Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.8.2.2
6.8.2.2 In re O’Day Corp: onredelijke prognoses
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404643:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In re O’Day Corp., 126 B.R. 370 (Bankr. D. Mass. 1991).
In re O’Day Corp., 126 B.R. 370 (Bankr. D. Mass. 1991), p. 405.
“The reasonableness of the projections employed by Funston and Jones is impugned by evidence that clearly established that they were well aware of the decrease in gross profit margin and consequent decline in EBIT prior to the LBO closing. […] In the face of such unequivocal financial information, Jones and Funston projected that, in a worst case scenario, O’Day would somehow match or exceed its best financial performance of the 1980’s.”
In re O’Day Corp., 126 B.R. 370 (Bankr. D. Mass. 1991), p. 407.
Om het onderscheid tussen redelijke en onredelijke prognoses te illustreren, verwees het Court of Appeals (3d Cir.) in haar uitspraak inzake Moody naar een eerdere uitspraak van een District Court van Massachusettes inzake O’Day Corp, waarin de prognoses ten tijde van een LBO wél als onredelijk waren gekwalificeerd.1 In deze zaak was het doelwit van de LBO twee jaar na de overname gefailleerd. Voor de LBO waren twee verschillende prognoses gemaakt: een prognose die werd aangemerkt als de meest realistische en een worst case scenario. Onder beide analyses zou de vennootschap in staat zijn om aan haar opeisbare verplichtingen te voldoen. De rechtbank stelde echter dat beide prognoses inconsistent waren met de prestaties van de vennootschap in het verleden. De geprognosticeerde kasstroom (EBIT) in the worst case scenario was nog steeds hoger dan de gemiddelde kasstroom in de vijf jaren voorafgaande aan de overname.2 Ook de winstmarge in het meest negatieve scenario lag nog steeds boven de gemiddelde winstmarge van de voorgaande jaren. Deze mismatch tussen de prognoses en historische gegevens verhield zich volgens de rechtbank buitengewoon problematisch tot het feit dat in de maanden direct voorafgaande aan de LBO zowel de omzet als de winstmarge juist terugliepen en dat het bestuur daarvan op de hoogte was. Daarnaast was bekend dat er problemen waren met het personeel en dat de productiekosten opliepen.3 De rechtbank oordeelde in In re O’Day Corp daarom dat de prognoses onredelijk waren:
“It is illusory at best to justify a “worst case” projection by comparing it with two of O’Day’s finest years of the decade in terms of earnings. It does not appear to be reasonable, much less conservative, to generate projections, that, in a “worst case” scenario, employ earnings assumptions that greatly exceed the actual average experienced over the period of reference. The Court finds, therefore, that the earnings assumptions upon which Jones and Funston based their projections were unreasonable and, as a result, the projections themselves were unreasonable.”4