Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/2.6.4
2.6.4 Recente ontwikkelingen
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS306154:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
RMO-advies 32, 'Toegang tot recht', Den Haag 2004.
J.M. Barendrecht, Y.P. Kamminga e.a., Toegang tot recht: de lasten van een uitweg (2005).
Barendrecht, Kamminga e.a. (2005), p. 57 en 64.
Zo menen Bauw en Hartendorp (2005), p. 2304-2308, dat het door het kabinet voorgestane grotere beroep op buitengerechtelijke vormen van geschilbeslechting vanwege - in het kort lagere kosten en hogere snelheid, niet goed onderbouwd is, en dat de verschillen met de traditionele rechtspraak (i.h.b. door de kantonrechter in consumentenzaken) minder zwart-wit zijn dan wordt voorgesteld. Kuijpers (2006), p. 978-979, zelf directeur van de Stichting Geschillencommissie voor Consumentenzaken (SGC), meent dat zijn organisatie toch wel degelijk een voorsprong heeft en gezien moet worden als de Small Claims-instantie op het gebied van consumentengeschillen.
Drion preludeerde al in NJ B 2006, 1671, p. 2167, 'De advocaat tussen professie en profijt', op een groter engagement van de commerciële advocatuur. Discussie volgde in NJ B 2006, 1816, p. 2362 e.v.
Zie de actualiteitenrubriek Nieuwe Code voor nieuwe leemte, in Adv.bl. 2007, p. 206 (20 april).
Dat is ongeveer de helft van de bevolking. Het gemiddelde advocatentarief voor betalende cliënten beloopt E 219, ex BTW (20%) en bureaukosten (5 á 6%).
Eind 2004 is de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) gekomen met een rapport, getiteld 'Toegang tot Recht'.1 Het rapport gaat over de vraag hoe burgers omgaan met juridische conflicten. In het rapport doet de RMO aanbevelingen om de toegang tot het recht te verbeteren. Het rapport is gebaseerd op onderzoek door een groep Tilburgse onderzoekers van het Centrum voor Aansprakelijkheidsrecht (Schoordijk Instituut), die hun bevindingen later - in januari 2005 - hebben gepubliceerd.2 Daarin komt een schat aan informatie naar boven omtrent (onder meer) de lasten die de burger ondervindt als hij toegang tot recht wil verkrijgen, en in het bijzonder toegang tot een neutrale bindende interventie door een neutrale derde als een rechter. Het gaat daarbij niet alleen om materiële lasten ('de prijs') van rechtshulp en procedures, maar ook om immateriële lasten daarvan, zoals de knelpunten bij het vergaren van informatie, het vinden van hulp en begeleiding in het oerwoud van het aanbod aan juridische hulpverleners, en de ondoorzichtigheid (of: ontoegankelijkheid) van procedures alsmede de eventuele emotionele belasting daarvan.
Het beeld dat naar voren komt, omtrent hetgeen ik eerder heb aangeduid als de interne en externe toegankelijkheid rondom de procedure bij de (burgerlijke) rechter, is nu niet bepaald florissant te noemen. Er worden tal van voorbeelden gegeven waarbij de procedure bij de (kanton)rechter als formalistisch, ingewikkeld en kostbaar wordt ervaren; letselschadezaken lijken wat dat betreft de kroon te spannen.3 De RMO doet aanbevelingen om de toegang tot het recht te verbeteren, waarvan er vele door het kabinet worden onderschreven. Het kabinet wil vooral en in de eerste plaats dat er nadere studie wordt gedaan naar rechtshulpvoorzieningen en de functie, besturing en mogelijke alternatieven voor het huidige stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Daarnaast zou een verkenning moeten plaatsvinden van de mogelijkheden van een verdergaande vorm van laagdrempelige neutrale interventie bij juridische conflicten, zoals 'small claim courts' en de 'geschillenboer'.
Op zich is het een goede zaak dat de traditionele rechter de concurrentiestrijd moet aanbinden met alternatieve geschillenbeslechters. Diverse vergelijkingen worden in de literatuur al gemaakt, waarbij snelheid, kosten, deskundigheid en dergelijke naast elkaar worden gelegd.4 Het noopt de civiele rechter tot nadere reflectie ten aanzien van zijn eigen functioneren.
Recentelijk is vanuit de advocatuur zelf een initiatief ontwikkeld om wat te doen aan de - ondanks alle (voor)genomen maatregelen - persisterende leemte in de rechtshulp. Ik doel op de door C.E. Drion ontworpen 'Code Bevordering Effectieve Toegang tot de Rechtsbedeling' waarin geregeld wordt de toezegging van (grotere) advocatenkantoren om in sommige gevallen specialistische diensten aan te bieden aan andere (kleinere) kantoren die betaalbare diensten willen leveren aan de grote groep van met name particulieren en kleine bedrijven die tussen wal en schip vallen (dat wil zeggen niet in aanmerking komen voor gefinancierde rechtshulp), om voorts in bepaalde gevallen hun eigen specialistische kennis tegen lagere tarieven aan te bieden en ten slotte bij te dragen aan een door de Orde van Advocaten te beheren Fonds voor rechtsbedeling.5 Deze 'Code van Drion' wordt breed gedragen, doch is - opmerkelijk en mijns inziens op niet houdbare gronden - bepaald lauw ontvangen door enkele exponenten van de 'groten'.6
In de 'slipstream' van Drion heeft het kabinet in het voorjaar van 2007 aangekondigd met de Orde van Advocaten te gaan overleggen over de opzet van een no win no fee-stelsel (een afgezwakte vorm van, en niet te verwarren met, de - verboden - no cure no pay), waarbij cliënten met hun advocaat kunnen afspreken dat een verloren zaak tot een lagere rekening zal leiden. Minister Hirsch Ballin zegt hiermee vooral de burger te willen helpen die niet in aanmerking komt voor een gesubsidieerde advocaat.7 Een betaalbare advocaat is inderdaad essentieel. Een beroepsgroep die niet voor iedereen de toegang tot het recht (en de rechter) kan verwezenlijken, is het procesmonopolie niet waard. Zie over dit laatste onderwerp ook hieronder onder par. 2.7.1.1.