Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/2.2.3:2.2.3 Beperking van het gebruik
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/2.2.3
2.2.3 Beperking van het gebruik
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS614946:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Van der Woude 1996, p. 558, kan dit gebruiksrecht voor derden ook wel opgevat worden als een soort 'wettelijke gedoogplicht' voor de eigenaar welke bestaat zolang de eigenaar geen belang heeft zich tegen het gebruik van de ondergrond door derden te verzetten.
Ploeger 2007a, p. 40 e.v.
Parl.Gesch. Boek 5, p. 128.
Stb. 2002, 542.
Klaasse (1999, p. 77) heeft de mogelijke registratie van genoemde feitelijke beperkingen beschreven.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de in artikel 5:1 BW genoemde beperkingen van de eigendom is in artikel 5:21 BW de beperking van het gebruik van de (grond)eigendom geregeld. Volgens voornoemd artikel behoort de ruimte boven de oppervlakte van het perceel niet tot de eigendom van de grondeigenaar. De grondeigenaar heeft in plaats van een eigendomsrecht een exclusieve gebruiksbevoegdheid van de ruimte boven het oppervlak. In het genot van de ruimte boven de grond mag de grondeigenaar in principe niet door derden worden gestoord, maar dit genot is begrensd. Met betrekking tot de ondergrond geldt in beginsel hetzelfde. Hoewel artikel 5:20 BW stelt dat de eigendom van de grond de daaronder bevindende aardlagen omvat, begrenst artikel 5:21 BW dit door te stellen dat dit alleen betrekking heeft op die aardlagen waarbij de eigenaar een belang heeft. Derden mogen de ruimte onder de grond gebruiken voor zover de grondeigenaar geen belang heeft zich tegen een zodanig gebruik te verzetten.1 Hoe hoog boven of hoe diep onder de grond een derde de betreffende ruimte mag gebruiken en dus het eigendomsrecht van de grondeigenaar feitelijk wordt begrensd, is niet nader verduidelijkt. Er bestaat niet zoiets als een algemeen diepte- (of: hoogte)criterium. Wat dus in concreto de 'begrensde' afstanden zijn, zal van de feitelijke omstandigheden afhangen,2 bijvoorbeeld van de aard van de grond: agrarische grond of bouwgrond,3 of van de aard van het belang van de eigenaar om derden op een bepaalde hoogte of diepte te weren.
Op het voorgaande wordt in de Mijnwetgeving min of meer een uitzondering gemaakt. In de huidige Mijnbouwwet,4 maar ook in de daaraan voorafgaande Mijnwetten van 1791 en 1810, is een soort van dieptecriterium genoemd. In artikel 2 Mijnbouwwet is vastgelegd dat de wet betrekking heeft op het winnen van delfstoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte en op aardwarmte voor zover de aardwarmte aanwezig is op meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem. De Staat is op grond van deze wetgeving eigenaar van de delfstoffen die op een diepte van meer dan 100 meter aanwezig zijn (artikelen 2, tweede lid en 3, eerste lid). In het tweede lid van artikel 3 van de Mijnbouwwet is vastgelegd dat de Staat door verlening van een vergunning (concessie) de eigendom van de delfstoffen, door winning, laat overgaan op de vergunninghouder. De eigenaar van de bovengrond wordt in zijn hoedanigheid derhalve niet geacht de eigenaar te zijn van de delfstoffen die op de genoemde diepte in de grond zitten of door delving aan de oppervlakte komen.
Behalve wettelijke beperkingen van het gebruik van de eigendom zijn er ook feitelijke beperkingen waarbij het gebruik van de grond beperkt wordt door een bestaand feit of een al voorgevallen omstandigheid, zoals bodemvervuiling, een verlaten boorwerk (een ijzeren pijp die voor gas- of olieboringen is gebruikt), bommen (blindgangers) of ondergrondse olietanks.5