De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.4:8.5.4 Literatuur
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.4
8.5.4 Literatuur
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367302:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 810, Leijten 2002, p. 74, Geerts (diss.), p. 284, Handboek, 2013, p. 832 en Compendium 2013, p. 1798 en 1799.
HR 23 maart 2012, NJ 2012/393 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2012/141 m.nt. Josephus Jitta en Barkhuysen (e-Traction II).
Zie par. 17.4.3.2, 17.6.3.4 en 17.8.5.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur wordt de reikwijdte van art. 2:357 lid 2 BW afgeleid uit de tekst daarvan. Het regelen van de gevolgen van de voorzieningen van art. 2:356 BW zou impliceren dat nooit afbreuk zou mogen worden gedaan aan de limitatieve opsomming van art. 2:356 BW.1
Deze auteurs lijken hierin bijval te krijgen in de conclusie van A-G Timmerman bij de tweede e-Traction beschikking.2 In die zaak had de ondernemingskamer bij wijze van eindvoorziening de aandelen ten titel van beheer overgedragen. De ondernemingskamer regelde de gevolgen van deze voorziening (onder meer) aldus dat de beheerder werd toegestaan om deze aandelen ter certificering over te dragen. Daarbij hoefde deze beheerder de certificering niet zo op te zetten dat deze niet (tegen de zin van partijen) langer duurde dan de eindvoorziening zelf. A-G Timmerman meende dat zulks in strijd was met het tijdelijke karakter van de desbetreffende eindvoorziening, en aldus de reikwijdte van art. 2:356 sub e BW werd overschreden, alsmede dat afbreuk werd gedaan aan het limitatieve karakter van de opsomming van eindvoorzieningen in art. 2:356 BW. De Hoge Raad liet zich niet uit over deze kwestie.
Elders3 in dit onderzoek betoog ik dat A-G Timmerman aldus het begrip “tijdelijk” in art. 2:356 sub e BW uitlegt op een manier die niet strookt met de rechtspraak van de Hoge Raad. Evenwel ben ik het wel met genoemde literatuur en A-G Timmerman eens dat de gevolgen van een (eind)voorziening niet zo mogen worden geregeld dat afbreuk wordt gedaan aan de limitatieve opsomming van art. 2:356 BW. Wat betreft het regelen van onmiddellijke voorzieningen geldt dat zulks eveneens niet de grenzen die gelden bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen te buiten mag gaan.