Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.2.2.1
10.2.2.1 Inleiding
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS508445:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover D. JOSEPH, Jurisdiction and Arbitration Agreements and their Enforcement, Londen 2010, 4.51-4.61 met referte aan jurisprudentie die zich inmiddels over een groot aantal jaren uitstrekt; vgl. ook art. 808 quater Italiaans Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: 'Nel dubbio, la convenzione d' arbitrato si interpreta nel senso che la competenza arbitrale si estende a tutte le controversie che derivano dal contratto o dal rapporto cui la convenzione si riferisce.'.
House of Lords 17 oktober 2007 (Fiona Trust/Privalov), Yearb. Comm. Arb. 2007, blz. 654-682; voor dit vermoeden refereert de House of Lords aan een beslissing van het Duitse Bundesgerichtshof 27 februari 1970, Arbitration International 1990, blz. 79: 'There is every reason to presume that reasonable parties will wish to have the relationships created by their contract and the claims arising therefrom, irrespective of whether their contract is effective or not, decided by the same tribunal and not by two different tribunals.'; zie tevens Landgericht Hamburg 20 april 1977, Yearb. Comm. Arb. 1979, blz. 261.
House of Lords 17 oktober 2007 (Fiona Trust/Privalov), Yearb. Comm. Arb. 2007, blz. 654-682, no. 47 (Lord HOFFMANN) (zie ook de volledige tekst op www.parliament.uk, no. 13); vgl. ook no. 65 in fine (Lord HOPE OF CRAIGHEAD) (zie voor de volledige tekst www.parliament.uk, no. 26 in fine): 'The proposition that any jurisdiction or arbitration clause in an international commercial contract should be liberally construed promotes legal certainty. It serves to underline the golden ruk that if the parties wish to have issues as to the validity of their contract decided by one tribunal and issues as to its meaning or performance decided by another, they must say so expressly. Otherwise they will be taken to have agreed on a single tribunal for the resolution of all such disputes.'.
House of Lords 17 oktober 2007 (Fiona Trust/Privalov), Yearb. Comm. Arb. 2007, blz. 654-682, nos. 47 en 65; zie ook de volledige tekst van de beslissing op www.parliament.uk, nos. 13 en 26 in fine (vgl. ook 10.2.2.2).
Zie D. JOSEPH, Jurisdiction and Arbitration Agreements and their Enforcement, Londen 2010, 4.57 in fine, die als enige uitzondering op de regel van het genoemde vermoeden wijst op een 'tort claim', zij het wel (alleen) bij een arbitraal beding dat expliciet (slechts) geschillen aangaande de 'interpretatie van de overeenkomst' aan arbitrage onderwerpt; vgl. — zo lijkt het — ook al voor dit arrest LEW, MISTELIS & KRUL, no. 7-67.
Zie House of Lords 17 oktober 2007 (Fiona Tnat/Privalov),Yearb. Comm. Arb. 2007, blz. 654-682, no. 47 (Lord HOFFMANN) (zie ook de volledige tekst op www.parliament.uk, no. 13): '(...) that the parties, as rational businessmen, are likely to have intended any dispute arising out of the relationship into which they have entered or purported to enter to be decided by the same tribunal. (...).'. Zulks betekent mijns inziens dat het vermoeden niet voor toepassing in aanmerking komt bij de vraag of partijen ook geschillen aan arbitrage hebben willen onderwerpen die niet zijn ontstaan met betrekking tot de rechtsbetrekking waarbij zij partij zijn en evenmin bij de vraag of een partij die niet partij is bij de genoemde rechtsbetrekking aan het arbitraal beding is gebonden (zie daartoe 9.3).
Zie omtrent uitleg volgens Engels recht DITTES, Uitleg van schriftelijke contracten, blz. 73-79.
Zie daartoe de overwegingen in House of Lords 17 oktober 2007 (Fiona Trust/Privalov), Yearb. Comm. Arb. 2007, blz. 654-682 alsook D. JOSEPH, Jurisdiction and Arbitration Agreements and their Enforcement, eerste editie, Londen 2005, 4.51-4.56.
Zie W.D.H. ASSER, Bewijslastverdeling, Deventer 2004, nos. 33 en 44 en T.F.E. TJONG DIN TAI, Bewijs van de (inhoud van de) overeenkomst, NJ B 2008, blz. 810-816.
POUDRET & BESSON, no. 304.
W.D.H. ASSER, Bewijslastverdeling, Deventer 2004, nos. 35, 44 en 45 en H.W.B. THOE SCHWARTZENBERG, Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn-Antwerpen 2008, no. 22; vgl. ook T.F.E. TJONG DIN TAI, Bewijs van de (inhoud van de) overeenkomst, NJ B 2008, blz. 810-811, die mijns inziens ten onrechte onderscheid maakt tussen (de gevolgen van) een 'rechterlijk vermoeden' en de 'voorshands bewezenverklaring', waar hij — wel terecht — aanneemt dat bij de 'voorshands bewezenverklaring' tegenbewijs moet worden geleverd dat het anders ligt dan volgens de voorshands bewezenverklaring is aangenomen, doch bij een 'rechterlijk vermoeden' — anders en ten onrechte — aanneemt dat gewoon 'bewijs (en geen tegenbewijs)' moet worden geleverd dat het vermoeden onjuist is; zie voor dezelfde kritiek H.W.B. THOE SCHWARTZENBERG, t.a.p., no. 22, noot 44.
Zie HR 19 januari 2007 (Meyer Europe/PontMeyer), NJ 2007, 575, m.nt. M.H. WISSINK in NJ 2007, 576 respectievelijk HR 29 juni 2007 (Derksen c.s./Homburg c.s.), NJ 2007, 576, m.nt. M.H. WISSINK; vgl. ook House of Lords 17 oktober 2007 (Fiona Trust/Privalov), Yearb. Comm. Arb. 2007, blz. 654-682, nos. 62-63 en de volledige tekst van de beslissing op www.parliament.uk, nos. 25-26: '25. (...). (...), where the overall purpose is clear, the parties are unlikely to linger over the words which are used to express it. 26. (...). They are unlikely to trouble themselves too much about its precise language or to wish to explore the way it has been interpreted in the numerous authorities, not all of which speak with one voice.'.
Zie daartoe bijvoorbeeld T.F.E. TJONG THN TAI, Bewijs van de (inhoud van de) overeenkomst, NJ B 2008, blz. 810-816 met referte aan literatuur en jurisprudentie en DrrrEs, Uitleg van schriftelijke contracten, blz. 11 e.v. alsmede blz. 31 e.v.
HR 19 januari 2007 (Meyer Europe/PontMeyer), NJ 2007, 575, m.nt. M.H. WISSINK in NJ 2007, 576 respectievelijk HR 29 juni 2007 (Derk,sen c.s./Homburg c.$), NJ 2007, 576, m.nt. M.H. WISSINK.
Zie daartoe wederom HR 19 januari 2007 (Meyer Europe/PontMeyer), NJ 2007, 575, m.nt. M.H. WISSINK in NJ 2007, 576 respectievelijk HR 29 juni 2007 (Derk,sen c.s./Homburg c.$), NJ 2007, 576, m.nt. M.H.
Veelal betreft de reikwijdte van de arbitrageovereenkomst de vraag of zij zich uitstrekt tot de geschillen en/of vorderingen die aan de orde zijn (10.2.2.2), tot welke overeenkomsten zij zich uitstrekt (10.2.2.3) en of zij betrekking heeft op buitencontractuele geschillen en de precontractuele fase (10.2.2.4 respectievelijk 10.2.2.5). De reikwijdte van de overeenkomst tot arbitrage kan ook zien op de vraag tot welke partijen zij zich uitstrekt (10.2.2.6). Tot slot zal ik kort stilstaan bij de aanbevolen formulering van de overeenkomst tot arbitrage (10.2.2.7). Vooraf zij nog opgemerkt dat ook de reikwijdte van de overeenkomst tot arbitrage met uitleg daarvan moeten worden vastgesteld (zie daartoe 4.2.2).
We zien wel dat wordt aangenomen dat bij de uitleg ten aanzien van de reikwijdte van de overeenkomst tot arbitrage in bepaalde omstandigheden het uitgangspunt moet zijn dat partijen geen splitsing hebben beoogd en dat zij alle uit een bepaalde (hoofd)overeenkomst voortvloeiende geschillen in arbitrage beslecht willen zien. Men duidt hierbij in het buitenland wel op de "presumption in favour of one-stop arbitration".1 De House of Lords heeft dit tot uitgangspunt genomen in de zaak Fiona Trust/Privalov, zij het wel met betrekking tot de vraag of een arbitraal beding op grond waarvan partijen alle geschillen "under this charter" en "arising out of this charter" aan arbiters moesten voorleggen zich ook uitstrekt tot het geschil of de "charters" wegens "bribery" (omkoping) ongeldig waren (zie voor de reikwijdte van het arbitraal beding op grond van dit soort algemene formuleringen ook 10.2.2.4 en 10.2.2.7; vgl. tevens 5.8.2.2 inzake de separabiliteit van de overeenkomst tot arbitrage).2 De House of Lords heeft de vraag voor de verhouding tussen "businessmen" bevestigend beantwoord, dit ondanks de terminologie van het arbitraal beding, die letterlijk genomen wellicht alleen op acties uit een bestaande of geldige "charter" duidt: "In my opinion the construction of an arbitration clause should start from the assumption that the parties, as rational business-men, are likely to have intended any dispute arising out of the relationship into which they have entered or purported to enter to be decided by the same tribunal. The clause should be construed in accordance with this presumption unless the language makes it clear that certain questions were intended to be excluded from the arbitrator's jurisdiction. As Longmore LJ remarked, at para 17: "if any businessman did want to exclude disputes about the validity of a contract, it would be comparatively easy to say so."."3 Ofschoon de toepassing van de "presumption in favour of one-stop arbitration" de uitleg betrof van de termen "under" en "arising out of" in het arbitraal beding en met name zag op de vraag of dit beding zich tevens uitstrekte tot het geschil of de "charters", waarin het arbitraal beding was opgenomen, wegens gestelde "bribery" (omkoping) überhaupt wel geldig waren, luiden de kernoverwegingen in de zojuist genoemde beslissing in algemene zin.4 Daaruit kan worden afgeleid dat dit vermoeden zich tevens laat toepassen bij bepaalde andersluidende beperkingen in het arbitraal beding.5 Overigens zij bedacht dat het vermoeden ervan uitgaat dat partijen alle geschillen met betrekking tot de rechtsbetrekking waarbij zij partij zijn aan arbitrage hebben willen onderwerpen.6
Ik moet thans de ins & outs van de uitleg van (arbitrage)overeenkomsten en de betekenis van een "presumption" volgens Engels recht buiten beschouwing laten, doch ben kort op de genoemde jurisprudentie ingegaan omdat zij op dit punt zo illustratief is en zich ook te onzent regelmatig de vraag voordoet of partijen met een beperking in de tekst van het arbitraal beding de reikwijdte daarvan daadwerkelijk hebben willen beperken.7 Ik merk wel op dat wij de Engelse jurisprudentie op dit punt moeten bezien in het licht van de voorgeschiedenis ervan. In de jurisprudentie voorafgaande aan de zojuist genoemde beslissing is nogal eens strikt onderscheid gemaakt tussen het arbitraal beding waarbij partijen geschillen "under" een bepaalde overeenkomst aan arbitrage onderwierpen en het arbitraal beding waarbij partijen geschillen "arising out of" een bepaalde overeenkomst aan arbitrage onderwierpen, en zijn geschillen over de vraag of een geldige overeenkomst bestond bijvoorbeeld buiten de reikwijdte van het arbitraal beding geoordeeld.8 De uitleg van overeenkomsten volgens Nederlands recht zal bij een onderscheid in formuleringen als zojuist genoemd, mede bezien in het licht van de separabiliteit van het arbitraal beding, niet tot te zeer op de letterlijke tekst van de formulering gerichte ongewenste resultaten leiden (zie 4.2.2 en 5.8). Ik zal daarover thans nog een aantal opmerkingen maken.
Voorzover de "presumption in favour of one-stop arbitration" kan worden vergeleken met ons bewijs(vermoeden), verdient opmerking dat ook volgens Nederlands recht op grond van een (bewijs)vermoeden kan worden aangenomen dat, als op een gegeven moment geschillen aangaande een bepaalde rechtsbetrekking rijzen, partijen hebben gewild dat deze in (één en dezelfde) arbitrage worden beslecht. Bij bepaalde ogenschijnlijke beperkingen in de tekst van een arbitraal beding waarbij partijen niet expliciet een splitsing hebben aangebracht, zal op grond van een dergelijk "alles-in-één-vermoeden" kunnen worden beslist dat partijen ook geschillen betreffende de rechtsbetrekking waarop het arbitraal beding van toepassing is buiten de letterlijke omschrijving in het arbitraal beding aan arbitrage hebben willen onderwerpen (zie daartoe 10.2.2.2-10.2.2.7). Wij bevinden ons met dit (bewijs)vermoeden overigens op het terrein van het bewijsrecht (bewijswaardering en feitenvaststelling).9 Het gaat daarbij om het bewijs van de gemeenschappelijke partijbedoeling aangaande de betekenis van het arbitraal beding. Voorzover met een bewijsvermoeden de intentie van partijen wordt vastgesteld, bestaat op dit punt geenszins strijd met de eisen die gelden voor afstand van het recht op toegang tot de bij de wet ingestelde gerechten, al zal dit recht wel tot een enigszins terughoudende opstelling op dit punt kunnen nopen (art. 6 EVRM en art. 17 Grondwet) (zie 3.2.3). Daarbij komt dat het vorenstaande uitgangspunt eerst wordt toegepast als eenmaal vaststaat dat partijen arbitrage zijn overeengekomen; het genoemde uitgangspunt betreft alleen de reikwijdte van de overeenkomst tot arbitrage.10 Voorts zal de wederpartij (met tegenbewijs) kunnen aantonen dat partijen wel degelijk een beperking hebben willen aanbrengen.11 Het "alles-in-één-vermoeden" betreft overigens niet alleen die zaken waarin bepaalde geschillen aan de orde zijn die zonder enige twijfel binnen de reikwijdte van de arbitrageovereenkomst vallen en waarin tegelijk bepaalde geschillen aan de orde zijn ten aanzien waarvan de vraag bestaat of zij binnen de reikwijdte van de arbitrageovereenkomst vallen. Zij betreft ook die zaken waarin slechts geschillen aan de orde zijn waaromtrent de vraag bestaat of de arbitrageovereenkomst zich daartoe wel uitstrekt. Het gaat immers om een vermoeden van de intentie van de partijen dat alle geschillen in arbitrage (en niet gesplitst in arbitrage en bij de gewone rechter) worden afgedaan en het maakt dan niet uit of in de zaak die aanhangig is slechts geschillen aan de orde zijn waaromtrent de genoemde vraag bestaat of de arbitrageovereenkomst zich daartoe wel uitstrekt (zie ook 10.2.2.4).
Voor de toepassing van een "alles-in-één-vermoeden" zal mijns inziens aanleiding kunnen bestaan als partijen aan de formulering van het arbitraal beding eigenlijk geen speciale zorg en aandacht hebben besteed.12 De ogenschijnlijke beperking in de tekst van het arbitraal beding duidt dan niet op de wens van partijen dat (slechts) bepaalde geschillen in arbitrage worden beslecht en resterende geschillen buiten arbitrage, doch bij de gewone rechter, worden beslecht. De beperking zal ook niet opzienbarend zijn. Overigens is het de vraag of het wel nodig is op grond van een vermoeden tot een bepaalde uitleg te komen en of men niet al op grond van uitleg overeenkomstig de daartoe geldende gewone regels en gezichtspunten tot een zelfde resultaat kan komen (zie 4.2.2).13 Indien partijen aan de formulering van het arbitraal beding wel zorg en aandacht hebben besteed, hetgeen bijvoorbeeld kan worden aangenomen als de beperking in de tekst van het arbitraal beding nogal specifiek is, kan te onzent op grond van een vermoeden juist worden aangenomen dat de letterlijke tekst van het in reikwijdte beperkte arbitraal beding de intentie van partijen weergeeft.14 Het is dan aan de wederpartij (met tegenbewijs) aan te tonen dat de letterlijke tekst niet de intentie van partijen weergeeft en dat het arbitraal beding zich ook tot bepaalde resterende geschillen uitstrekt (zie 4.2.2).15