Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.4.2.1
10.4.2.1 Rangwisseling ter bescherming van leveranciers
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS418338:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Verheul adviseert de verkoper onder eigendomsvoorbehoud om de koper slechts toestemming te geven om door te verkopen indien deze een eersterangs pandrecht vestigt op de koopprijsvordering ten behoeve van de verkoper onder eigendomsvoorbehoud. Zie: Verheul 2014, p. 141.
Vgl. de zakelijke subrogatie in het Belgische recht. Zie: Sagaert 2003, nr. 179; Koolhoven, ‘Het eigendomsvoorbehoud in België: de leverancier gesterkt’, TvI 2014/15 en Del Corral & Geurts 2014, p. 261.
Het UCC kent echter de mogelijkheid van tracing waardoor de verkoper onder eigendomsvoorbehoud voorrang blijft behouden. Zie: §9-315 UCC. Vgl. Hamwijk 2014, p. 181. Vgl. Sagaert 2003, nr. 381 en 784 e.v.
HR 17-02-1995, NJ 1996/471 (Mulder q.q./CLBN).
Faber acht verrekening niet mogelijk. Zie: Faber 2005, §352.
Het knelpunt is er in gelegen dat de leverancier onder eigendomsvoorbehoud geen (eersterangs) zekerheidsrecht krijgt op de vorderingen die voortvloeien uit de vervreemding van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde en daarna weer verkochte zaken. Zelfs als de verkoper onder eigendomsvoorbehoud de vorderingen bij voorbaat aan zich laat verpanden, kan hij er op rekenen dat hij in rang achter staat bij de bank die dagelijks alle vorderingen bij voorbaat aan zich laat verpanden.1
Een mogelijke oplossing voor dit probleem zou zijn om de wet te wijzigen en de zaaksvervanging van artikel 3:229 BW ook toe te passen op vorderingen die ontstaan als gevolg van een verkoop.2 Als gevolg hiervan zou het pandrecht van de verkoper onder eigendomsvoorbehoud een hogere rang hebben dan het bij voorbaat gevestigde pandrecht van de bank. Zowel het UCC als het DCFR kent deze constructie.3
Een rangwisseling tussen de bank en de verkoper onder eigendomsvoorbehoud ten gunste van de laatste lijkt rechtvaardig, maar de praktische waarde is mogelijk gering. Indien de verkoper onder eigendomsvoorbehoud het hoogstgerangschikte stille pandrecht krijgt en de bank het lager gerangschikte stille pandrecht, blijft de inningsbevoegdheid aanvankelijk bij de koper onder eigendomsvoorbehoud. De vorderingen die de zekerheidsgever int, zullen tenietgaan en daarmee ook de stille pandrechten.4 De meeste schuldenaren zullen echter op de rekening-courant van de zekerheidsgever bij de bank betalen waardoor de ontvangen vorderingen van rechtwege worden verrekend met de vorderingen van de bank op de zekerheidsgever. Dit voordeel heeft de leverancier niet, waardoor hij buiten faillissement van de schuldenaar de vorderingen openbaar aan zich moet laten verpanden. In faillissement mag de bank op de rekening van de zekerheidsgever ontvangen betalingen verrekenen, mits het om betalingen gaat van vorderingen die aan de bank waren verpand.5 De bank mag dit mogelijk niet als zij (door de rangwisseling met de leverancier) een lager gerangschikte pandrecht heeft of mogelijk slechts tot het bedrag dat over zou blijven als de hoger gerangschikte schuldeiser zich op de vordering had verhaald.6 Het deel van de betaling die de bank heeft ontvangen en niet mag verrekenen, moet zij afdragen aan de curator. De verkoper onder eigendomsvoorbehoud die voor de betaling nog een eersterangs pandrecht op de vordering had, houdt nu slechts voorrang over. Indien het faillissement bij gebrek aan baten wordt opgeheven, staat de leverancier alsnog met lege handen ondanks de rangwisseling.