Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/8.1
8.1 Het rechtmatig belang
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS450398:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wat dit betreft behoort een partij in de hoofdzaak gebonden te zijn aan hetgeen hij heeft verklaard in een incident en behoort dus HR 30 juni 1989, NJ 1990, 382, m.nt. J.B.M.V., waarin de Hoge Raad oordeelde dat een uitspraak over een bevoegdheidsincident in de hoofdzaak de rechter niet bindt, niet analogisch te worden toegepast.
Zie onder meer AG Verkade bij HR 16 maart 2007, AZ6530, NJ 2007, 232.
J.M. Barendrecht en W.A.J.P. van den Reek, Exhibitieplicht en bewijsbeslag, WPNR 6155 (1994), p. 739-745.
EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, 534.
Zie ook HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589, m.nt. J.B.M.V. (het Observatiearrest) waarin eiser in cassatie aanvoert dat het `equality of arms-beginsel' ertoe noopt dat hij al in het door hem aangevangen kort geding vrijelijk de beschikking dient te krijgen over door Aegon Schadeverzekering gemaakt videomateriaal waaruit eventueel zou blijken dat hij in feite beweeglijker is dan hij beweert. De Hoge Raad overweegt dat de klacht van eiser berust op de opvatting dat Aegon verplicht is het door haar verzamelde feitenmateriaal aan eiser ter beschikking te stellen, opdat hij dit materiaal kan controleren. Dat een dergelijke verplichting op Aegon zou rusten vloeit echter niet uit het `equality-beginsel' voort.
Voor de volledigheid: op grond van het tot 1 april 1988 geldende art. 115 Rv kon een partij die meer getuigen dan vijf over hetzelfde feit had doen horen, de kosten van de zesde en volgende getuige(n) niet aan de wederpartij in rekening brengen. Sinds 1 april 1988 kan de rechter bij de kostenveroordeling rekening houden met het feit dat een partij meer getuigen heeft voorgebracht dan redelijkerwijs noodzakelijk was (zie art. 196 lid 1 Rv-oud en art. 170 lid 1 Rv). Voor zover ik weet wordt zelden of nooit van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
J.G.A. Linssen in zijn noten in JBPR bij Rb Zutphen, 7 mei 2003, A11718, JBPR 2003, 66 en bij HR 6 oktober 2006, JBPR 2007, 6.
Zie onder meer I-1R 17 oktober 1997, NJ 1998, 241, I-1R 20 maart 1998, NJ 1998, 548 en I-1R 19 oktober 2001, NJ 2001, 653
Aldus 1-112 24 maart 1995, NJ 1998, 414. Zie verder M.A.J.G. Janssen, Criteria voor de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenbericht, JBPR 2005, p. 216-228.
Een handzame formulering van het begrippenpaar rechtmatig belang is tot dusverre nog door niemand gegeven. Vooral een concrete omschrijving van het begrip `rechtmatig' is in een maatschappij waarin normen in beweging zijn niet te geven. Er kunnen wel enkele grenzen worden getrokken.
Buiten de grenzen van de inhoud van het bestanddeel 'rechtmatig belang' valt de problematiek van het vissen naar stukken. Indien in een vijver vol documenten ook een stuk 'zwemt' waarmee de vorderende partij zijn geschil zou winnen, maar die partij weet niet meer dan dat, mag een vordering tot inzage niet worden afgewezen omdat die partij geen rechtmatig belang zou hebben om in die vijver te vissen. Dit geldt in elk geval zolang partijen niet verplicht zijn om, zoals de commissie Storme wenst, een lijst van mogelijk relevante documenten over te leggen. Pure nieuwsgierigheid mag niet worden bevredigd, maar daarvoor moet het vereiste van `bepaalde bescheiden' worden gebruikt.
Het belang dient binnen het kader van de stel- en bewijsproblematiek te liggen en dient er op gericht te zijn het bestaan en/of de inhoud van een rechtsbetrekking vast te stellen. Waar de wetgever het vinden van de materiële waarheid steeds belangrijker acht, dienen de woorden 'rechtmatig belang' niet terughoudend te worden opgevat.
Het belang kan in een zeer vroeg stadium aanwezig zijn. Een eiser moet immers op grond van art. 111 lid 3 Rv in zijn dagvaarding vermelden de bewijsmiddelen waarover hij kan beschikken. Aan deze eis kan werkelijk inhoud worden gegeven indien een eiser in een zeer vroeg stadium inzage kan krijgen. Voor gedaagde geldt dat hij in het huidige procesrecht, waar in beginsel na de conclusie van antwoord geen verdere schriftelijke ronde meer komt, in het kader van de onderbouwing van zijn verweer belang in de zin van art. 843a Rv kan hebben op inzage in bescheiden voordat hij zijn antwoord indient. Om die reden hoeft een prudente inzage vorderende partij niet af te wachten wat het standpunt van de wederpartij is op de door de inzage vorderende partij te onderbouwen stelling. Dat kan immers al te laat zijn. Dit betekent dat een eiser in zijn dagvaarding een inzage-incident mag instellen en gedaagde mag dit evenzeer voordat hij zijn antwoord neemt.
De vordering kan eigenlijk niet worden afgewezen met als motivering dat het standpunt van de wederpartij nog niet duidelijk is: in het debat over de vraag of inzage moet worden verleend, dient de wederpartij immers zijn standpunt te vermeiden omtrent het punt waarover de gevorderde inzage duidelijkheid zou kunnen verschaffen.1
Het belang is er niet meer indien de wederpartij de te onderbouwen stelling zonder enig voorbehoud en volledig erkent. Er bestaat dan geen processuele noodzaak meer. Het woord noodzakelijk kan dus van belang zijn bij de toetsing aan het woord belang, maar dan niet in de zin van 'inzage in de stukken is noodzakelijk', omdat in dat geval met het woord noodzakelijk een te zware eis wordt gesteld. Het woord noodzaak dient alleen te worden gebruikt in de negatieve zin: inzage is niet meer noodzakelijk, omdat inzage wordt gevraagd van bescheiden betrekking hebbend op een al door de tegenpartij erkend feit. Het woord noodzaak mag evenmin in bevestigende zin worden gebruikt omdat dan de weg openstaat naar afwijzing omdat er bijvoorbeeld ook andere bewijsmiddelen zijn. Het is niet aan de rechter om te beslissen welke bewijsmiddelen een partij als eerste in het geding moet brengen. Voor zover dit al zou moeten, dient deze toets plaats te vinden in het kader van één van de twee criteria van lid 4 van art. 843a Rv en wel het criterium of een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing redelijkerwijs is gewaarborgd.
Toepassing van een `noodzakelijkheidscriterium' is verder niet wenselijk omdat dit te dicht in de buurt komt van overtreding van het zogenaamde prognoseverbod.2
De door Barendrecht en Van den Reek3 gewenste toetsing aan het processueel gelijkheidsbeginsel, welk beginsel het Europese Hof heeft genoemd in het Domboarrest,4 heeft volgens mij geen nut omdat er in het kader van het recht op inzage geen parallel bestaat met het Dombo-arrest. In die zaak mocht de bank het eigen personeel dat op de vergaderingen met Dombo BV aanwezig was geweest, als getuige laten horen omdat het functioneel 'lagere' personeelsleden betrof die niet gelijk konden worden gesteld met hun werkgever, terwijl van de tegenpartij, een BV, alleen de directeur bij de vergaderingen aanwezig was geweest en in die tijd een partijgetuige zoals een directeur, niet mocht worden gehoord. Dat is een fundamentele ongelijkheid. Het feit dat partij A die het bestaan van de overeenkomst ontkent, in het bezit is van het schriftelijk contract terwijl de kopie daarvan die partij B bezat in het ongerede is geraakt, betekent niet dat partij A op grond van het gelijkheidsbeginsel dat stuk in het geding moet brengen.5
Uit de wettekst blijkt niet dat er een evenwichtige belangenafweging gemaakt moet worden. Het belang van eiser moet wel zwaar genoeg zijn om de vordering toe te wijzen of, met de woorden van de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht, het belang op toewijzing van de vordering mag niet kennelijk onevenredig zijn ten opzichte van het belang van de andere partij.
Waar het moet gaan om stel- en bewijsbelang dient geen verdere toets te worden aangelegd dan de te hanteren toets bij het antwoord op de vraag of een bepaalde getuige kan worden gehoord. Een serieuze discussie over een dergelijke toets is tot dusverre niet gehouden en bepleit ik ook niet, mede omdat ik geen overtuigende verschillen zie tussen een verschijnings- en antwoordplicht van een getuige en de verplichting die een bezitter van stukken heeft (in elk geval moet hebben) om desgevraagd inzage te verschaffen. Er is dan ook geen reden om bij het ene bewijsmiddel (het recht op inzage) te toetsen aan de vraag of er sprake is van 'nodeloosheid' terwijl bij het andere bewijsmiddel (het horen van een getuige) zonder meer een derde naar het gerecht wordt ontboden.6 Hierbij hoort verder te worden meegewogen dat er geen hiërarchie in bewijsmiddelen bestaat, zodat er geen redenen zijn om bij de vraag of een getuige gehoord mag worden, een ander toetsingscriterium te hanteren als bij de vraag of er inzage in gegevens moet worden verstrekt. Het is verder merkwaardig dat een getuige die toevallig iets heeft gezien of gehoord zonder meer als getuige kan worden opgeroepen of gedagvaard, terwijl het bezit van een stuk waarvan inzage wordt gevorderd, zelden toevallig zal zijn. Kortom, bij de concrete invulling en omschrijving van 'rechtmatig belang' behoort volgens mij dan ook niet een woord als 'nodeloosheid' te worden gebruikt.
Dit standpunt van mij brengt tevens met zich dat ik Linssen7 onvoldoende ruimhartig vind, waar hij schrijft dat de rechter zorgvuldig dient na te gaan of het verstrekken van de gegevens noodzakelijk is voor de effectuering van het materiële recht dat de eisende partij geldend maakt respectievelijk geldend wil maken. Ik voel meer voor een aansluiting bij het criterium waarmee een vordering tot verwijzing naar de schadestaat kan worden toegewezen: heeft eiser de mogelijkheid aannemelijk gemaakt dat de inhoud van het stuk waarvan inzage wordt gevorderd opheldering kan verschaffen.8
Bij het belang dient geen rekening te worden gehouden met de vraag hoe kansrijk toewijzing van de vordering is of hoe kansrijk honorering van het verweer is. In dat geval wordt namelijk het verboden gebied van de prognose betreden. Het laatste oordeel in het geding is het oordeel omtrent de toewijzing, voordien mag niet worden gespeculeerd of die toewijzing wel of niet te verwachten is. Het belang moet voldoende worden omschreven, wat dat betreft heeft toevoeging van het woord 'concreet', zoals ook bij een bewijsaanbod, wel enige waarde. Toevoeging van een woord als 'direct' heeft volgens mij geen extra waarde. Ik zie tenminste niet waarom een indirect belang geen belang in de zin van art. 843a Rv zou kunnen zijn. Zo kan bijvoorbeeld het belang om te weten of de tegenpartij een eventuele vordering wel kan betalen, een indirect belang worden genoemd, maar de wetenschap omtrent die solvabiliteit lijkt mij toch wel een belang in de zin van art. 843a Rv. Kort en krachtig: iemand die verhaalsonderzoek wil doen, heeft voldoende belang.
Bij de uitleg van het woord belang kan worden aangesloten bij art. 3:303 BW: er moet voldoende belang zijn in de zin van dat artikel. Rechtmatig betekent dat er recht op moet bestaan en omdat het gaat om bewijsposities dient het om een processuele bevoegdheid te gaan. Het betreft geen vermogensrecht. De verzochte inzage moet ter zake dienend en voldoende concreet zijn. De woorden rechtmatig belang laten zich ook min of meer omschrijven als 'redelijkerwijs nodig'. Ook dit zijn abstracte woorden maar zij geven wel een beetje houvast. Deze woorden staan in art. 26 Besluit medezeggenschap defensie, waarin is bepaald dat die inlichtingen en gegevens verstrekt moeten worden die redelijkerwijs nodig zijn.
Het lijkt mij verder gepast om aansluiting te zoeken bij andere artikelen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent waarheidsvinding. Waar de rechter in art. 22 Rv een zeer ruime bevoegdheid heeft om ambtshalve onderzoek te doen, terwijl er een zekere samenhang bestaat tussen art. 22 Rv en art. 843a Rv, mag het in het kader van de partijautonomie niet zo zijn dat de rechter op de weg naar de waarheidsvinding minder hordes te nemen heeft dan een procespartij. Het lijkt ook voor de hand te liggen om bij de uitleg van de woorden 'rechtmatig belang' aansluiting te zoeken bij andere onderzoeksmogelijkheden naar bewijsmiddelen die het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering biedt. Zo zijn met name de toelatingsgronden voor een voorlopig getuigenverhoor zeer ruim. Een dergelijk verhoor strekt er immers ook toe belanghebbenden bij een eventueel naderhand aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de nog niet precies bekende feiten, zulks teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen.9 Voorwaar een formulering waar zeer veel onder valt te brengen. Het aangevoerde belang moet, zoals gezegd, in elk geval ter zake dienend zijn en voldoende concreet aangeduid. In dit kader lijkt het voor de hand te liggen om, daar waar een getuige gedwongen kan worden om te verklaren omtrent de inhoud van elk willekeurig bescheid zolang het maar in voldoende verband staat met het probandum, ook een vordering tot inzage van een dergelijk bescheid toe te wijzen.
Al met al kom ik tot de conclusie dat de erkenning van het belang van de waarheidsvinding zo groot is en de laatste jaren zo sterk is gegroeid dat een juiste omschrijving van de inhoud van het woord 'rechtmatig' eerder is dat er geen `onrechtmatig' belang mag zijn, waarbij de onrechtmatigheid ook nog eens voor ieder redelijk denkend mens duidelijk moet zijn.
In een enkel geval bestaat er een rechtstreeks materieel belang, dat door de wetgever is gegeven: zie onder andere de artt. 3:15j BW, 4:78 BW, 7:433 BW en 7:619 BW. Daarmee is niet altijd het probleem omtrent 'rechtmatig belang' opgelost. Ondanks de verenging bij deze artikelen van rechtmatig belang naar wetmatig belang, dient er soms toch weer dezelfde toets plaats te vinden. Zo spreekt art. 3:15j BW over 'een rechtstreeks en voldoende belang'.