Dit verklaart wellicht dat zij medezeggenschap duidt in termen van beïnvloeding van beslissingen van de rechtspersoon.
Sprengers 1998, p. 144.
Geers 1988, p. 12.
Van der Heijden 1992, p. 1.
Jacobs 2005, p. 265.
Verburg 2007a, p. 24.
Onvoldoende om van medezeggenschap te kunnen spreken is dat (het bestuur van) de ondernemer zich bij zijn handelen rekenschap geeft van de belangen van de gezamenlijke werknemers, zich misschien zelfs tot op zekere hoogte daardoor laat beïnvloeden. Het bestuur c.q. die ondernemer zou zich bij zijn handelen óók zullen laten leiden door (onuitgesproken) verwachtingen en verlangens van de huisbank. Toch oefent de bank daarmee geen medezeggenschap uit op het beleid van de ondernemer.
Als de gezamenlijke werknemers niet of niet naar behoren in staat zijn geweest medezeggenschap uit te oefenen, kan de rechter beslissen dat zij die gelegenheid alsnog moeten krijgen. Het feit dat dergelijke rechtsvorderingen de gang van zaken in de onderneming mogelijk beïnvloeden, maakt nog niet dat die vorderingen zelf een vorm van medezeggenschap zijn. Ze strekken er toe (alsnog) medezeggenschap uit te kunnen oefenen, en dat kan pas wanneer de, wat ik zou willen noemen, ‘nulsituatie’ is hersteld. Rechterlijke toetsing van besluiten zou pas uitoefening van medezeggenschap zijn, indien de rechter, naast de toetsing van wat zich heeft voorgedaan, de bevoegdheid zou hebben zelf te voorzien in besluiten. Ook in een enquêteprocedure velt de rechter slechts een oordeel over reeds gevoerd beleid, achteraf dus. Dat hij de gang van zaken binnen de onderneming hiermee kan beïnvloeden, bijvoorbeeld door voorzieningen te treffen, maakt nog niet dat sprake is van medezeggenschap. De voorzieningen strekken er toe de gezonde verhoudingen in de vennootschap te herstellen, om daarmee beleid mogelijk te maken dat de toets der kritiek kan doorstaan (HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Ma. (Ogem)). Anders: Rood 1979, p. 16.
SER-advies 03/12, p. 55 t/m 62.
Noch de Grondwet noch de Wet op de ondernemingsraden bepaalt wat onder medezeggenschap verstaan moet worden.1 De wetgever heeft er bij verschillende gelegenheden van afgezien in de wet een definitie op te nemen, onder meer omdat het woord medezeggenschap nog niets zegt over de mate waarin de zeggenschap tussen partijen is verdeeld.2 In de Memorie van Antwoord bij de invoering van de eerste Wet op de ondernemingsraden in 1950 valt slechts te lezen: ‘Langzamerhand wordt erkend, dat de arbeider het recht heeft om zijn stem te laten horen en gehoord te worden over de verschillende aangelegenheden, welke de onderneming betreffen, waarin hij werkzaam is.’.3 De Memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 1969 spreekt van ‘het recht … in iets mee te mogen spreken’.4 In het kader van de grondwetswijziging in 1983, spreekt de wetgever van meeweten, meespreken en meebeslissen, zelfs van beslissen.5 Kijken we elders, dan schrijft Van den Bergh in 1924 dat het begrip medezeggenschap nog geen tien jaar voordien een vaag begrip was, terwijl inmiddels, zo vervolgt hij, het woord medezeggenschap duidde op een concreet vraagstuk, nl dat van ‘medezeggenschap der arbeiders bij de voortbrenging’.6 Omdat taalkundig medezeggenschap niet anders betekent dan de bevoegdheid om mede te ‘zeggen’, dient volgens Van den Bergh, gegeven de dubbele betekenis van het woord zeggen (nl ‘beslissen’7 en ‘een mening kenbaar maken’8), onder medezeggenschap enerzijds te worden verstaan ‘medebeslissingsrecht’9 , anderzijds ‘het recht gekend te worden’. Ook Cobbenhagen spreekt in 1927 over medeweten en medebeslissen.10 Houwing11 en Haardt12 hebben het in 1950 over een recht mede te beslissen, een recht mede te spreken en een recht mede te weten. Van Haren maakt een onderscheid tussen de medezeggenschap in enge zin, waaronder hij medeweten en medespreken verstaat, en de medezeggenschap in ruime zin, waaronder ook medebeslissen begrepen is.13 Rood, verwijzend naar Slagter,14 en Loonstra & Zondag,15 verstaan onder medezeggenschap: meeweten, meespreken en meebeslissen.16
Wat mij in de definiëring van medezeggenschap als medespreken en medebeslissen niet aanspreekt, is dat daarmee niet zozeer omschreven wordt wat medezeggenschap is, maar veeleer op welke wijze aan medezeggenschap invulling wordt gegeven: door mede te weten, door mede te spreken, en/of door mede te beslissen.17 Daar bij ben ik het met onder meer Van den Bos,18 Wachter19 en Roest20 eens dat medeweten niet een wijze van medezeggenschapsuitoefening is, maar veeleer een voorwaarde21 om medezeggenschap uit te kunnen oefenen, een instrument dat de werknemers in staat moet stellen om daadwerkelijk invulling te geven aan het recht mede te spreken, mede te oordelen en mede te beslissen.22 De betekenis van de verplichting informatie te verstrekken blijkt uit art. 1 lid 5 en onder a van de Wet van 1950: het hoofd of de bestuurder van de onderneming is verplicht de ondernemingsraad alle inlichtingen te verstrekken welke de raad nodig had voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. Dit herkennen we in een SER-advies uit 1969, dat het recht op informatie betitelt als hulpinstrument.23 In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in 1970 lezen we dat in iets andere bewoordingen: ‘In wezen gaat het erom, dat de ondernemingsraad een orgaan is voor overleg met en vertegenwoordiging van de werknemers … . Informatie en communicatie zijn voorwaarden voor dit overleg.’.24 In vergelijkbare zin spreekt de SER zich in 1976 uit: ‘De artikelen in de W.O.R. welke de informatieverstrekking aan de ondernemingsraad betreffen, … zijn opgenomen in het Hoofdstuk IV van de wet, dat handelt over de bevoegdheden van de ondernemingsraden. Hiermee heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat de bedoelde artikelen hulpbepalingen bevatten, welke tot strekking hebben de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen zijn bevoegdheden en taken naar behoren uit te oefenen.’.25 Ik refereer ook aan de Memorie van toelichting bij het initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden Harrewijn en Rosenmöller tot openbaarmaking van topinkomens: ‘Wil een ondernemingsraad zijn taken adequaat uit kunnen oefenen, dan zal hij goed geïnformeerd moeten zijn over een aantal belangrijke beleidsterreinen in de onderneming. Op dit moment is er in voorzien dat de ondernemer bijvoorbeeld inzicht geeft in de resultaatrekening, investeringsplannen en in -en uitstroom gegevens van het personeel.’26 Tenslotte is ook in de artt. 1:26 lid 1 en 2:28 lid 1 WRW en in art. 1 lid 1 en onder g WEOR en de daaraan ten gronde liggende Europese Richtlijnen27 sprake van informatieverstrekking op een zodanige wijze en met een zodanige inhoud dat de werknemersvertegenwoordigers het mogelijke effect grondig kunnen beoordelen en, in voorkomend geval, raadplegingen met het bevoegde orgaan kunnen voorbereiden. Steyger28 neemt een bijzondere positie in. Hij ziet informatieverstrekking niet alleen als een voorwaarde voor uitoefening van andere medezeggenschapsrechten, maar beschouwt reeds de verplichting de ondernemingsraad informatie te verstrekken als een zelfstandig medezeggenschapsinstrument. Een dergelijke verplichting zal naar zijn mening namelijk (kunnen) leiden tot een grotere zorgvuldigheid bij het afwegen in de besluitvorming. Zover zou ik niet willen gaan. Ik kan mij voorstellen dat de ondernemingsleiding zich mede zal laten leiden door het effect dat zij verwacht van verstrekking van bepaalde informatie.29 Medezeggenschap veronderstelt in essentie echter actieve beïnvloeding door de gerechtigde. Het medezeggenschapsrecht heeft wél betrekking op medeweten. De definitie die Van der Heijden van het medezeggenschapsrecht spreekt mij dan ook aan: ‘Het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op het medeweten, meespreken, adviseren en meebeslissen van werknemers en ambtenaren over het bestuur en het beleid van en in de arbeidsorganisatie waar zij werkzaam zijn’.30
Sommige schrijvers verbinden medezeggenschap niet alleen met de onderneming, maar zij betrekken daarbij ook de rechtspersoon die de onderneming in stand houdt. Zo heeft volgens Wachter medezeggenschap van doen met vertegenwoordiging van werknemers ‘… in organen, die het beleid – of bepaalde onderdelen daarvan – binnen de vennootschap vaststellen, en/of aan wie het bestuur van de onderneming zich tegenover de werknemers dient te verantwoorden’.31 Wachter ziet het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde en te voeren beleid als een vorm van medezeggenschap, omdat daardoor de vrijheid en de macht dit naar eigen inzicht uit te stippelen wordt beperkt. Dat is op zich niet zo’n vreemde gedachte. Of sprake is van daadwerkelijke medezeggenschap zal echter in belangrijke mate afhangen van de middelen die het orgaan waaraan verantwoording afgelegd moet worden ter beschikking staan om beleid (bij) te sturen en/of achteraf te corrigeren. Verwijzend naar Wachter, gebruikt Roest de volgende, door haar als iets minder beperkt aangeduide, omschrijving van medezeggenschap: ‘Van medezeggenschap van werknemers of hun vertegenwoordigers is sprake, wanneer zij op grond van in wet- of regelgeving dan wel toegezegde of overeengekomen rechten over de bevoegdheid beschikken om beslissingen van de rechtspersoon te beïnvloeden.’.32 Sprengers abstraheert medezeggenschap van de persoon van de ondernemer. Hij verstaat onder medezeggenschap ‘de verschillende wijzen waarop werknemers invloed uitoefenen op (beleids)beslissingen die genomen worden in de arbeidsorganisatie waar zij werkzaam zijn.’.33 Geers spreekt van beïnvloeding van ‘de gang van zaken in de onderneming’,34 Van der Heijden van ‘invloed op beleidsbeslissingen die genomen worden in de onderneming of instelling waar zij werkzaam zijn.’.35 Jacobs lijkt een middenweg te kiezen waar hij zowel de onderneming als de ondernemer betrekt bij medezeggenschap.36 Daaronder verstaat hij namelijk ‘de invloed die werknemers via hun vertegenwoordigers kunnen uitoefenen op de besluiten en de samenstelling van de leiding van een arbeidsorganisatie.’ Ook Verburg brengt de onderneming en de (rechts)persoon die haar in stand houdt, samen: ‘Medezeggenschap betreft het geheel van regels dat ziet op (i) de betrokkenheid van de werknemers bij de sturing van de onderneming en bij de beslissingen die hen aangaan, alsmede (ii) de invloed van werknemers op de samenstelling van het toezichthoudend of bestuursorgaan van de onderneming.’37
Elk van de opgesomde beschrijvingen bevat elementen die kenmerkend zijn voor medezeggenschap. Ik wil er vier noemen die tezamen vorm geven aan dat begrip:
medezeggenschap veronderstelt actief handelen van werknemers: medezeggenschap wordt uitgeoefend;38
medezeggenschap betreft beïnvloeding van beleid en besluiten binnen de onderneming waar de werknemers werkzaam zijn, en niet de invloed van werknemers op de (veelal feitelijke) uitoefening van werkzaamheden;
medezeggenschap is beperkt tot beïnvloeding door de gezamenlijke werknemers;
medezeggenschap gaat in tijd gezien vooraf aan uitoefening van zeggenschap.39
Beïnvloeding van de gang van zaken door middel van aandeelhouderschap van werknemers kwalificeer ik niet als medezeggenschap, maar als zeggenschap. Dat brengt mij tot de volgende definitie van medezeggenschap: beïnvloeding door de gezamenlijke werknemers, vooraf en in georganiseerd verband, van de gang van zaken binnen de onderneming door middel van betrokkenheid bij beleids- en besluitvorming. Onder meer omdat ik de doelstelling daar niet bij betrek, is deze omschrijving iets beperkter dan die van de werknemersleden en de kroonleden in het SER-advies van 19 december 2003. Volgens hen ziet medezeggenschap ‘op de mogelijkheid voor werknemers om in collectief verband uitdrukking te geven aan verantwoordelijkheidszin voor de gang van zaken in de onderneming, invloed uit te oefenen op de besluitvorming van de ondernemer ten aanzien van de aangelegenheden die hun positie raken, en zelf op te komen voor de bescherming en de bevordering van hun belangen.’.40