De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.6.5:2.6.5 Uitbreiding spreekrechten?
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.6.5
2.6.5 Uitbreiding spreekrechten?
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS390877:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2009-2010, 31877, nr. 5, p. 12.
Kamerstukken II, 2009-2010, 31877, nr. 5, p. 3.
P.A.M. Witteveen, P.T. Sick en L.C.J. Sprengers, ‘Positie van werknemers versus andere stakeholders’, in: L.C.J. Sprengers, G.W. van der Voet, De toekomst van medezeggenschap. Aanbevelingen aan de wetgever. Deventer: Kluwer 2009, p. 56.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf constateerde ik dat het spreekrecht goed aansluit bij de wijze waarop de (vennootschapsrechtelijke) besluitvorming is vormgegeven. De bevoegdheden van de or richten zich op het orgaan dat daadwerkelijk het besluit neemt, waardoor het beter in het systeem van Boek 2 BW past dan bijvoorbeeld het adviesrecht van de or op grond van de Intergas-leer. Het spreekrecht doet recht aan het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’. De reikwijdte van het spreekrecht is echter zeer beperkt. Het richt zich alleen op NV’s en op een klein aantal besluiten. Een ander nadeel van de spreekrechten is dat er geen sancties aan zijn verbonden, waardoor ze symbolisch van aard zijn.
Naar mijn mening ligt het meer voor de hand de medezeggenschap van de or ten aanzien van vennootschapsrechtelijke besluitvorming in Boek 2 BW te regelen, dan gebruik te maken van ‘kunstgrepen’ om deze (voorgenomen) besluiten onder de reikwijdte van de WOR te brengen. De spreekrechten zijn een goed instrument om de rol van de or ten aanzien van de vennootschapsrechtelijke besluitvorming te regelen, mits deze worden uitgebreid en versterkt. Bij uitbreiding denk ik aan uitbreiding naar de BV en naar een aantal andere besluiten, zoals statutenwijziging, omzetting, ontbinding, vaststelling van de jaarrekening en winstbestemming. Tijdens de parlementaire behandeling is dit punt ook aan de orde gesteld door de fractie van de PvdA ten aanzien van de vaststelling van de jaarrekening. De ministers wezen het voorstel een spreekrecht in te voeren ten aanzien van het vaststellen van de jaarrekening af, nu de besluitvorming rondom de jaarrekening van andere aard is dan de bevoegdheden waarop de spreekrechten zien. Het gaat om het afleggen van verantwoording door het bestuur en de RVC en de or heeft al op basis van art. 31a WOR een informatierecht ten aanzien van de vaststelling van de jaarrekening.1 Dit argument overtuigt niet, nu – zoals hierboven reeds opgemerkt – bij de wel gekozen spreekrechten ook sprake is van overlap met andere bevoegdheden uit de WOR en Boek 2 BW. Ik zie overigens niet in waarom de aard van de besluitvorming tot het vaststellen van de jaarrekening zich verzet tegen een spreekrecht. Het lijkt me – juist in het kader van verantwoording – zeer nuttig dat het orgaan dat de jaarrekening vaststelt het standpunt van de or over de financiële verantwoording te horen krijgt. Het kan een belangrijke aanvulling vormen op art. 31a WOR dat alleen voorziet in een informatierecht en de or niet in de gelegenheid stelt zijn standpunt kenbaar te maken en op de jaarrekeningprocedure die vooral gebruikt wordt in het geval dat de jaarrekening niet op juiste wijze is ontstaan. Ook eventuele afwijkingen van de Corporate Governance Code kunnen op deze wijze bij beursgenoteerde ondernemingen onderwerp van gesprek tussen or en AV(A) worden. Op deze wijze wordt de or een volledige gesprekspartner van de AV(A). Tijdens de parlementaire geschiedenis is ook gevraagd om uitbreiding van de spreekrechten naar de BV. Dit is alleen gevraagd ten aanzien van het bezoldigingsbeleid, zodat het antwoord van de ministers zich ook daartoe beperkt. De ministers stellen dat er bij de BV geen verplichting is een bezoldigingsbeleid op te stellen. Bij een BV is in het algemeen geen sprake van een verspreid aandeelbezit en in veel gevallen wordt de bezoldiging van de bestuurder(s) bepaald door de enige aandeelhouder. Indien de or behoefte heeft de bezoldiging aan de orde te stellen, kan de or dit via de WOR doen.2 Het verspreide aandelenbezit lijkt ook in het algemeen de reden te zijn dat het spreekrecht beperkt wordt tot NV’s. Later overweegt de minister: “in veel naamloze vennootschappen is sprake van een verspreid aandelenbezit, met als gevolg dat aandeelhouders op een grotere afstand staan van het bestuur van de vennootschap en de gang van zaken in de vennootschap. Van dat verspreide aandelenbezit kan zowel sprake zijn bij beursvennootschappen als in niet-beursvennootschappen. Om deze reden is er bij de bepalingen ten aanzien van de besluiten waarop het wetsvoorstel ziet geen onderscheid gemaakt tussen naamloze vennootschappen die al dan niet beursgenoteerd zijn.”3
Een uitbreiding van het spreekrecht heeft mijns inziens alleen zin indien deze bevoegdheid verder wordt aangekleed en meer tanden krijgt. De werkgroep medezeggenschap van de Vereniging van Arbeidsrecht heeft hiertoe eerder een voorstel gedaan. De door de werkgroep voorgestelde regeling houdt het volgende in: (i) de or wordt tijdig in kennis gesteld van het voorgenomen besluit, (ii) er vindt mogelijk overleg plaats tussen het voorstellende orgaan en de or, (iii) de or maakt zijn standpunt kenbaar en (iv) het voorstellende orgaan is verplicht gemotiveerd aan te geven op welke wijze het wel of geen rekening heeft gehouden met het standpunt van de or.4 Ik vind dit een goed voorstel. Een motiveringsverplichting, zonder beroepsmogelijkheid, vormt een goede balans tussen de belangen van de aandeelhouders om onbegrensd hun stemrecht uit te oefenen en het belang van de or daadwerkelijk invloed uit te oefenen op de besluitvorming. Naast de motiveringsverplichting moet mijns inziens de sanctie van vernietigbaarheid (art. 2:15 lid 1 sub a BW) rusten op schending van de spreekrechten, zoals ook het geval is bij het spreekrecht op grond van art. 2:161a/ 271a BW.