De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/3.4.3:3.4.3 Crediteuren komen niet in een nadeliger positie als de moedermaatschappij er financieel minder goed voor staat dan de 403-maatschappij
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/3.4.3
3.4.3 Crediteuren komen niet in een nadeliger positie als de moedermaatschappij er financieel minder goed voor staat dan de 403-maatschappij
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250182:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er zou mogelijk kunnen worden betoogd dat de crediteuren die al een vordering op de 403-maatschappij hebben voordat deze gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling, door de compensatie die zij ontvangen in een nadeliger positie komen als de moedermaatschappij er financieel slechter voor staat dan de 403-maatschappij. Dit is mijns inziens echter niet juist. Ik zal dit toelichten aan de hand van een voorbeeld. Stel dat een 403-maatschappij tot en met het boekjaar 2019 het reguliere jaarrekeningregime heeft gevolgd en jaarrekeningen openbaar heeft gemaakt. Met betrekking tot de jaarrekening over het boekjaar 2020 maakt zij voor de eerste keer gebruik van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. Een crediteur van wie de vordering daarvoor is ontstaan, heeft zijn keuze om een relatie met de 403-maatschappij aan te gaan of te continueren (mede) kunnen baseren op de eerder openbaar gemaakte jaarrekeningen. Hij heeft (mede) aan de hand daarvan kunnen schatten hoe groot het risico is dat de 403-maatschappij de vordering niet (volledig) zal voldoen. Dit is het risico dat hij (onbewust) heeft geaccepteerd.
Over het boekjaar 2020 maakt de 403-maatschappij geen jaarrekening openbaar. De crediteur kan dus niet (mede) aan de hand daarvan schatten hoe groot het risico is dat zijn vordering niet (volledig) zal worden voldaan. Ter compensatie van dit gebrek aan inzicht krijgt de crediteur op grond van de 403-verklaring ook een vordering op de moedermaatschappij, van wie hij de geconsolideerde jaarrekening wel kan inzien. De crediteur kan (mede) aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening schatten hoe groot het risico is dat de moedermaatschappij de vordering op grond van de 403-verklaring niet (volledig) zal voldoen. Dit is het risico dat de crediteur (onbewust) accepteert als hij de relatie met de 403-maatschappij continueert.
Als de moedermaatschappij er financieel slechter voor staat dan de 403-maatschappij, is het risico dat de moedermaatschappij de vordering op grond van de 403-verklaring niet (volledig) zal voldoen groter dan het risico dat de 403-maatschappij de vorderingen niet (volledig) zal voldoen. Toch is de positie van de crediteur mijns inziens niet verslechterd ten opzichte van de situatie dat de 403-maatschappij geen gebruik zou maken van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. Doordat de 403-maatschappij gebruikmaakt van deze vrijstelling is zij van rechtswege vrijgesteld van verschillende verplichtingen met betrekking tot de verslaggeving omtrent haar financiële positie.1 Maar de crediteur kan zich nog steeds op de 403-maatschappij verhalen. Het verschil is slechts dat de crediteur de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kan opvragen om de gegevens van de 403-maatschappij omtrent haar financiële positie in te zien. Aangezien de crediteur naast zijn vordering op de 403-maatschappij ook een vordering op de moedermaatschappij heeft gekregen, loopt hij zelfs minder risico dat hij zijn vordering niet (volledig) voldaan krijgt.2