Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/3.4.2.2
3.4.2.2 Rangorde bij schadeverzekeraar
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS621088:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een vergelijkbare rangorderegeling ten behoeve van de noodregeling is opgenomen in art. 3:198 lid 2 Wft. Zie hierover nader paragraaf 7.5.
Op grond van art. 2 sub k van de richtlijn vallen onder deze vorderingen uit hoofde van verzekering alle bedragen die de verzekeraar verschuldigd is aan verzekerde personen, polishouders, begunstigden en andere benadeelden die een direct vorderingsrecht hebben ten opzichte van de verzekeraar. Ook door de verzekeraar terug te betalen premies vallen onder deze definitie. De definitie is ruim, zodat ook directe vorderingen van benadeelde derden en de vorderingen van een eventueel garantiestelsel onder de reikwijdte van de definitie valt. Moss & Wessels 2006, p. 130.
Art. 10 van de richtlijn met betrekking tot de sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen heeft de lidstaten twee keuzemogelijkheden geboden voor de rangorderegeling. De eerste optie houdt in dat lidstaten kunnen bepalen dat uitsluitend verzekeringsvorderingen met voorrang kunnen worden verhaald op de activa die dienen ter dekking van de technische voorzieningen. Bij toepassing van de tweede optie geldt dat de verzekeringsvorderingen en enkele andere, specifiek genoemde vorderingen (waaronder vorderingen van werknemers van de verzekeraar) met voorrang kunnen worden verhaald op alle activa van de verzekeringsonderneming. Zie overweging 15 van de richtlijn. Deze keuzemogelijkheid blijft ook onder de Solvency II richtlijn in stand. Zie art. 275 van de richtlijn. Nederland heeft gekozen voor de tweede optie.
Kamerstukken II 1978/79, 15 612, nr. 3, p. 26.
De rangorde in het faillissement van een schadeverzekeraar wordt bepaald door art. 213m lid 2 Fw.1 Aan art. 213m Fw ligt de Europese richtlijn met betrekking tot de sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen ten grondslag. In overweging 13 van deze richtlijn is bepaald dat het lidstaten vrij staat om een rangorde aan te brengen tussen de diverse categorieën van vorderingen uit hoofde van verzekering.2 De Nederlandse wetgever heeft dit gedaan door de periodieke uitkeringen ter zake van letselschade te onderscheiden van de nietperiodieke uitkeringen, en door letselschade te onderscheiden van zaakschade.
Uit art. 213m lid 2 Fw volgt dat vorderingen uit hoofde van verzekering met betrekking tot periodieke uitkeringen ter zake van letselschade (sub a) hoger in rang staan dan met betrekking tot niet-periodieke uitkeringen ter zake van letselschade (sub e). De vorderingen uit hoofde van verzekering met betrekking tot zaaksschade (sub f) staan nog lager in de rangorde, gevolgd door vorderingen tot teruggave van onverschuldigd betaalde premies (sub g). Vóór de nietperiodieke uitkeringen ter zake van letselschade staan overigens nog vorderingen van werknemers van de verzekeraar opgenomen ter zake van pensioen en loon (sub b tot en met d).3 Deze vorderingen staan in de ogen van de wetgever samen met de periodieke uitkeringen ter zake van letselschade bovenaan in de rangorde, omdat deze vorderingen een alimentatiekarakter in zich hebben. Deze uitkeringen zijn veelal nodig om in het levensonderhoud te kunnen voorzien.4