RvdW 2024/802:Mishandeling van buitengewoon opsporingsambtenaar (art. 300 lid 1 jo. art. 304 lid 3 Sr) en belemmering van ambtelijke handeling (art. 184 lid 1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten t.a.v. innerlijke tegenstrijdigheid van bewijsvoering en opzet op mishandeling. 2. Uitdrukkelijk voorgedragen verweer strekkende tot toepassing van art. 55 lid 1 Sr, art. 358 lid 3 Sv. Was hof gehouden gemotiveerd te beslissen op beroep op strafverminderingsgrond? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden klachten niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs bewijsvoering bevat geen tegenstrijdigheid. Klacht dat hof heeft geoordeeld dat vastpakken van slachtoffer mishandeling oplevert, mist feitelijke grondslag. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt klacht niet tot cassatie. CAG: Één enkele zin in pleitnota i.h.k.v. strafmaat dat in feite sprake is van eendaadse samenloop, voldoet zonder nadere onderbouwing niet aan eisen die worden gesteld aan beroep op strafverminderingsgrond waarop o.g.v. art. 358 lid 3 Sv moet worden gerespondeerd. Volgt verwerping.