De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.7.6:3.7.6 De professionele standaard van de zorgverlener
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.7.6
3.7.6 De professionele standaard van de zorgverlener
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949571:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Buijsen 2008, p. 26.
Buijsen 2008, p. 47.
Buijsen 2008, p. 30.
Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet.
Leenen 2020, p. 64.
Bongers 2015, p. 29.
Bongers 2015, p. 29-30.
Bongers 2015, p. 31.
Giard 2005, p. 153.
Leenen 2020, p. 64-65.
Wijne en Van der Sluijs 2016, p. 17.
Leenen 2020, p. 66.
Leenen 2020, p. 72.
Wijne en Van der Sluijs 2016, p. 17.
Buisen 2008, p. 26.
Wijne en Van der Sluijs 2016, p. 17.
Giard 2005, p. 158.
Artikel 7:453 van het BW.
Leenen 2020, p. 75.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is beschreven dat de leraar momenteel geen beroepsorganisatie heeft die een professionele standaard voor de leraar opstelt. Ook bieden de onderwijswetten niet langer een verwijzing naar de professionele standaard. Het ontwikkelen van een geschreven professionele standaard van de leraar staat dan ook nog in de kinderschoenen. Om te beschrijven hoe de professionele standaard verder vorm zou kunnen krijgen is het nuttig om kort te schetsen hoe de professionele standaard van de zorgverlener, zoals de arts of de verpleegkundige, is vormgegeven. Voor een vergelijking met deze beroepsgroep is gekozen omdat tussen de leraar en zorgverlener een aantal belangrijke overeenkomsten bestaat. Zo werken beide voor een kwetsbare doelgroep, respectievelijk de leerling en de patiënt, en dienen zij beide een algemeen belang, het belang van goed onderwijs en dat van goede zorg. Ook zijn er overeenkomsten qua werkomgeving. De zorgverlener en leraar werken vaak in een semipublieke instelling die door min of meer publiek geld wordt bekostigd. Tussen de leraar en de zorgverlener bestaan ook belangrijke verschillen. Zo bestaat in de zorg in zekere mate een gedetailleerd beeld van wat goede zorg is en wat van een zorgverlener verwacht mag worden. Dit is in het onderwijs slechts in beperkte mate het geval. Er zijn enkel door de wetgever op hoofdlijnen deugdelijkheidseisen gesteld, daarbinnen is het in principe aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe binnen de betreffende school goed onderwijs wordt geboden. Een ander belangrijk verschil is dat de professionele standaard van de zorgverlener verder is uitgewerkt dan die van de leraar, daar wordt in deze paragraaf nader op ingegaan.
Buijsen schrijft dat de professionele autonomie in de zorg zo oud is als de uitoefening van het beroep van arts.1 Deze autonomie heeft de zorgverlener louter omwille van de kwaliteit van de zorgverlening, de autonomie van de zorgverlener is dan ook doelgebonden.2 Een uitvloeisel van de autonomie van de zorgverlener is zijn professionele standaard. In de zorg heeft deze standaard een sterke juridische basis. In onder meer artikel 7:453 van het BW is bepaald dat de zorgverlener de zorg van een goed zorgverlener in acht moet nemen en moet handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden. Met deze bepaling heeft de wetgever ervoor gekozen niet langer zelf gedetailleerde centrale regels te stellen over goede zorg, maar onder meer de beroepsorganisaties de verantwoordelijkheid te geven om in te vullen wat goede zorg is met eigen normen.3 De grondwettelijke taak van de overheid om de volksgezondheid te bevorderen wordt dan ook deels overgelaten aan de beroepsorganisaties die de benodigde expertise bezitten.4
Artikel 7:453 van het BW betekent volgens Leenen e.a. niet alleen dat de zorgverlener zich aan de professionele standaard moet houden, maar ook dat de samenleving hem in het belang van goede zorg hiertoe in staat moet stellen.5 De inhoudelijke deskundigheid van de zorgverlener moet dan ook worden gerespecteerd. Ook dient hij onafhankelijk en vertrouwelijk het belang van de zorgvrager te kunnen dienen. Artikel 7:453 van het BW dient ook als toetsingskader voor de rechter. Aan de hand van dit artikel wordt de vraag beantwoord of de hulpverlener in kwestie heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden.6 Wat in een bepaald geval redelijk is, hangt af van de ten tijde van het medisch handelen geldende regels en normen, oftewel de professionele standaard. Bongers wijst erop dat een eenduidige professionele standaard niet bestaat, maar dat de geldende standaard afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval en de kennis en ervaring die op dat moment beschikbaar zijn.7 Ook kan de professionele standaard verschillende in de wetenschap of beroepsuitoefening erkende methoden omvatten. Het gebrek aan eenduidigheid geeft de zorgverlener een mate van vrijheid bij de uitoefening van zijn beroep, met dien verstande dat hij de methode dient te kiezen die naar verwachting het beste resultaat biedt.8
Ten aanzien van de professionele standaard kan onderscheid gemaakt worden tussen het recht van ‘binnen’ en het recht van ‘buiten’.9 Met het recht van buiten worden het positieve recht en de jurisprudentie bedoeld, terwijl het recht van binnen allerlei omschrijvingen bevat van hoe te handelen als medisch professional. Leenen e.a. schrijven dat de professionele standaard in de zorg enerzijds bestaat uit medisch-wetenschappelijke inzichten en de ervaring van de beroepsgroep met medische handelingen en anderzijds de rechten van de patiënt en andere maatschappelijke regelingen die op de hulpverlener van toepassing zijn omvat.10 Wijne en Van der Sluis spreken in dit verband over twee compartimenten waarin de professionele standaard verdeeld kan worden, de ‘kern’ en de ‘wand’.11 De wand bestaat uit regelgeving ten aanzien van de rechten van de patiënt, terwijl de kern bestaat uit ‘het geheel van regels en normen zoals die blijken uit de opleidingseisen voor medici, de inzichten en ervaring uit de geneeskundige praktijk, wetenschappelijke literatuur en protocollen en gedragsregels waaraan de hulpverlener is gebonden’.
Professioneel medisch handelen moet voor wat betreft standaarden die rusten op medisch-wetenschappelijke inzichten en de ervaring van de beroepsgroep aan twee voorwaarden voldoen, het handelen moet medisch geïndiceerd zijn en moet uitgevoerd worden volgens de regels van de kunst (lege artis).12 Daaruit vloeit onder meer voort dat een bevoegde zorgverlener een handeling enkel mag uitvoeren als hij daartoe bekwaam is. Ook moeten de benodigde materiële en personele voorzieningen aanwezig zijn om een bepaalde handeling uit te voeren. De regels van de kunst worden vaak uitgedrukt in richtlijnen, standaarden of protocollen (richtlijnen). Hierin kan bijvoorbeeld door medisch-wetenschappelijke verenigingen worden beschreven hoe bepaalde handelingen verricht moeten worden.13 De beroepsgroep bepaalt dan ook in belangrijke mate zelf waar het handelen van haar beroepsbeoefenaren aan moet voldoen.14 Buijsen constateert evenwel dat de arts met steeds meer regelgeving wordt geconfronteerd van de eigen beroepsgroep, waardoor de protocollering toeneemt en zijn vrijheid afneemt.15 De beroepsgroep kan er dan ook aan bijdragen dat de autonomie van individuele beroepsbeoefenaren afneemt.
Richtlijnen kunnen, als zij zijn gefundeerd en opgesteld door een gezaghebbende instantie, worden gebruikt om de professionele standaard in te vullen.16 Giard schrijft dat een dergelijke richtlijn aan zeven procedurele eisen dient te voldoen: wetenschappelijkheid, gezag, bereik, zorgvuldige totstandkoming, kenbaarheid, zorgvuldigheidsnorm en actualisering.17 Uit deze richtlijn vloeit vervolgens in belangrijke mate voort welke mate van zorgvuldigheid de arts in acht moet nemen. Zorgvuldig handelen kan in bepaalde gevallen ook betekenen dat de hulpverlener bewust afwijkt van de richtlijn, in het belang van de patiënt.
Een hulpverlener moet zich niet enkel houden aan de professionele standaard, maar ook aan kwaliteitsstandaarden.18 Deze standaarden zijn openbaar toegankelijke documenten die op een deelgebied beschrijven wat goede zorg is. Anders dan de professionele standaard worden de kwaliteitsstandaarden in beginsel opgesteld door een adviescommissie of tripartite overleg bestaande uit organisaties van cliënten, zorgaanbieders/zorgverleners en zorgverzekeraars. Met de kwaliteitsstandaarden is beoogd te komen tot een meer gedragen en transparante invulling van goede zorg.19 Als de verschillende partijen een nieuwe standaard onderschrijven, wordt deze opgenomen in een register. Met de kwaliteitstandaarden wordt de invloed van de beroepsgroep op hetgeen verstaan moet worden onder goede zorg ingeperkt, ten faveure van breed gedragen standaarden waarbij ook cliënten en verzekeraars betrokken zijn.
Hiervoor werd al genoemd dat uit artikel 7:453 van het BW niet alleen voortvloeit dat de zorgverlener zich moet houden aan de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden, maar ook dat hem de ruimte geboden moet worden om dit te doen. De zorgverlener kan enkel conform zijn professionele standaard handelen, als hem voldoende professionele autonomie wordt geboden.20 Het gaat dan niet zozeer om autonomie die toekomt aan de individuele hulpverlener, maar om autonomie van de beroepsgroep en de beroepsbeoefenaar gezamenlijk. De beroepsgroep stelt immers de professionele standaard vast, de hulpverlener is hieraan gebonden en heeft autonomie in de wijze waarop hij deze standaard toepast.