De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.3.2:3.2 Enquêterecht in concernverhoudingen
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.3.2
3.2 Enquêterecht in concernverhoudingen
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS385221:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies Aanvullend advies wijziging enquêterecht, 17 november 1989, nr. 21 (‘SER-advies Concernverhoudingen’).
SER-advies Concernverhoudingen, p. 7.
SER-advies Concernverhoudingen, p. 12.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3, p. 10.
Deze leer is door de Hoge Raad bevestigd in HR 4 februari 2005, NJ 2005, 127 (Landis). Dit thema zal later in dit onderzoek aan de orde komen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zijn advies uit 19891 is de SER ingegaan op problemen die in concernverhoudingen spelen. Hierin kwam naar voren hoe het enquêterecht werkt in de situatie waarbij werknemers in dienst zijn van een personeels-bv en getwijfeld moet worden aan de juistheid van het beleid bij een van de werkmaatschappijen. Voorts werd de situatie besproken waarin het beleid van de dochtervennootschap in sterke mate wordt bepaald door de moedervennootschap. De SER nam tot uitgangspunt dat de Ondernemingskamer alleen bij de rechtspersoon waaromtrent bevoegdelijk een enquête is verzocht een onderzoek zou kunnen gelasten. De SER constateerde dat de Ondernemingskamer zelf van een ruimere opvatting leek uit te gaan. Bovendien accepteerde de SER dat het beleid van de algemene vergadering mede onderwerp was van de enquête; in die zin was het beleid van de moedervennootschap dus al in de enquête betrokken. Vanuit dat uitgangspunt adviseerde de SER dat, ook wanneer werknemers in dienst zijn van een personeels-bv, de vakorganisaties de bevoegdheid hebben om een enquête te verzoeken naar zowel het beleid van de personeels-bv als van de relevante werkmaatschappijen waar zij in dienst zijn.2 De juistheid van deze interpretatie is later in de parlementaire geschiedenis bevestigd.3
Voor de concernenquête signaleerde de SER dat er onbevredigende situaties zouden kunnen ontstaan daar waar de vakorganisaties geen leden hebben bij de moedervennootschappen en aldaar geen enquête zouden kunnen verzoeken. Die situaties zouden zich vooral kunnen voordoen in gevallen waarin de moedervennootschap een dusdanig dominerende invloed uitoefent op de dochtervennootschap dat deze daardoor feitelijk in een positie van nagenoeg volledige afhankelijkheid van de moedervennootschap verkeert. Wanneer de moeder in die gevallen niet haar verantwoordelijkheden nakomt, zou het voortbestaan van de dochter en daarmee de werkgelegenheid van haar werknemers in gevaar kunnen komen. Een wetswijziging was volgens de SER niet nodig. Hier vond de SER voldoende mogelijkheden aanwezig om de rechter langs de band van het enquêterecht te laten concluderen dat de moeder zelf tezamen met de dochter de betrokken onderneming in stand hield.4 De juistheid van deze interpretatie is eveneens in de parlementaire geschiedenis bevestigd.5 Deze is bovendien door de wetgever verduidelijkt met een voorbeeld waarin een concernenquête in de ogen van de wetgever zonder meer gerechtvaardigd zou zijn. Dit zou zich voordoen in een situatie waarbij werkmaatschappijen door de moedermaatschappij in feite worden opgeheven doordat financiële en economische steun hun wordt onthouden. Dat betekent dat de wetgever de mogelijkheid tot een door de Ondernemingskamer te gelasten concernenquête uitdrukkelijk heeft willen sanctioneren.6