Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.3
9.3 De wettelijke vereisten van art. 2:347 BW
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381848:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Heijden/Dortmond, Handboek (2013), nr. 362.
Zie SER-Advies 1989/21, p. 12.
SER-advies 1989/21, p. 12.
SER-advies 1989/21, p. 12-13.
Dit betekent volgens de SER dat “de vakorganisatie zich als zodanig moet hebben gemanifesteerd tegenover de rechtspersoon die de onderneming in stand houdt dan wel tegenover de ondernemers of organisatie(s) van ondernemers in de bedrijfstak.” Zie SER-advies 1989/21, p. 12.
Van der Heijden/Dortmond, Handboek (2013), nr. 362.
SER-advies 1988/14, p. 67.
Zaal (2009), p. 50 en voetnoot 47, waarin Zaal vermeldt dat Frans de Beer dit verklaarde op de bijeenkomst van de Vereniging Corporate Litigation van 10 mei 2007. Bij de beschikking van de OK op 3 mei 2007 (JOR 2007/143) inzake de verkoop van de LaSallle Bank aan de Bank of America waren de vakbonden inderdaad niet betrokken. Op 2 augustus 2007 volgt een tweede zitting en dient het enquêteverzoek van de aandeelhouders naar de overnameperikelen. Nu voegen vier vakbonden, waaronder FNV Bondgenoten, zich wel als belanghebbenden in de procedure. Zie OK 17 april 2008, JOR 2008/157 (ABN AMRO).
OK 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco FernÁndez (Stork). Zie over de organisatiegraad bij Stork: Van Slooten (2007).
Een vakbond moet aan bepaalde vereisten voldoen om enquêtebevoegd te zijn. Deze vereisten zijn ontleend aan de WOR.1 Op grond van art. 2:347 BW moet een vereniging van werknemers in de onderneming van een rechtspersoon werkzame personen onder haar leden tellen. In zijn advies 1989/21 besteedt de SER aandacht aan de betekenis van de woorden ‘in de onderneming’ en ‘werkzame personen’. De SER meent dat in enquêteverband onder onderneming eenvoudig is te verstaan de onderneming die de rechtspersoon of rechtspersonen, naar wiens beleid de enquête wordt verzocht, in stand houdt. Het daarvoor aangetrokken personeel is werkzaam in die onderneming. De SER merkt hierbij op dat het begrip ‘onderneming’ niet noodzakelijk samenvalt met begrip onderneming zoals bedoeld in art. 1 onder c WOR.2 Niet van belang is voorts op grond van welke overeenkomst de vakbondsleden werkzaam zijn in de onderneming en evenmin met wie de overeenkomst is gesloten. Het zal in de regel gaan om arbeidsovereenkomsten gesloten met de rechtspersoon die de onderneming in stand houdt, maar nodig is dat niet. Het is voldoende dat de leden hun werkzaamheden verrichten in de onderneming. Daarbij gaat het om een feitelijke werkzaamheid van een zekere duurzaamheid.3 Wel moet er sprake zijn van het verrichten van werkzaamheden ‘in de onderneming’ van de rechtspersoon. Dit is meer dan enkel het verrichten van werkzaamheden ‘voor’ of ‘ten behoeve van’ een onderneming. Zo is personeel dat in dienst is van een rechtspersoon wiens onderneming bestaat uit het aannemen van opdrachten van derden, alleen werkzaam in de onderneming van die rechtspersoon, en niet in die van de opdrachtgever.4
Art. 2:347 BW vereist voorts dat de vereniging tenminste twee jaren volledige rechtsbevoegdheid heeft. Een vereniging die niet of nauwelijks heeft geopereerd als vakbond komt anders al snel het enquêterecht toe. Van volledige rechtsbevoegdheid is sprake als de statuten van de vereniging zijn opgenomen in een notariële akte (art. 2:26 BW, 2:27 BW en 2:30 BW). Daarnaast moet de vereniging zich mede ten doel stellen de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de bedrijfstak of onderneming werkzaam zijn.5 Een personeelsvereniging beschikt derhalve niet over de enquêtebevoegdheid.6 Weliswaar kan een personeelsvereniging rechtsbevoegdheid toekomen, maar zal niet als zodanig (als ware een vakbond) werkzaam zijn in de bedrijfstak of onderneming.
De enquêtebevoegdheid van de vakorganisaties is niet afhankelijk van een bepaald minimumaantal leden dat in de betrokken onderneming werkzaam is.7 Een strikte lezing van art. 2:347 BW zou enkel kunnen meebrengen dat een vakbond minimaal twee leden heeft die werkzaam zijn in de onderneming van de te onderzoeken rechtspersoon. Het artikel spreekt over ‘werkzame personen’. In de rechtspraak is het aantal leden dat werkzaam moet zijn in de onderneming van de betrokken rechtspersoon nimmer aan de orde geweest. Het is de vraag of er niet een minimumaantal vakbondsleden moet zijn om een enquête te rechtvaardigen. Voor de enquêtebevoegdheid van de aandeelhouders en certificaathouders geldt om die reden een immers een kapitaalseis. De ratio van die kapitaalseis is dat slechts aandeelhouders of certificaathouders met een substantieel belang in de vennootschap een enquête kunnen verzoeken. Anders dan bij de factor kapitaal heeft de Commissie Verdam het enquêterecht niet toegekend aan individuele werknemers, maar aan een werknemersvertegenwoordigende instantie. Zoals ik in § 9.2.2 schrijf, lijkt het de Commissie Verdam niet wenselijk de enquêtebevoegdheid aan individuele werknemers toe te kennen aangezien zij daartoe niet vrij genoeg tegenover de leiding van de onderneming staan en een zo ruime bevoegdheid aanleiding tot misbruik kan geven. De enquêtebevoegdheid is aldus aan de vakbonden toegekend, omdat zij zelfstandiger tegenover de leiding van de onderneming staan en, naar ik meen, eenvoudiger afstand kunnen nemen van de aangelegenheden die spelen binnen de onderneming. Het is dan ook de vakbond die de afweging moet maken of zij het enquêterecht wil inzetten wanneer slechts enkele leden werkzaam zijn bij de betrokken rechtspersoon. Het hanteren van een relatieve drempel voor de enquêtebevoegdheid van vakbonden, zoals bij kapitaalverschaffers, lijkt mij overigens ook niet werkbaar. De organisatiegraad van werknemers is in veel sectoren dermate laag dat de toepassing van een dergelijke drempel de enquêtebevoegdheid van vakbonden al gauw uitschakelt. In de praktijk lijken vakbonden bovendien niet snel geneigd om een enquêteprocedure te starten bij een vennootschap waarin zij weinig leden hebben. Zo was de organisatiegraad in geval van ABN AMRO een van de redenen voor FNV Bondgenoten om zich niet te voegen in de procedure.8 Daarentegen was de organisatiegraad van 40% onder de Stork-werknemers voor FNV wel voldoende om actie te ondernemen en zich te voegen in de enquêteprocedure bij Stork.9