Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.2:9.2 Bepalen van de transactiewaarde bij opeenvolgende verkopen; first-sale vs. last-sale principe
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.2
9.2 Bepalen van de transactiewaarde bij opeenvolgende verkopen; first-sale vs. last-sale principe
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258795:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De douanewaarde wordt bij voorkeur vastgesteld aan de hand van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. De transactiewaarde is de werkelijk betaalde of te betalen prijs (onderdeel 7.3) voor goederen (onderdeel 7.2) die worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van het land van invoer (onderdeel 7.4). Onder het feitencomplex zoals uiteengezet in figuur 9.1 werkt dat als volgt uit. Producent XCO, gevestigd in het land van uitvoer X, verkoopt zijn goederen voor 100 geldeenheden aan handelaar YCO, gevestigd in het land van invoer Y. De douanewaarde kan aan de hand van de transactiewaarde van 100 geldeenheden worden vastgesteld.
Figuur 9.1 – Transactiewaarde bij een eenmalige verkoop.
In figuur 9.2 vinden opeenvolgende verkopen plaats. Fabrikant XCO verkoopt zijn goederen aan de in land Z gevestigde handelaar ZCO voor 100 geldeenheden. Handelaar ZCO verkoopt op haar beurt de goederen door voor 150 geldeenheden aan handelaar YCO die in het land van invoer Y is gevestigd. Nadat de goederen fysiek het douanegebied van land Y hebben bereikt, verkoopt handelaar YCO de goederen door aan de eveneens in land Y gevestigde handelaar YDP voor 200 geldeenheden. De vraag die opkomt is welke verkooptransactie leidend is voor het bepalen van de douanewaarde aan de hand van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. In dat kader kunnen twee principes worden onderscheiden die in dit hoofdstuk nader aan bod komen, namelijk het first-sale en het last-sale principe. Het first-sale principe staat toe dat de douanewaarde aan de hand van de transactiewaarde van de eerste of een eerdere verkoop wordt vastgesteld zolang deze verkoop kwalificeert als verkoop voor uitvoer. Bij toepassing van het first-sale principe heeft de importeur in het gegeven voorbeeld derhalve de keuze om de transactiewaarde aan de hand van de verkoop tussen XCO-ZCO (100 geldeenheden) of de verkoop tussen ZCO-YCO (150 geldeenheden) vast te stellen. De verkoop YCO-YDP kwalificeert niet als verkoop voor uitvoer, omdat deze verkoop pas plaatsvindt nadat de goederen fysiek het douanegebied van het land van invoer hebben bereikt en aldaar ten invoer zijn aangegeven. Ik merk daarbij op dat in de regel de verkooptransactie XCO-ZCO alleen wordt toegepast als ZCO en YCO zijn verbonden. Het toepassen van een eerdere of eerste verkoop neemt namelijk met zich dat de prijsmarge van de verkooptransactie XCO-ZCO wordt prijsgegeven aan handelaar YCO. Mochten ZCO en YCO niet zijn verbonden, dan is het minder aannemelijk dat ZCO zijn marge prijsgeeft aan YCO.
Bij toepassing van het last-sale principe wordt voor het bepalen van de douanewaarde aangesloten bij de laatste verkoop voor uitvoer. In het gegeven voorbeeld betreft dit de verkoop tussen ZCO-YCO (150 geldeenheden).
Figuur 9.2 – Transactiewaarde bij opeenvolgende verkopen.
In de CVA is niet expliciet aangegeven of de transactiewaarde overeenkomstig het first-sale of last-sale principe vastgesteld moet worden. In 2007 heeft de Technische commissie douanewaarde in Commentary 22.1 haar voorkeur uitgesproken voor het last-sale principe. Als gevolg hebben nagenoeg alle WHO-leden, voor zover zij dat niet reeds hadden gedaan, hun douanewaardestelsel afgestemd op het last-sale principe. Een aantal landen, waaronder Canada (onderdeel 9.5.3), heeft ervoor gekozen om de kwalificatie van laatste verkoop voor uitvoer afhankelijk te stellen van de vestigingsplaats van de koper. Dat betekent in beginsel dat de verkoop waarbij de koper in Canada is gevestigd, als laatste verkoop voor uitvoer wordt aangemerkt. Japan kent eveneens een dergelijk principe (onderdeel 9.5.4). Ook in de Europese Unie speelde de plaats van vestiging van de betrokken partijen een rol. De Europese Commissie had namelijk in het Guidance Document on Customs Valuation1 het concept domestic sale geïntroduceerd wat zoveel inhoud als dat een verkoop tussen een verkoper en koper die beide in de Europese Unie zijn gevestigd niet als verkoop voor uitvoer kan kwalificeren (onderdeel 9.4.4). Ik ga in de hiervoor aangehaalde onderdelen nader in op het belang van de vestigingsplaats van partijen die betrokken zijn bij de verkoop van de ingevoerde goederen. Tevens zal de vestigingsplaats van partijen een rol spelen bij mijn aanbeveling tot het introduceren van het ‘koper in EU’-concept (onderdeel 9.7).
Bij het aangaan van internationale goederentransacties is het gebruikelijk dat partijen verkooporders plaatsen. Een verkooporder is een (opdracht)verzoek van de koper aan een leverancier voorafgaand aan de feitelijke levering van goederen. Een verkooporder is in de regel geen volwaardige verkooptransactie. Derhalve is het de vraag of het kan worden aangemerkt als verkoop voor uitvoer. Deze vraag speelt in de Europese Unie en is van belang, omdat bij een bevestigend antwoord een latere schakel in de transactieketen de grondslag kan vormen voor het bepalen van de douanewaarde wat in de regel een hoger bedrag aan verschuldigde invoerrechten met zich zal brengen. Het belang kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld dat schematisch is weergegeven in figuur 9.3, waarbij goederen vanuit China rechtstreeks naar de Europese Unie worden verscheept en daar ten invoer worden aangegeven.
Figuur 9.3 – Verkooporder als verkoop voor uitvoer
Handelaar C gevestigd in Duitsland plaatst een verkooporder op 28 september 2020 bij de in Marokko gevestigde handelaar B, waarop handelaar B een verkooporder plaatst bij de in Zwitserland gevestigde handelaar A op 29 september 2020 en handelaar A bij de in China gevestigde fabrikant X op 30 september 2020. De verkooporders zijn elk geplaatst voor 20 oktober 2020; de datum van fysieke binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Europese Unie waar de goederen door handelaar B in het vrije verkeer worden gebracht. De eigendom over de goederen gaat over op de factuurdatum. De factuurdata van de verkopen tussen fabrikant X en handelaar A (1 oktober 2020) en handelaar A en handelaar B (15 oktober 2020) zijn gelegen voor de datum van fysieke binnenkomst van de goederen (20 oktober 2020). De factuurdatum van de verkooptransactie tussen handelaar B en handelaar C (30 oktober 2020) vindt plaats nadat de goederen op 20 oktober 2020 fysiek het douanegebied van de Europese Unie zijn binnengebracht. Indien de stelling wordt betrokken dat verkooporders als verkoop voor uitvoer kwalificeren, zou gesteld kunnen worden dat de verkooptransactie tussen handelaar B en handelaar C de laatste verkoop voor uitvoer vormt. Het is immers de laatste schakel in de transactieketen waar reeds voor het moment dat de goederen ten invoer worden aangegeven een verkoop heeft plaatsgevonden. In de onderdelen 9.4.5 en 9.4.5.2 wordt nader ingegaan op de behandeling van de verkooporders in het kader van het identificeren van de verkooptransactie bij opeenvolgende verkopen op welke basis de douanewaarde bepaald wordt.