Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.5.1
2.5.5.1 Tot het maatschapsvermogen behorende goederen
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS584576:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Hof Amsterdam 1 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1464.
Vgl. HR 2 april 1976, NJ 1976/450(Modehuis Nolly I); HR 23 september 1994, NJ 1996/ 461 (Kas-Associatie/Drying). Wat betreft roerende goederen ligt het anders; zie art. 3:110 BW.
Art. 3:193 lid 1 jo. art. 4:202 lid 1 en 4:203 sub b BW.
Zie 2.4.2.2.
In deze zin ook Asser/Maeijer 5-V 1995/185, waar verschillende gevallen worden genoemd waarin de identiteit van de deelgenoten kan afwijken van de identiteit van de schuldenaren, namelijk gevallen van toe- en uittreden van vennoten.
Voor deze onttrekking lijkt notariële vastlegging niet vereist, nu het geen levering betreft.
Aldus ook Janssen 1987, p. 21; en Mohr/Meijers 2013, § 2.6, p. 49. Vgl. Asser/Maeijer5-V 1995/170, die een dergelijk beschikken over een aandeel in een goed voor onmogelijk lijkt te houden.
Art. 3:190 lid 1 BW. Zie 2.5.3.2.
Vgl. voor vermogensonttrekkingen bij een BV: Barneveld 2014, Stokkermans 2014 en Stokkermans 2015d.
Tot het maatschapsvermogen behoren de goederen die de vennoten gezamenlijk als zodanig hebben verkregen. Houden de vennoten een ten behoeve van de beroepsuitoefening gebruikt goed in gemeenschap, dan wil dat nog niet zeggen dat dit goed ook tot het maatschapsvermogen behoort. Het goed kan in eenvoudige gemeenschap aan de deelgenoten in privé toebehoren, terwijl slechts een gebruiks- of huurrecht tot het maatschapsvermogen behoort.1 Registergoederen en rechten op naam die door een vennoot op eigen naam worden verkregen gaan niet in gemeenschap aan de gezamenlijke vennoten toebehoren en blijven daarom buiten het maatschapsvermogen. Dit geldt ook als de verkrijging voor rekening van de maatschap geschiedt en/of de koopprijs vanuit het maatschapsvermogen wordt betaald.2
Verkrijging van een goed door de vennoten als zodanig kan het gevolg zijn van inbreng. Een variant hierop is dat de gezamenlijke deelgenoten in een al bestaande gemeenschap een of meer tot die gemeenschap behorende goederen bestemmen voor een maatschap die tussen hen wordt aangegaan. Zo kunnen twee broers samen een sloep hebben gekocht voor eigen gebruik. Deze behoort dan in eenvoudige gemeenschap aan hen toe. Als zij enige tijd later besluiten de sloep in maatschapsverband te gaan exploiteren, kunnen zij samen bepalen dat deze tot het maatschapsvermogen gaat behoren. De wet geeft geen vormvereisten voor een dergelijke bestemming. Ook is denkbaar dat de broers de sloep hebben geërfd. Dan behoort deze tot de nalatenschap. Ook in dit geval kunnen de broers bepalen dat zij tot het maatschapsvermogen gaat behoren en daarmee aan de nalatenschap wordt onttrokken. Schuldeisers van de nalatenschap die de onttrekking zien aankomen en daarvan benadeling verwachten, kunnen de rechter om benoeming van een onafhankelijke vereffenaar verzoeken.3 Onder omstandigheden kan de onttrekking tegenover schuldeisers van de nalatenschap een paulianeus karakter hebben of onrechtmatig zijn.
Goederen kunnen ook door gezamenlijke verkrijging onder andere titel, zoals koop, en op grond van meer bijzondere vormen van verkrijging tot het maatschapsvermogen gaan behoren. Gedacht kan worden aan verkrijging door middellijke vertegenwoordiging,4 aan zaaksvervanging en aan het ontstaan van een vordering wegens schadevergoeding die aan de gezamenlijke vennoten als zodanig toekomt. Het saldo op een ten name van de maatschap gestelde bankrekening behoort tot het maatschapsvermogen. Ook contant geld en know how kunnen tot het maatschapsvermogen behoren. In al deze gevallen kan worden gesproken van in naam van de maatschap verkregen vermogensbestanddelen. Zoals aangegeven wordt met de woorden ‘in naam van de maatschap’ gedoeld op de gezamenlijke vennoten als zodanig.5 Niet is vereist dat de maatschap als zodanig een naam heeft.
Onduidelijk is of ten aanzien van specifieke goederen bijzondere vereisten gelden. Op grond van het publiciteitsbeginsel is verdedigbaar dat registergoederen slechts dan tot een maatschapsvermogen gerekend kunnen worden, indien dat staat vermeld in een notariële akte die in de openbare registers is ingeschreven. Bij aankopen van onroerend goed in maatschap gebeurt dit in de praktijk. Uitgaande van een dergelijk voorschrift kunnen erfgenamen een tot de nalatenschap behorende onroerende zaak niet vormvrij tot maatschapsgoed maken.
Als gevolg van vennotenwissels kunnen gecompliceerde situaties ontstaan. Zijn de aandelen van de oude vennoten in enkele maatschapsgoederen bij een vennotenwissel niet mee overgegaan op de nieuwe vennoten, dan ontstaan verschillende gemeenschappen met verschillende deelgenoten die samen één afgescheiden vermogen vormen.6 Dit ligt anders voor goederen die ter gelegenheid van een vennotenwissel aan het maatschapsvermogen worden onttrokken. Stel, A/B, handelend in maatschap, verkrijgen enkele BV-aandelen. C/D treden tot de maatschap toe. De BV-aandelen worden door A/B/C/D wel tot het maatschapsvermogen gerekend, maar niet in gemeenschap tussen hen vieren gebracht. Vervolgens treden A/B uit de maatschap en spreken de vier af dat de BV-aandelen bij A/B zullen achterblijven, als onderdeel van de uittreedvergoeding waartoe A/B gerechtigd zijn. Met die ‘uitkering’ houden de BV-aandelen op tot het maatschapsvermogen te behoren.7
Ook overigens kunnen goederen door uitkering aan het maatschapsvermogen worden onttrokken. Uitkering van een goed aan vennoot A kan geschieden door partiële verdeling en levering van dat goed door de gezamenlijke vennoten aan A.8 Een andere methode is dat de overige vennoten hun aandelen leveren aan A.9 Onttrekking kan voorts het gevolg zijn van uitwinning van het aandeel van een vennoot in een tot het maatschapsvermogen behorend goed, hetgeen met instemming van de medevennoten mogelijk is.10 Uiteraard dienen bij onttrekkingen de regels in acht genomen te worden die de maatschapsovereenkomst daaraan stelt. Ook zal de onttrekking niet mogen plaatsvinden, als dit gelet op de verhaalspositie van de maatschapsschuldeisers onverantwoord is.11