Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.1:4.1 Inleiding
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412590:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deel I van dit onderzoek heb ik het overgangsrechtelijk instrumentarium van de wetgever uitgewerkt. Dit bestaat uit werkingsregels (hfdst. 2) en overgangsmaatregelen (hfdst. 3). Bij het maken van een keuze voor een bepaalde werkingsregel en eventueel een overgangsmaatregel heeft de wetgever echter niet de volledige vrijheid. Hij wordt gestuurd door – zoals dat in de Notitie TWK wordt genoemd – rechtskundige en beleidsmatige aspecten. In deel II staan deze rechtskundige en beleidsmatige aspecten centraal.
In deel II behandel ik zeven beginselen van behoorlijk fiscaal wettelijk overgangsbeleid. Ik leid deze beginselen af van de algemene beginselen van behoorlijke regelgeving. Aan de hand van de beginselen van behoorlijk fiscaal wettelijk overgangsbeleid kan de wetgever beoordelen of de beoogde werkingsregel toelaatbaar is. Als de beoogde werkingsregel niet toelaatbaar is, zou hij moeten kiezen voor een andere werkingsregel of voorzien in een overgangsmaatregel. Welke overgangsmaatregel in een gegeven overgangssituatie de voorkeur heeft, kan eveneens worden beoordeeld aan de hand van de beginselen van behoorlijk fiscaal wettelijk overgangsbeleid. Het schema dat ik heb opgenomen in par. 10.1 geeft dit proces van kiezen en beoordelen weer. Aan de hand van deel II kan onderzoeksvraag 2 worden beantwoord en het antwoord op vraag 3 worden voorbereid. In deel II leg ik de basis voor het in hfdst. 10 uit te werken beoordelingskader en de in hfdst. 11 te geven vuistregels.
In dit hoofdstuk werk ik uit hoe ik tot de formulering van de beginselen van behoorlijk fiscaal wettelijk overgangsbeleid ben gekomen. Volledigheidshalve merk ik op dat ik hierna, zoals aangekondigd in par. 1.2.4, ter bevordering van de leesbaarheid steeds zal spreken over beginselen van behoorlijk overgangsbeleid in plaats van beginselen van behoorlijk fiscaal wettelijk overgangsbeleid.
In par. 4.2 ga ik nader in op de achtergrond van beoordelingscriteria voor overgangsrecht en overgangsbeleid. Daarbij besteed ik onder meer aandacht aan de eerdere pogingen die in de literatuur zijn ondernomen voor het formuleren van ‘beginselen’ of ‘factoren’ die een rol spelen bij het ontwerpen van overgangsrecht alsmede aan het rechtstheoretische kader waarbinnen beginselen van behoorlijk overgangsbeleid kunnen worden gevormd. Daarbij zal blijken dat de beginselen van behoorlijke regelgeving een centrale rol spelen. In par. 4.3 bespreek ik het rechtskarakter van deze beginselen. Daarbij zal blijken dat de wetgever niet ten aanzien van alle beginselen van behoorlijk overgangsbeleid de juridische verplichting heeft tot naleving van deze beginselen. In par. 4.4 komen de beginselen van behoorlijke regelgeving aan de orde. Voor zover zij in het kader van dit onderzoek relevant zijn, leid ik uit de beginselen van behoorlijke regelgeving beginselen van behoorlijk overgangsbeleid af. Laatstgenoemde beginselen zal ik steeds na een korte bespreking van het desbetreffende beginsel van behoorlijke regelgeving introduceren.
In par. 4.5 besteed ik ten slotte aandacht aan een tweetal aspecten die van belang zijn bij de uitwerking van de beginselen van behoorlijk overgangsbeleid in hfdst. 5 t/m 9. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een conclusie.