Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.4.1
3.3.4.1 De betekenis van art. 6 EVRM voor het strafgeding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS486990:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze toepasselijkverklaring steunt waarschijnlijk op de praktische en effectieve uitleg van verdragsrechten. Zie daarover § 2.5.3.3.4 hiervoor.
EHRM 27 november 2008 (Salduz t. Turkije), NJ 2009, 214; FED 2009/96 (m.nt. Thomas); AB 2010/82 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik). Zie eerder EHRM 24 november 1993 (Imbrioscia t. Zwitserland).
EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267, § 253 (cursivering toegevoegd).
Zie nader Beijer 2009, p. 15 e.v.
EHRM 27 november 2008 (Salduz t. Turkije), NJ 2009, 214; FED 2009/96 (m.nt. Thomas); AB 2010/82 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik), § 50. Zie eerder EHRM 12 mei 2005 (Öcalan t. Turkije), § 131 en EHRM 24 november 1993 (Imbrioscia t. Zwitserland), § 36 en nadien EHRM 1 april 2010 (Pavlenko t. Rusland), § 101 en EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267, § 253.
Sillen 2014, onderdeel 1 e.v., met verwijzing naar onder meer EHRM 10 februari 1983, nrs. 7299/75 en 7496/76 (Albert en Le Compte t. België), § 29; EHRM 23 oktober 1995 (Umlauft t. Oostenrijk), § 36; EHRM 21 juli 2011, nrs. 32181/04 en 35122/05 (Sigma Radio Television/Cyprus), r.o. 151 e.v.; en EHRM 17 april 2012 (Steininger t. Oostenrijk), § 46.
Sillen 2014, onderdeel 3.
Het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6, lid 1 EVRM beoogt onder meer te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging moet leven.
Voor de vaststelling van het toepassingsbereik van art. 6 is, naast de uitleg van het criminal charge-begrip, ook van belang dat het artikel weliswaar is geënt op de strafzitting, maar zich ook uitstrekt tot de fase van het vooronderzoek. De toepasselijkheid van art. 6 op het voorbereidend onderzoek in strafzaken, vergt wel enige interpretatieve vrijheid.1 Het model van art. 6 EVRM is toegesneden op de berechting door de rechter tijdens de zitting, dat wil zeggen op een adversair procesmodel, waarin op die berechting de nadruk ligt. Dit heeft het EHRM niet ervan weerhouden om het recht op een behoorlijk (straf)proces ook toepasselijk te verklaren op het vooronderzoek.2 Zie bijvoorbeeld de overwegingen van het Hof in Salduz dat, hoewel het voornaamste doel van art. 6 in strafzaken is om een behoorlijk proces te verzekeren ten overstaan van een gerecht dat competent is om over de gegrondheid van een criminal charge te oordelen, dit niet betekent dat het artikel niet toepasselijk is op het vooronderzoek in strafzaken.3
Toepasselijkheid art. 6 EVRM op het vooronderzoek in strafzaken
Sterker, art. 6 kan volgens het Hof juist van belang zijn vóórdat een zaak voor de rechter wordt gebracht. In Ibrahim e.a. formuleert het Hof dit zo, dat ‘the guarantees of Article 6 are applicable from the moment that a “criminal charge” exists within the meaning of this Court’s case law (…) and may therefore be relevant during pre-trial proceedings if and in so far as the fairness of the trial is likely to be seriously prejudiced by an initial failure to comply with them (…)’.4 Het aan de zitting voorafgaande onderzoek (‘pre-trial proceedings’) is bij uitstek de fase waarin het bewijs tegen de verdachte wordt vergaard.5 De ‘fairness’ van een strafgeding kan serieus worden aangetast doordat in de aanloop daarnaartoe – bij de bewijsgaring – niet wordt voldaan aan de in art. 6 vastgelegde rechten.6 Gelet op de zaak Salduz kan dan eerst en vooral worden gedacht aan het recht op tijdige rechtsbijstand van een advocaat, de cautieplicht en het zwijgrecht. Ook andere door art. 6 gewaarborgde rechten kunnen in het geding zijn. Zie bijvoorbeeld de zaak Mantovanelli waarin betrokkenen niet (tijdig) hebben kunnen reageren op een nadien in de procedure ingebracht deskundigenrapport.7
Nuancering betreffende de bestuurlijke strafprocedure
Anders dan geldt voor ‘echte’ strafzaken, is de regulerende werking van het EVRM voor het vooronderzoek in bestuurlijke strafprocedures beperkt. Sillen wijst erop dat art. 6 EVRM niet vergt dat bestuursambten bij het opleggen van een straf de waarborgen van art. 6 EVRM in acht nemen. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM hoeven die waarborgen in bestuurlijke procedures geen toepassing te vinden, aldus Sillen, mits de bestuurlijke beslissing kan worden getoetst door een rechter die beschikt over ‘full jurisdiction’, dat wil zeggen een rechter die bevoegd is zowel haar feitelijke als juridische grondslag te beoordelen. Slechts als dat niet zo is, levert dat een schending van art. 6 EVRM op.8 Ten aanzien van de rechten in de bestuurlijke fase waarvan eventuele schending nadien in de rechterlijke fase moeilijk is te repareren, pleit Sillen ervoor dat bestuursambten die rechten al in de bestuurlijke fase in acht nemen. Daarbij wijst hij op de onschuldpresumptie en het zwijgrecht.9 Ik voeg hieraan toe dat bepaalde (deel)rechten in art. 6 EVRM juist (ook) van toepassing zijn tijdens het vooronderzoek in bestuurlijke strafprocedures, zoals de bijstand van een tolk in art. 6, lid 3, onder e EVRM, de motivering van een boete uiterlijk ten tijde van het opleggen ervan (art. 6, lid 3, onder a) en het verbod van ‘undue delay’10. Zo bezien is Sillens opvatting dat de waarborgen van art. 6 EVRM in bestuurlijke procedures geen toepassing hoeven te vinden, te stellig.