Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/4.2.2.1
4.2.2.1 Monistische bestuursstructuur
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS383722:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser, Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 424.
Van Olffen (2012), p. 482 en (2009), p. 39-40.
Kamerstukken II 2010/11, 31 763, nr. C, p. 1.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 4.
Uitvoeringswet SE-Verordening, Stb. 2005, 150.
Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275.
Taken die niet aan een specifieke bestuurder zijn toegekend, liggen bij het bestuur in het geheel (art. 2:9 lid 1 BW). De omvang van de taak van een bestuurder hangt dus mede af van de toedeling aan zijn medebestuurders. Vindt toedeling aan een bestuurder plaats, dan krijgt die betreffende bestuurder er geen nieuwe taak bij (de taak behoorde immers al tot zijn takenpakket), maar valt deze taak door de taakverdeling buiten het takenpakket van de andere bestuurders.
Van Olffen (2012), p. 482-483.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met toezicht is gedoeld op de wijze waarop het toezicht wordt uitgeoefend door de raad van commissarissen, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 15 en nr. 6, p. 15. Het gaat dus om het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de vennootschap. In een monistische bestuursstructuur houden alle bestuurders overigens een bepaalde vorm van toezicht op elkaar. Voor een nadere uiteenzetting wordt verwezen naar Dumoulin (2012), p. 492; Asser, Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 424; Van Olffen (2009), p. 43.
Deze zienswijze vindt ondersteuning in de memorie van toelichting bij de Wet bestuur en toezicht, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 15.
De collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur moet worden onderscheiden van de aansprakelijkheid van individuele bestuurders. Op grond van art. 2:9 lid 2 BW is een bestuurder aansprakelijk voor de gevolgen van onbehoorlijk bestuur tenzij hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. Taakverdeling binnen het bestuur is daarmee een belangrijke disculpatiegrond. Dit wil niet zeggen dat een taakverdeling zonder meer tot disculpatie leidt. Dit volgt uit de woorden ‘mede gelet op’ in art. 2:9 lid 2 BW. Zie over de aansprakelijkheid van niet-uitvoerende bestuurders meer uitgebreid Strik (2012); Dumoulin (2012), p. 489-490; Wezeman (2009), p. 93-107.
Dat het bestuur zich bij de uitoefening van zijn taak dient te richten naar het belang van de vennootschap werd ook reeds voor de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht aangenomen. Vgl. Asser, Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 394.
Deze eerdere versie van de memorie van toelichting is niet als officieel kamerstuk gepubliceerd.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 4 en 20.
Schoonbrood & Klein Bronvoort (2011), p. 568-569; Dortmond (2009), p. 313.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 21; Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6, p. 28.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 21.
Kamerstukken II 2009/10, 31 763, nr. 15.
In een monistische bestuursstructuur spelen bestuur en toezicht zich binnen het bestuursorgaan af. Het bestuursorgaan bestaat uit twee soorten bestuurders: de uitvoerende bestuurders die het dagelijks bestuur uitoefenen en de niet-uitvoerende bestuurders die de hoofdlijnen van het beleid vaststellen en op het dagelijks bestuur toezicht houden.1 Wanneer binnen het bestuursorgaan een onderscheid tussen uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders ontbreekt, spreekt men wel van een normaal (monistisch) bestuursmodel.2
Lange tijd kende het Nederlandse recht geen wettelijke regeling inzake een verdeling tussen uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Strikt genomen verzette de wet zich niet tegen een dergelijk onderscheid.3 In de praktijk bestond evenwel onzekerheid over de verenigbaarheid van een dergelijke taakverdeling met de wet en in het verlengde daarvan de impact op de interne en externe aansprakelijkheid van het bestuur.4 In 2005 zag de eerste wettelijke regeling het licht met inwerkingtreding van de uitvoeringswetgeving inzake de SE-Verordening.5 Deze regeling stond niet open voor nationale vennootschappen. Met inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht per 1 januari 2013 is ook voor nationale vennootschappen de monistische bestuursstructuur in de wet verankerd.6
De Wet bestuur en toezicht heeft boek 2 BWop een aantal punten gewijzigd. Een belangrijk element is dat art. 2:129a/239a BW vennootschappen de mogelijkheid biedt bij de statuten te bepalen dat de bestuurstaken kunnen worden verdeeld over één of meer uitvoerende en één of meer niet-uitvoerende bestuursleden.7 Bij een structuurvennootschap is het maken van een dergelijk onderscheid tussen bestuurders verplicht indien de vennootschap geen raad van commissarissen wenst in te stellen (zie hierna). De daadwerkelijke taakverdeling kan in de statuten worden uitgewerkt, maar kan ook plaatsvinden in een bestuursbesluit of reglement.8 Het is niet mogelijk aan de niet-uitvoerende bestuurders de taak van toezicht9 te ontnemen. Daarnaast kan aan de uitvoerende bestuurders niet worden toebedeeld: het voorzitterschap van het bestuur, het doen van voordrachten voor de benoeming van bestuurders en de vaststelling van hun bezoldiging (art. 2:129a/239a BW). Hieruit leid ik af dat deze taken bij de niet-uitvoerende bestuurders liggen of – zoals geldt voor de vaststelling van de bezoldiging – in de statuten slechts aan de nietuitvoerende bestuurders kunnen worden toegekend.10 Bij of krachtens de statuten kan bovendien worden bepaald dat individuele bestuurders bestuursbesluiten nemen over zaken die tot hun taak behoren zonder dat andere bestuurders hoeven te worden geraadpleegd (art. 2:129a/239a lid 3 BW). De taakverdeling laat onverlet dat ook in een monistische bestuursstructuur aan het bestuur de dagelijkse leiding toekomt en de niet-uitvoerende bestuursleden verantwoordelijk zijn voor de besluiten van het bestuur (collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur).11 Naast de integratie in één vennootschappelijk orgaan, betreft deze collectieve verantwoordelijkheid een belangrijk verschil met de dualistische bestuursstructuur.
Alle bestuurders richten zich bij de vervulling van hun taak naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Sinds 1 januari 2013 is deze norm wettelijk vastgelegd (art. 2:129/239 lid 5 BW).12
Structuurregeling
Het voorontwerp bestuur en toezicht stelde de monistische structuur oorspronkelijk niet open voor structuurvennootschappen. In de daarbij behorende toelichting werd als reden genoemd dat wanneer de vennootschap een bepaalde omvang bereikt ‘er vanuit wordt gegaan dat de daarmee verbonden onderneming zozeer maatschappelijk van betekenis is dat de vrijheid van de ondernemer om de eigen structuur te kiezen, moet wijken voor het belang van de maatschappij bij goed en onafhankelijk toezicht’.13 Na afloop van de consultatieronde heeft de Minister van Justitie de monistische bestuursstructuur alsnog voor structuurvennootschappen opengesteld.Deze wijziging wordt toegelicht met de enkele mededeling dat in de consultatieronde door vrijwel alle respondenten was aangegeven dat zij een toepassing voor structuurvennootschappen wenselijk achtten.14
Art. 2:164a/274a BW biedt structuurvennootschappen de mogelijkheid bij statuten over te gaan tot een taakverdeling binnen het bestuursorgaan als alternatief voor het verplicht instellen van een raad van commissarissen. Op de niet-uitvoerende bestuursleden wordt een reeks bepalingen ten aanzien van de commissarissen van overeenkomstige toepassing verklaard (art. 2:164a/274a lid 1 BW). Het gaat om de omvang van het orgaan, de onverenigbaarheid van functies en het heenzendrecht. Daarnaast hebben de niet-uitvoerende bestuurders de bevoegdheid de uitvoerende bestuurders te benoemen (art. 164a/274a lid 2 BW) respectievelijk te schorsen en te ontslaan (art. 2:134/244 lid 1 BW). De Wet bestuur en toezicht maakt naar de letter van de wet geen onderscheid tussen het volledige en het gematigde regime. In de literatuur is wel gesteld dat de invoering van een monistische structuur bij een vennootschap met een gematigd regime tot gevolg heeft dat de algemene vergadering het recht verliest tot benoeming van de uitvoerende bestuurders.15 Dit acht ik niet juist. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat art. 2:164a/274a BW aansluit bij art. 2:162/272 BW.16 Op grond hiervan kan men aannemen dat de benoemings- en ontslagbevoegdheid slechts bij toepassing van het volledig regime bij de niet-uitvoerende bestuurders berust.
Het goedkeuringsrecht van de raad van commissarissen met betrekking tot de zogenoemde art. 164/274-besluiten (belangrijke bestuursbesluiten) is niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Hoewel deze bevoegdheid een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de structuurregeling, achtte de Minister van Justitie een dergelijk goedkeuringsrecht niet goed denkbaar in een monistische structuur.17 In het oorspronkelijke wetsontwerp was bepaald dat deze besluiten niet door één of meer bestuurders kunnen worden genomen. Dit hield in dat alleen het bestuur (als orgaan) hiertoe bevoegd was. Bij de behandeling van het wetsvoorstel werd door de Kamerleden Kalma, Van Vroonhoven-Kok en Weekers gesteld dat deze bepaling leidde tot een vermindering van de invloed van de niet-uitvoerende bestuurders op de besluitvorming. Er werd op gewezen dat de raad van commissarissen in een dualistische structuur de mogelijkheid heeft om met een meerderheid van stemmen dergelijke bestuursbesluiten tegen te houden, terwijl die bevoegdheid de nietuitvoerende bestuursleden slechts toekwam indien zij tezamen een meerderheid in het bestuur vormden.18 Naar aanleiding van een amendement van voornoemde Kamerleden is aan art. 2:164a/274a BW een vierde lid toegevoegd. Op grond hiervan vereisen art. 164/274-besluiten de goedkeuring van de meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders.