Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/10.7
10.7 De strafrechtelijke geldboete
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1977/78, 15 012, nr. 3, p. 37. Zie voorts HR 2 juli 1990, NJ 1991/67.
HR 25 september 2007, NJ 2007/530.
HR 16 oktober 2001, NJ 2002/201. Zie voorts HR 3 juni 2008, LJN BC8652.
Kamerstukken II 1977/78, 15 012, nr. 3, p. 43: 'Anders dan bij de proportionele boetestelsels zal de rechter bij hantering van het draagkrachtbeginsel volgens artikel 24, de inkomens- en vermogenspositie van de verdachte niet zo nauwkeurig mogelijk behoeven vast te stellen. Hij zal kunnen volstaan met hem bekende feiten of omstandigheden. Daaronder zijn begrepen feiten of omstandigheden die op grond van de ervaring of uit anderen hoofde bekend zijn, en natuurlijk ook gegevens die de verdachte zelf heeft verstrekt.'
Schuyt, Verantwoorde strafloemeting (2009), p. 113.
HR 3 oktober 2006, NJ 2006/549.
HR 7 december 2010, L/NBN6965. A-G Machielse meende daarentegen dat de algemene motivering van het gerechtshof niet toereikend was voor de volgens hem aanzienlijke afwijking van de eis ten nadele van verdachte. Overigens leek de draagkracht gelet op de omstandigheid dat de verdachte zo'n C1,5 miljoen had betaald aan varkensrechten geen probleem te vormen.
Zie bijvoorbeeld HR 7 december 2004, LJN AR3725.
Bijvoorbeeld HR 29 juni 1999, nr. 110.856E (niet gepubliceerd). Zie ook Mulder en Doorenbos, Schets van het economisch strafrecht (2008), p. 171.
ABRvS 11 november 2009, LJN BK2951.
De minister van SZW lijkt hier vooral te doelen op lik-op-stuk-beleid, maar hij veronderstelt voorts dat de preventieve werking door de bestuurlijke aanpak groter zal zijn. Zie zijn brief van 18 januari 2010 inzake de uitkomsten van de evaluatie invoering bestuurlijke boete Wav (Kamerstukken II 2009-2010, 17 050 en 29 523, nr. 396). Kritisch zijn Klap en Krop,'Say Yes!' Commentaar bij de evaluatie invoering bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen', NJB 2010/1154, p. 1470-1474.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 VI, nr. 67, p. 10-12.
Rb Den Haag 23 april 2009, IJN BI3173, par. 8.3.
In Rb Amsterdam 3 november 2010, JOR 2010/352 (Grolsch) legde de rechtbank een geldboete op van C5.000.
Het Hof Amsterdam kwam tot een boete vanC67.500 (na matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn). Zie Hof Amsterdam 13 juni 2008, RF 2008/84 (VPV).
In art. 23 Sr is bepaald dat de geldboete tenminste € 3 bedraagt (lid 2) en dat de geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd gelijk is aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald (lid 3). Er zijn zes boetecategorieën (lid 4). Per 1 januari 2010 zijn die ingevolge het negende lid als volgt vastgesteld: de eerste categorie, € 380; de tweede categorie, € 3.800; de derde categorie, € 7.600; de vierde categorie, € 19.000; de vijfde categorie, € 76.000; de zesde categorie, € 760.000. In het vijfde tot en met achtste lid zijn uitzonderingen en aanvullingen opgenomen. Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop geen geldboete is gesteld, kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie. Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop een geldboete is gesteld, maar waarvoor geen boetecategorie is bepaald, kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie, indien dit bedrag hoger is dan het bedrag van de op het betrokken strafbare feit gestelde geldboete. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. Dit geldt ook bij veroordeling van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap, rederij of doelvermogen. Art. 6 WED sluit aan bij de vierde en vijfde categorie, afhankelijk van de soort gedraging en de aanwezigheid van opzet, waarbij voor een aantal overtredingen geldt dat kan worden aangesloten bij een naast hogere categorie, indien de opbrengst hoger is dan een vierde gedeelte van het toepasselijke boetemaximum.
In artikel 24 Sr is bepaald dat de rechter bij de vaststelling van de geldboete rekening houdt met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin hij dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen. Deze evenredigheidsbepaling ziet op de verhouding tussen de individuele financiële draagkracht en de op te leggen straf. De strafrechter die zelf de straf bepaalt zal hier ten volle rekening mee moeten houden. Beoogd is dat de draagkracht fungeert als ondergrens en als bovengrens: de geldboete mag niet zo laag zijn dat er naar het oordeel van de rechter geen sprake meer is van een passende bestraffing, maar ook niet zo hoog dat de verdachte daardoor onevenredig wordt getroffen. In reactie op de adviezen van de Commissie Vermogensstraffen kwam de minister van Justitie tot de volgende toelichting bij deze bepaling in het wetsvoorstel Wet vermogenssancties:
`Dit artikel drukt het draagkrachtbeginsel uit dat echter, in vergelijking met de door de commissie besproken proportionele boetestelsels, een gematigd karakter heeft. Weliswaar moet er evenredigheid bestaan tussen de geldboete en de draagkracht van de verdachte maar deze wordt op twee manieren getemperd. Vooreerst door (het maximum van) de toepasselijke categorie waaronder het strafbare feit valt. Deze dient dan ook door de wetgever zo te worden bepaald dat zij voldoende de maatschappelijke betekenis van het feit weergeeft. Aldus wordt mede voorkomen dat de eis van een relatie tussen de geldboete en de draagkracht een andere eis, die van evenredigheid tussen de zwaarte van het delict en de opgelegde straf, frustreert. Voorts wordt ook binnen de toepasselijke boetecategorie de proportionaliteit verder verfijnd. Ingevolge de voorgestelde tekst mag de rechter namelijk, ook al laat de draagkracht het toe, geen hogere geldboete opleggen dan hij ter verwezenlijking van de hem voor ogen staande strafdoelen nodig acht. Dit laatste beginsel drukt de commissie treffend uit door te stellen dat de optimale sanctie de minimale is.’1
Wel geldt vanouds een beperkte motiveringseis inzake de draagkracht.2 Indien het gerechtshof stelt bij de geldboete rekening te hebben gehouden met art. 24 Sr en er geen draagkrachtverweer is gevoerd, dan zal snel aangenomen worden dat de boete naar behoren is gemotiveerd.3 Dat lag anders in een zaak waarin een totale som aan boetes van f 40.200 werd opgelegd, terwijl er een met stukken onderbouwd verweer voorlag dat het bedrijf van verdachte er slecht voor stond.4 Schuyt merkt op dat de invloed van het draagkrachtbeginsel op de daadwerkelijke strafvorming in de meeste gevallen minimaal is. Zij geeft hiervoor de volgende redenen: de aanwijzing aan de rechter geldt alleen voor het opleggen van een geldboete en niet voor andere straffen; van de rechter wordt niet verlangd dat hij onderzoek doet naar de werkelijke draagkracht,5 zodat de draagkracht alleen in gevallen van uitzonderlijke hoge of geringe draagkracht een rol zal spelen; en ten slotte worden geldboetes meestal tariefmatig opgelegd aan de hand van oriëntatiepunten.6
Waar de feitenrechter komt tot een (iets) hogere (onvoorwaardelijke) straf dan het OM heeft gevorderd kan de verdediging zich er niet op beroepen dat die afwijking niet (toereikend) is gemotiveerd. Dit neemt niet weg dat zich het geval kan voordoen dat de door de rechter opgelegde straf in die mate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn.7 In een geval waarin het OM terzake van overtreding van de Wet herstructurering varkenshouderij een geldboete van € 75.000 had gevorderd, waarvan € 25.000 voorwaardelijk, had het Hof Den Bosch de onvoorwaardelijke boete vastgesteld op € 75.000. Het Hof had daartoe overwogen dat het rekening had gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting was gebleken, dat het ten bezware van verdachte rekening had gehouden met de omstandigheid dat het bedrijf van verdachte, door een groter aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, te houden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, financieel voordeel had genoten ten opzichte van varkenshouders die zich wel aan de geldende wet- en regelgeving hadden gehouden en dat verdachte door te handelen in strijd met het bepaalde in de Wet herstructurering varkenshouderij economisch voordeel had behaald, omdat hij daardoor gedurende twee jaren een investering in varkensrechten had kunnen uitstellen. De Hoge Raad oordeelde dat de door het Hof opgelegde straf niet zodanig afweek van de door de advocaat-generaal gevorderde straf dat de strafoplegging zonder nadere motivering onbegrijpelijk was.8
Het is aardig met betrekking tot de geldboete een korte blik te werpen op de strafrechtelijke handhaving van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), juist omdat die thans vooral met de bestuurlijke boete wordt gehandhaafd. Door het openbaar ministerie werd als richtsnoer een bedrag van € 1.500 per illegaal tewerkgestelde vreemdeling gehanteerd. Dit kon als het om veel vreemdelingen ging cumuleren tot tienduizenden euro' s.9 Indien een draagkrachtverweer werd gedaan kon niet zonder meer een dergelijke boete worden opgelegd.10 Door de minister van SZW wordt voor rechtspersonen inmiddels een bestuurlijke boete van € 8.000 per illegaal tewerkgestelde vreemdeling gehanteerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State laat in deze boetezaken een ongebreidelde cumulatie toe, zodat bij uitzendbureau' s de bestuurlijke boetes kunnen oplopen tot meer dan een miljoen euro.11 De minister van SZW is dan ook van oordeel dat de bestuursrechtelijke handhaving van de Wav effectiever is dan de strafrechtelijk handhaving.12 Waar de bestuursrechter weinig oog lijkt te hebben voor de motieven om de wet niet na te leven en vooral naar de gedraging kijkt, hetgeen de wetgever ook voor ogen heeft gestaan,13 kijkt de strafrechter wel naar de motieven van de dader. Het strafrecht is dan ook veel meer dadergericht. Illustratief is de volgende strafmaatoverweging terzake van illegale tewerkstelling en daarmee samenhangende commune delicten:
`De rechtbank heeft kennis genomen van verdachtes visie op zijn vervolging. Door diens uitlating dat — kort gezegd — hij geschokt is, dat dit kan in de Nederlandse rechtsstaat, wordt de rechtbank gesterkt in haar oordeel dat verdachte geen inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn handelen. De overtuiging die verdachte blijkbaar heeft over de verdedigbaarheid en zelfs de juistheid van zijn handelen, acht de rechtbank — juist gelet op de rechtstaat en het daaruit voortvloeiende rechtssysteem — zorgwekkend.’14
Ook met betrekking tot een aantal andere economische delicten geldt dat de gedragingen via het bestuursrecht met een hogere boete kunnen worden bestraft dan via het strafrecht. Zeer pregnant is het verschil tussen de geldboete die op grond van art. 5:55 Wft in verbinding met art. 6 WED door de rechtbank Amsterdam kan worden opgelegd wegens handel met voorwetenschap (art. 5:56 Wft) en de bestuurlijke boete die de AFM ter zake van deze gedraging kan opleggen. Het gaat hier om de vierde geldboete-categorie (tot € 19.000).15 Bij voldoende gewin kan de naast hogere categorie worden toegepast (tot € 76.000).16 De bestuurlijke boete wegens handel met voorwetenschap is inmiddels echter vele malen hoger, want art. 1:81 Wft (tekst vanaf 1 augustus 2009) in verbinding met art. 10 Besluit boetes financiële sector gaat uit van een basistarief van € 2 min Dit pregnante verschil wordt (deels) gecompenseerd doordat de strafrechter naast de geldboete een gevangenisstraf kan opleggen, het OM daarnaast een vordering tot voordeelontneming kan voorleggen aan de strafrechter en eventuele slachtoffers zich in het strafproces kunnen voegen en schadevergoeding kunnen vorderen.
De bestuurlijke boetes kunnen aldus in een aantal gevallen een veelvoud bedragen van de strafrechtelijke boetes. Recent zijn echter ook bestuurlijke boetes geïntroduceerd waarbij juist aansluiting is gezocht bij de strafrechtelijke boetetarieven. Zo is per 1 januari 2010 in art. 48 lid 2 Binnenvaartwet bepaald dat de bestuurlijke boete die ten hoogste kan worden opgelegd overeenkomt met de vierde categorie bedoeld in art. 23 lid 4 Sr. Toch gaat het hier niet om een naadloze aansluiting. Er zijn namelijk twee afwijkingen. Ten eerste kan de bestuurlijke boete, zonodig in afwijking van art. 23 lid 4 Sr bij recidive met maximaal 50% worden verhoogd (lid 3) en ten tweede worden de boetebedragen voor de beboetbare feiten vastgesteld bij ministeriële regeling (lid 4). Een meer onvoorwaardelijke aansluiting bij de strafrechtelijke boetecategorieën is te vinden in het op 18 augustus 2010 ingevoerde art. 120j Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, waarin is bepaald dat de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag bedraagt dat is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in art. 23 lid 4 Sr, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de zesde categorie, bedoeld in art. 23 lid 4 Sr per overtreding, begaan door een rechtspersoon of een vennootschap. De aansluiting bij een strafrechtelijke geldboete-categorie is overigens niet volstrekt nieuw. Zie art. 2.15 lid 1 Wet handhaving consumentenbescherming dat aansluiting zoekt bij de vijfde categorie. Ook in het tuchtrecht kunnen sancties worden opgelegd ter hoogte van de strafrechtelijke boetemaxima. Zie art. 16 Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, art. 5 Wet tuchtrechtspraak accountants en art. 5 Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.