Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/2.2.2
2.2.2 De ‘contouren’ van de democratie
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947846:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover ook Kamerstukken II 1976/77, 14225, nr. 3, p. 3.
Burkens e.a. 2022, p. 217-218.
Zie Jeukens 1975, p. 137; Van Velzen 1982, p. 131; Burkens e.a. 2022, p. 226-228; Kamerstukken II 2015/16, 34516, nr. 3, p. 5-6.
Van der Wal 1992, p. 100.
Kamerstukken II 2015/16, 34516, nr. 3, p. 7. De gesuggereerde deelelementen die in de algemene bepaling opgenomen zouden kunnen worden, hadden overigens vaak eerder betrekking op de rechtsstaat dan op de democratie. Zie Kamerstukken I 2013/14, 31570, I, p. 5-6.
Zie hierover Kamerstukken II 1980/81, 16035, nr. 11, p. 2.
Bovend’Eert, in: T&C Grondwet en Statuut 2023, art. 42 Gw, aant. 7.
Adams & Leenknegt 2015; Sillen 2011.
Kamerstukken II 2015/16, 34516, nr. 4, p. 4, 9.
Zie ook Stremler 2018; Sap 2014.
De Algemene bepaling moet de contouren aangeven waarbinnen de Grondwet begrepen moet worden.1 Daarmee dient de vraag zich aan waaruit de contouren van de democratie bestaan. In de toelichting bij de Algemene bepaling heeft de regering aangegeven dat met de grondwetswijziging niet wordt beoogd om verandering te brengen in ‘het genuanceerde samenstel van regels die ons constitutionele stelsel vormen’, zodat hetgeen in de toelichting bij het wetsvoorstel wordt opgemerkt over de Nederlandse democratie een zuiver beschrijvend karakter heeft.2 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel noemt de regering enkele kernaspecten van het grondwettelijke democratiebegrip. Zij wijst in dat kader op een viertal, met elkaar samenhangende punten:
Een democratie waarborgt de mogelijkheid van participatie van burgers in het politieke proces;
In een democratie is de uitvoerende macht verantwoording schuldig aan vertegenwoordigende colleges;
Een democratie vereist de aanwezigheid van actief en passief kiesrecht;
Een democratie vereist de aanwezigheid van andere grondrechten om pluralisme te garanderen.3
Het tweede element, de verantwoordingsrelatie tussen de uitvoerende macht en de vertegenwoordigende colleges, is voor deze dissertatie weinig relevant. Daarover kan in het kort het volgende worden opgemerkt. De verantwoordingsrelatie tussen de uitvoerende macht en de volksvertegenwoordiging wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van controlemechanismen waar de volksvertegenwoordiging zich tegenover de regering van kan bedienen. In dat kader noemt de memorie van toelichting de openbaarheid van vergaderingen van de Staten-Generaal (artikel 66 Gw) en de politieke ministeriële verantwoordelijkheid, die haar grondslag vindt in artikel 42 Gw. Die politieke verantwoordelijkheid normeerde oorspronkelijk de verhouding van de ministers tot de (onschendbare) Koning, maar vormt nu de basis van de controle op het bestuur door de volksvertegenwoordiging. In het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid kan overigens ook gewezen worden op de ministeriële inlichtingenplicht (artikel 68 Gw), die de regering in de memorie van toelichting echter niet expliciet noemt.4
Relevanter voor dit onderzoek zijn de overige elementen van het democratiebegrip die de regering in de memorie van toelichting noemt. De democratie waarborgt, aldus de regering, ‘de mogelijkheid van participatie van burgers in het politieke proces’. Een democratie vereist dat burgers, of de organen die hen vertegenwoordigen, betrokken worden bij het vaststellen van de regels waaraan zij zelf vervolgens worden gebonden.5 Die betrokkenheid van de burgers wordt allereerst bewerkstelligd door de mogelijkheid tot het uitoefenen van het kiesrecht (artikel 4 Gw). Burgers kiezen de leden van het parlement, die hen vervolgens vertegenwoordigen. Daarnaast omvat artikel 4 Gw ook het recht om tot lid van het parlement gekozen te worden. Ook daarin komt tot uitdrukking dat burgers betrokken worden bij het vaststellen van de regels waaraan zij zelf onderworpen zijn. Het parlement beschikt, samen met de regering, immers over wetgevende bevoegdheid (artikel 81 Gw en verder). Invloed van de burgers op het vaststellen van regels blijkt in de Grondwet dan ook uit alle voorschriften die de vaststelling van een wet vereisen. Voorbeelden zijn de (uitdrukkelijke) goedkeuring van verdragen (artikel 91 Gw), het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel (artikel 16 Gw) en de beperkingsclausules van de grondwettelijke grondrechten, die ervoor zorgen dat de burgers zelf worden betrokken bij het vaststellen van de voorschriften die hun individuele vrijheden inperken. Deze betrokkenheid van de burger bij het tot stand brengen van wet- en regelgeving vormt een belangrijke voorwaarde voor het verschaffen van legitimiteit aan het overheidsgezag. Die legitimiteit is er niet slechts in gelegen dat burgers het overheidsgezag feitelijk aanvaarden, maar vereist in aanvulling daarop vrijwillige instemming met het geldende gezag.6 Het verschaffen van actief en passief kiesrecht vormt daarvoor een kernvoorwaarde.
Voor het proces van politieke wilsvorming is daarnaast een aantal andere grondrechten van belang. Het gaat daarbij in het bijzonder om de door de regering genoemde vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Gw), de verenigingsvrijheid (artikel 8 Gw) en de vrijheid van vergadering en betoging (artikel 9 Gw).7 Daarbij komt ook het belang van pluralisme in beeld. Dit pluralisme is zowel feitelijk als normatief van aard.8 Het feitelijke aspect is erin gelegen dat op een bepaald grondgebied – in dit geval het Nederlandse – nu eenmaal groepen samenleven die over tal van onderwerpen sterk van mening verschillen. Het normatieve aspect brengt met zich dat, om vreedzaam met elkaar te kunnen samenleven, al deze verschillende opvattingen tot uitdrukking moeten kunnen komen. De democratie is erbij gebaat dat onderlinge diversiteit en de verscheidenheid aan maatschappelijke opvattingen hun weg naar buiten kunnen vinden. Burgers moeten kennis kunnen nemen van elkaars opvattingen en met elkaar in discussie kunnen treden om tot overeenstemming te kunnen komen. Grondrechten zijn hiervoor het middel bij uitstek. Zij zorgen ervoor dat burgers geconfronteerd worden met andere opvattingen dan die van henzelf, opvattingen die tot nadenken stemmen of waarmee zij het simpelweg oneens zijn.
Terughoudendheid
De tekst van de Algemene bepaling maakt, in overeenstemming met het van oudsher sobere karakter van de Nederlandse Grondwet, geen melding van de deelelementen van het democratieprincipe.9 Ook in de toelichting bij de bepaling blijft de verdere uitleg van het democratiebegrip tot een minimum beperkt. Voor de terughoudendheid bij het definiëren van ‘de democratie’ zijn twee redenen te bedenken. Allereerst wordt de mogelijkheid om een meer uitputtende definitie te geven noodzakelijkerwijs ingeperkt door de beperkte strekking de bepaling. De Algemene bepaling richt zich immers slechts op de democratische aspecten die een grondwettelijke grondslag hebben. ‘Democratie’ is echter niet slechts een grondwettelijk begrip, maar krijgt ook (en juist) gestalte in de staatkundige praktijk. Het open en sobere karakter van de Grondwet maakt mogelijk dat het constitutionele bestel in belangrijke mate wordt vormgegeven buiten de Grondwet. Een voorbeeld betreft de (ongeschreven) vertrouwensregel, op grond waarvan een minister of staatssecretaris die het vertrouwen van een der Kamers verliest, zijn ontslag moet aanbieden aan de Koning.10 De vertrouwensregel staat daarmee in nauwe relatie tot de ministeriële verantwoordelijkheid, die wel wordt vermeld in de toelichting bij de Algemene bepaling, maar kan daarnaast ook gelden in situaties waarin de minister of staatssecretaris wel aan zijn verantwoordingsplicht heeft voldaan.11 De vertrouwensregel is ontegenzeggelijk een belangrijke democratische spelregel, maar omdat hij niet de Grondwet vermeld staat, strekt de Algemene bepaling zich daar niet toe uit. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de rol van politieke partijen (waarover meer in hoofdstuk 5). Hun functie in de democratie is onbetwist, maar niettemin worden zij door de Algemene bepaling niet beschermd, omdat zij niet in de Grondwet genoemd staan.
Over de tweede reden om terughoudendheid te betrachten bij het duiden van het democratiebegrip laat de regering in de memorie van toelichting geen twijfel bestaan. Het definiëren van ‘de democratie’ betreft gedeeltelijk een vraagstuk van politieke aard. Het is, tot op zekere hoogte, aan de formele wetgever om invulling aan het begrip te geven, waardoor de op enig moment gangbare uitleg aan verandering onderhevig kan raken. Een door de grondwetgever in steen gebeitelde definitie van het democratiebegrip zou aan dergelijke veranderingen in de weg staan. Volgens de memorie van toelichting beoogt het wetsvoorstel dan ook om ‘de ruimte voor verschillende invullingen van de beginselen democratie en rechtsstaat nadrukkelijk open te laten en daarmee onderwerp te laten blijven zijn van politieke besluitvorming’.12 Door het belang van de democratische rechtsstaat en de grondrechten tot uitdrukking te brengen in een Algemene bepaling, geeft zij zoals gezegd slechts ‘de contouren aan waarbinnen onze Grondwet door een ieder gelezen en begrepen dient te worden’.13
De onbepaaldheid van de in de Algemene bepaling genoemde begrippen is een belangrijk kritiekpunt op de bepaling gebleken. De Raad van State vond, blijkens haar advies bij het wetsvoorstel, de bepaling te abstract om werkbare definities aan te ontlenen en merkte op dat er tal van varianten op de in de Algemene bepaling genoemde kernbeginselen mogelijk zijn.14 Adams en Leenknegt was eenzelfde soort opvatting toegedaan en ook Sillen toonde zich, al in de fase van het oorspronkelijke voorstel van de Staatscommissie-Thomassen, tegenstander van het voorstel en wees op de onbepaaldheid van termen als ‘de democratische rechtsstaat’.15 Inderdaad dient de vraag zich aan wat de toegevoegde waarde is van de Algemene bepaling nu zij noodzakelijkerwijs geen betrekking heeft op de elementen van de democratie die buiten de Grondwet om gestalte hebben gekregen en de regering terughoudend is met het noemen van de elementen van de democratie die de Grondwet wel vermeldt. Daarmee lijkt inderdaad sprake te zijn van het door de Raad van State geconstateerde ‘onbepaalde karakter’ van de Algemene bepaling, zodat haar functie in eerste instantie voornamelijk beperkt zal zijn tot een declaratoir-symbolische.16 Weliswaar geeft de Algemene bepaling enige ‘contouren’ van de democratie aan, zoals de regering en andere voorstanders van de bepaling aanvoerden ter bewijs van de toegevoegde waarde van de bepaling,17 maar voor het overige is de bepaling zo vaag dat zij de (grond)wetgever en rechter in beginsel weinig houvast zal bieden bij het beoordelen van de vraag of regels in overeenstemming zijn met de door de Grondwet gewaarborgde grondrechten en de democratische rechtsstaat. Tegelijkertijd echter nodigt een expliciete grondwettelijke grondslag van het democratieprincipe wel uit tot een nadere interpretatie van het begrip, die de (grond)wetgever en rechter kunnen verschaffen. De opname van de Algemene bepaling vormt daarmee een eerste aanzet tot een verdere invulling en afbakening van het democratiebegrip, die tot dat moment voornamelijk was voorbehouden aan de juridische en politicologische literatuur.