Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.1
9.1 Inleiding
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258596:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder bepaalde omstandigheden kan een latere verkoop in de keten een lagere waarde vertegenwoordigen. Hierbij kan gedacht worden aan een inkoper van kleding, die zijn voorraad aan het eind van het seizoen verkoopt tegen een prijs die lager is dan zijn inkoopprijs. Ook kan het bij twee opeenvolgende verkopen tussen verbonden partijen zijn, dat de laatste verkoop een lagere waarde vertegenwoordigd bij toepassing van verrekenprijzen als basis voor de vaststelling van de douanewaarde (hoofdstuk 10).
Een andere belangrijke wijziging betreft de striktere voorwaarden voor bijtelling van royaltybetalingen. Royaltybetalingen lijken als gevolg eerder in aanmerking genomen te moeten worden bij het vaststellen van de douanewaarde. Zie in dat kader onderdeel 11.5.
Zoals in onderdeel 1.3.3 uiteengezet is het bij internationale goederentransacties gebruikelijk dat de goederen meer dan eens worden verkocht alvorens zij ten invoer worden aangegeven. De vraag is dan op basis van welke verkooptransactie de transactiewaarde bepaald moet worden. In dat kader kunnen twee principes worden onderscheiden, namelijk het first-sale principe en het last-sale principe. Bij de toepassing van het first-sale principe mag de douanewaarde worden bepaald op basis van een eerdere of eerste verkoop, terwijl bij het last-sale principe de douanewaarde wordt bepaald op basis van de laatste verkoop die plaatsvindt voordat de goederen worden ingevoerd. De toepassing van het last-sale principe heeft in de regel tot gevolg dat over een hogere transactiewaarde invoerrechten zijn verschuldigd.1 De uitwerking van het first-sale en het last-sale principe wordt aan de hand van voorbeelden in onderdeel 9.2 nader toegelicht, waarbij ook wordt ingegaan op de betekenis van de vestigingsplaats van de betrokken partijen en de reikwijdte van het begrip verkoop voor uitvoer. De vestigingsplaats en reikwijdte van het begrip verkoop voor uitvoer kunnen namelijk van betekenis zijn voor de wijze waarop het last-sale principe toegepast wordt (onderdelen 9.4.4, 9.5.3.3, 9.5.4 en 9.7).
In de CVA is niet vastgesteld op welke wijze de douanewaarde bepaald moet worden bij opeenvolgende verkopen. Uit Commentary 22.1 volgt dat de Technische commissie douanewaarde de bepalingen in de CVA zo uitlegt dat alleen de laatste verkoop voor uitvoer kwalificeert als verkoop voor uitvoer en dus de grondslag kan vormen voor het vaststellen van de transactiewaarde. In onderdeel 9.3 wordt hier nader op ingegaan. De argumenten die de Technische commissie douanewaarde aandraagt voor haar zienswijze komen aan bod in onderdeel 9.6.
In onderdeel 9.4 wordt ingegaan op de wijze waarop thans de transactiewaarde wordt bepaald bij opeenvolgende verkopen onder het DWU-wetgevingspakket. Daaruit volgt dat met de introductie van het DWU de verschuiving van het first-sale principe naar het last-sale principe één van de belangrijkste wijzigingen is geweest voor wat betreft het bepalen van de douanewaarde.2 Bij het bespreken van de uitwerking van het last-sale principe komt ook het door de Europese Commissie geïntroduceerde en inmiddels afgeschafte concept domestic sale aan bod waarmee de vestigingsplaats van partijen betekenis kreeg voor de interpretatie van het last-sale principe. Ook wordt besproken dat dit concept op gespannen voet staat met arresten van het Hof van Justitie (onderdeel 9.4.4). Met betrekking tot de reikwijdte van het begrip verkoop voor uitvoer onder het DWU wordt ook ingegaan op de betekenis van het plaatsen van verkooporders wat in de handelspraktijk zeer gebruikelijk is bij internationale goederentransacties (onderdeel 9.4.5). Tot slot wordt stilgestaan bij de juridische houdbaarheid van het last-sale principe onder het DWU-wetgevingspakket en wordt betoogd dat met de introductie van het last-sale principe in artikel 128 UDWU de Europese Commissie feitelijk haar bevoegdheden heeft overschreden (onderdeel 9.4.6.6). Wanneer het Hof van Justitie daarnaar gevraagd zou worden, zou voornoemde bepaling derhalve ongeldig moeten worden verklaard.
Daaropvolgend komt in onderdeel 9.5 aan bod hoe Australië, Canada, Japan en de Verenigde Staten de transactiewaarde bij opeenvolgende verkopen bepalen. De wijze waarop de Verenigde Staten omgaan met het bepalen van de transactiewaarde bij opeenvolgende verkopen wordt in het onderzoek besproken, omdat dit helpt bij het maken van een afweging tussen het first-sale en last-sale principe. De Verenigde Staten hebben namelijk de afschaffing van het first-sale principe naar aanleiding van de publicatie van Commentary 22.1 overwogen, maar als enige grote handelsnatie besloten om vast te houden aan het first-sale principe. Australië, Canada en Japan worden in het onderzoek betrokken, omdat zij elk op een andere wijze aansluiting hebben gezocht bij het last-sale principe wat inspiratie kan vormen voor het vormen van aanbevelingen hoe de transactiewaarde bij opeenvolgende verkopen in de Europese Unie moet worden vastgesteld (onderdeel 9.7).
In onderdeel 9.6 wordt aan de hand van evaluatie van Commentary 22.1 van de Technische commissie douanewaarde en de beschouwing van de wijze waarop diverse landen thans omspringen met het bepalen van de transactiewaarde bij opeenvolgende verkopen, geëvalueerd of voor het bepalen van de douanewaarde bij opeenvolgende verkopen aansluiting gezocht moet worden bij het first-sale of last-sale principe. Daarbij zal ik bepleiten dat er, gelet op het toetsingskader, een lichte voorkeur bestaat voor het last-sale principe.
Tot slot worden in onderdeel 9.7 aanbevelingen gedaan voor de wijze waarop het last-sale principe in het DWU-wetgevingspakket vormgegeven moet worden waarmee de volgende deelvraag wordt beantwoord:
“Op welke wijze zou de transactiewaarde bepaald moeten worden bij opeenvolgende verkopen?”
Het alternatieve systeem omvat de introductie van het ‘koper in EU’-concept. Een dergelijk concept zou in het DWU ingebed moeten worden in plaats van het UDWU om te voorkomen dat de bepaling ongeldig wordt verklaard. Artikel 128 UDWU, waarin thans het last-sale principe onder het DWU-wetgevingspakket is ingebed, is mijns inziens namelijk ongeldig (onderdeel 9.4.6.6). De uitwerking van het ‘koper in EU’-concept wordt daaropvolgend uitgewerkt aan de hand van voorbeelden die ontleend zijn aan de fiscaal operationele structuren.