Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/9.4
9.4 Aanvullende tekortkoming van het Unierecht: toelaatbaarheid verrekeningsmethode
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS376555:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin o.a. P.J. Wattel, ‘Capital export neutrality and free movement of persons’, Legal Issues of European Integration 1996/1, p. 115-127, p. 126 en K. Vogel, ‘Which method should the European Community adopt for the avoidance of double taxation?’, Bulletin for International Taxation 2002/1, p. 4-10, p. 9-10.
Zie hierover paragraaf 9.2.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03 (Van Hilten-van der Heijden), HvJ EG 12 december 2006, zaak C-446/04 (FII Group Litigation), r.o. 47-53, HvJ EG 6 december 2007, zaak C-298/05 (Columbus Container),r.o. 39 en HvJ EU 10 februari 2011, gevoegde zaken C-436/08 en C-437/08 (Haribo en Salinen),r.o. 89.
HvJ EG 12 mei 1998, zaak C-336/96 (Gilly),HvJ EG 14 november 2006, zaak C-513/04 (Kerkhaert-Morres), HvJ EG 16 juli 2009, zaak C-128/08 (Damseaux) en HvJ EG 12 februari 2009, zaak C-67/08 (Block).Overigens wordt ook in andere onderdelen van secundair Unierecht zowel de vrijstellings- als de verrekeningsmethode toegestaan, bijvoorbeeld in de moeder-dochterrichtlijn. Zie art. 4 lid 1 Richtlijn van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (Richtlijn 90/435/EEG), vervangen door de Richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (Richtlijn 2011/96/EU), PbEU 2011, L 345, V-N 2012/13.5 en nadien op verschillende onderdelen gewijzigd.
Anders: F. Vanistendael, ‘In Defence of the European Court of Justice’, Bulletin for International Taxation 2008/3, p. 90-98, p. 96.
Hiervoor heb ik reeds betoogd dat het vrije verkeer van werknemers gebaat is bij gelijkheid op de werkvloer (paragraaf 9.2). Mijn kritiek op de rechtspraak van het Hof van Justitie in dit verband heeft met name betrekking op de vereiste fiscale behandeling door de werkstaat. De belastingheffing van het arbeidsinkomen dat ter heffing is toegewezen aan de werkstaat, zou naar mijn mening als regel, en niet als uitzondering, in die staat op gelijke wijze moeten plaatsvinden voor inwoners en niet-inwoners (met inachtneming van hun persoonlijke en gezinssituatie c.q. volledige fiscale draagkracht, zie paragraaf 9.3).
De gelijkheid op de werkvloer die aldus zou worden bereikt, dient naar mijn mening vervolgens niet te worden doorbroken door de woonstaat. Dit betekent dat de woonstaat imperatief de vrijstellingsmethode (met progressievoorbehoud) zou moeten hanteren ten aanzien van arbeidsinkomen dat, op basis van het desbetreffende belastingverdrag, aan de werkstaat ter heffing is toegewezen.1 Immers, indien zou worden toegestaan dat een woonstaat de verrekeningsmethode toepast ten aanzien van het buitenlandse loon, dan zou een buitenlandse werknemer alsnog niet op gelijke voet kunnen concurreren op de arbeidsmarkt in de werkstaat. Om de door mij bepleite arbeidimportneutraliteit te realiseren is dan ook vereist dat het Unierecht de vrijstellingsmethode (al dan niet met grondslag- en progressievoorbehoud) verplicht zou voorschrijven als methode ter voorkoming van dubbele belasting voor het inkomen van grensoverschrijdende werknemers.2
Het is echter vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat zowel de verrekenings- als de vrijstellingsmethode ter voorkoming van dubbele belasting als zodanig niet in strijd is met de verkeersvrijheden.3 Meer in algemene zin heeft het Hof geaccepteerd dat bij de huidige stand van het Unierecht geen algemene verplichting bestaat om dubbele belasting te voorkomen.4 Mijns inziens heeft het Hof van Justitie zich terecht terughoudend opgesteld en is het niet aan de rechter om de toepassing van de verrekeningsmethode op grond van het primaire Unierecht te verbieden.5 Dit neemt niet weg dat secundaire Uniewetgeving, die verplicht tot imperatieve toepassing van de vrijstellingsmethode, mijns inziens wenselijk is. Dit om de beoogde arbeidimportneutraliteit te kunnen bereiken. In zoverre beschouw ik de vrijheid voor lidstaten om de verrekeningsmethode te hanteren derhalve eveneens als een tekortkoming van het huidige acquis communautaire.