Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.3.3
3.3.3 Toewijzing van het verzoek tot het instellen van een onderzoek
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460788:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486, r.o. 3.6.2 (Scheipar, m.nt. Maeijer). In soortgelijke zin A-G Wesseling-van Gent in de conclusie (overweging 2.47) bij de onderhavige beschikking.
HR 8 april 2005, JOR 2005, 119, r.o. 3.11 (Laurus, m.nt. Brink). Zie hierover in kritische zin Brink in zijn noot (onder 3).
HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486, r.o. 3.8 (Scheipar, m.nt. Maeijer). Onjuist is derhalve de beslissing in OK 6 februari 2003, ARO 2003, 34, r.o. 3.10 en dictum (SHGP Tussenholding) tot toewijzing van het verzoek tot het instellen van een onderzoek en tot machtiging van de onderzoeker ex art. 2: 351 lid 2 BW.
HR 20 november 1996, NJ 1997, 188 (Louder Holdings, m.nt. Maeijer). Vergelijk Verbunt 2008, p. 154 e.v.
In soortgelijke zin HR 30 maart 2007, JOR 2007, 138, r.o. 4.4 (ATR Leasing, m.nt. Josephus Jitta). Vergelijk ook HR 26 juni 1996, NJ 1996, 730, r.o. 3.4 (Transom Management/Intercapital Venture Management): ‘De Ondernemingskamer wijst, gezien het bepaalde in art. 2: 350 lid 1 BW, een verzoek tot enquête slechts toe wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Aan de Ondernemingskamer, aan wie de afweging van de bij de zaak betrokken belangen is voorbehouden, moet daarbij een ruime beoordelingsmarge worden gelaten. Een geconstateerde overtreding van het bepaalde in art. 2: 248 lid 2 BW heeft dan ook geenszins, anders dan het middel betoogt, het directe gevolg dat een verzoek tot het houden van een enquête moet worden toegewezen.’
HR 18 november 2005, JOR 2005, 295, r.o. 4.4.2 (Unilever, m.nt. Brink).
OK 24 november 1994, r.o. 3.3.3 (Louder Holdings), te kennen uit NJ 1997, 188. De HR (HR 20 november 1996, NJ 1997, 188 (Louder Holdings, m.nt. Maeijer)) is ook thans van oordeel dat het oordeel van de OK geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: ‘Met name behoefde de Ondernemingskamer niet van betekenis te achten dat [W] door middel van de enquête bewijsmateriaal wilde verkrijgen voor de aanhangige procedures. De oordelen, in onderlinge samenhang bezien, zijn ook niet onbegrijpelijk.’ (r.o. 3.3.3)
65. ATR Leasing; Scheipar; Laurus . In tekstnummer 60 is reeds melding gemaakt van de beslissing van de Hoge Raad inzake ATR Leasing dat de Ondernemingskamer bij het bepalen van de aard en omvang van het onderzoek, daaronder begrepen de periode waarover dit onderzoek zich zal uitstrekken, een grote mate van vrijheid toekomt en dat zij niet hoeft te beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. Ons hoogste rechtscollege refereert hierbij aan zijn beschikking inzake Scheipar , waarin hij bovendien heeft overwogen dat op dit punt geen hoge motiveringseisen worden gesteld.1 De Ondernemingskamer heeft voorts de vrijheid ambtshalve te beslissen dat het onderzoek wordt heropend indien dit niet volledig is geweest, aldus de Hoge Raad in de beschikking inzake Laurus2 : ‘Het alternatief dat in zoverre opnieuw op de voet van art. 2: 345 BW om een onderzoek zou moeten worden gevraagd, welk verzoek vervolgens opnieuw moet worden beoordeeld, onder voeging van die zaak met de reeds aanhangige, is nodeloos omslachtig en tijdrovend. Een redelijke, op de praktijk gerichte, wetstoepassing brengt mee dat de ondernemingskamer, indien deze in de tweede procedure bevindt dat het onderzoek niet volledig is geweest, bevoegd is, ook ambtshalve, bij tussenbeschikking te gelasten dat het onderzoek wordt heropend.’ De bevoegdheden van de Ondernemingskamer strekken echter niet zover, dat zij de onderzoekers ambtshalve mag machtigen boeken, enzovoort (zie art. 2: 351 lid 2 BW) van met de vennootschap nauw verbonden rechtspersonen te raadplegen.3
66. Louder Holdings; Unilever . De Ondernemingskamer komt eveneens een grote mate van vrijheid toe bij de beantwoording van de vraag óf een onderzoek zal worden gelast, aldus de Hoge Raad in zijn beschikking inzake Louder Holdings.4 In cassatie is gesteld dat de Ondernemingskamer in beginsel steeds een onderzoek moet gelasten bij gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Ons hoogste rechtscollege overweegt dat deze stelling blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 2: 345 lid 1 en art. 2: 350 lid 1 BW: ‘De aan de Ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire, dat wil zeggen dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden, met dien verstande dat voor toewijzing van een verzoek ingevolge art. 2: 350 lid 1 BW slechts plaats is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De Ondernemingskamer kan de bevoegdheid om al dan niet een enquête te bevelen uiteraard slechts uitoefenen ten aanzien van het concrete aan haar voorgelegde verzoek. Dit brengt mee dat een door haar gemaakte belangenafweging moet steunen op feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen in het haar voorgelegde geval. Het discretionaire karakter van de aan de Ondernemingskamer toegekende bevoegdheid brengt, anders dan de onderdelen betogen, mee dat het betrekken van de met de aangevoerde redenen aan de orde gestelde belangen van de verzoeker(s) in de belangenafweging onverlet laat dat de Ondernemingskamer aan andere belangen zwaarder gewicht hecht.’ (rechtsoverwegingen 3.3.1 en 3.3.2).5 De Hoge Raad herhaalt deze overwegingen in zijn beschikking inzake Unilever. Hij voegt hieraan toe dat de Ondernemingskamer bij deze belangenafweging naast de in OGEM Holding omschreven doeleinden van het enquêterecht mede de in rechtsoverweging 4.4.1 bedoelde bezwaren (zie hieronder) moet betrekken en de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil in aanmerking moet nemen: ‘Er bestaat evenwel geen grond van de ondernemingskamer te vergen dat zij telkens in de motivering van haar beslissing tot uitdrukking brengt dat zij de bedoelde bezwaren in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is van belang dat de afweging van de bij die bezwaren betrokken meer algemene belangen tegen de in het concrete geval bestaande belangen zich veelal niet voor een gedetailleerde motivering leent.’6
De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 4.4.1 de door Unilever genoemde bezwaren tegen het instellen van een onderzoek onder elkaar geplaatst. Unilever stelt dat het instellen van een onderzoek reputatieschade voor de vennootschap kan meebrengen en de beurskoers negatief kan beïnvloeden en dat het gevaar bestaat dat verzoekers in feite slechts hun eigen vermogensrechtelijke belangen beogen te dienen in plaats van het belang van de vennootschap. Hier komt bij dat het onderzoek, afhankelijk van het onderwerp en de afbakening ervan, diep kan ingrijpen in het functioneren van de vennootschap en dat het hier gaat om een slechts in één feitelijke instantie gevoerde procedure, waarvan de uitkomst niet alleen kan leiden tot de tweede enquêteprocedure maar ook een, zij het beperkte, betekenis in bewijsrechtelijk opzicht kan hebben in andere procedures. De Hoge Raad constateert in rechtsoverweging 5.5.2 echter dat de Ondernemingskamer in haar beschikking oog heeft gehad voor het belang van Unilever dat geen onderzoek zal worden gelast, doch dat de argumenten van de aandeelhouders naar haar oordeel prevaleren (rechtsoverweging 3.5-3.23). Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Tot een nadere motivering was de Ondernemingskamer niet gehouden.
Ter vergelijking: in de procedure inzake Louder Holdings heeft de Ondernemingskamer het enquêteverzoek afgewezen. Zij kan uit het feit dat verzoekers aan hun voornemen een enquêteverzoek in te dienen gedurende een kleine vier jaar geen uitvoering hebben gegeven, niets anders afleiden dan dat verzoekers zelf die aangekondigde enquête van geen enkel belang hebben geoordeeld: ‘Zij hebben niet toegelicht, hetgeen op hun weg had gelegen na al die jaren van stilzitten, waarom en in welk opzicht zij nog, of eerst nu, belang hebben bij een onderzoek van die oude zaken, die niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. Ontegenzeggelijk levert, zoals verweersters aanvoeren, het bekend worden van het feit dat (het beleid van) een rechtspersoon voorwerp is van een door de ondernemingskamer gelaste enquête discrediet op, en derhalve de mogelijkheid van schade voor die rechtspersoon. Tegenover het belang van verweersters om niet in die situatie te geraken weegt het hiervoor bedoelde, onvoldoende gesubstantieerde belang van verzoekers niet op.’7