Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.5.5:3.5.5 Kanttekeningen bij de beginselplicht
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.5.5
3.5.5 Kanttekeningen bij de beginselplicht
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De jurisprudentie over de beginselplicht tot handhaving geeft aanleiding tot enkele kanttekeningen. Een veel gestelde vraag is of deze jurisprudentie belanghebbenden niet te veel invloed geeft op de handhaving. Een overtreding komt immers vaak aan het licht doordat een belanghebbende het bestuur daarop wijst. Om ervoor te zorgen dat de invloed van derden op de bestuurlijke handhaving niet te groot wordt, is er wel voor gepleit om een relativiteitseis te stellen: belanghebbenden zouden alleen moeten worden beschermd tegen de niet-handhaving van wettelijke voorschriften die hun eigen belangen beogen te beschermen.1 Daar kan tegenin worden gebracht dat in het omgevingsrecht het algemeen belang en de belangen van belanghebbenden vaak samenvallen, waardoor een relativiteitsvereiste weinig toevoegt.2
Een ‘harde lijn’ in de jurisprudentie over het gebruiken van de handhavingsbevoegdheid door bestuursorganen heeft nog een ander nadeel. Het verdoezelt dat in de praktijk in zeer veel gevallen niet handhavend wordt opgetreden, om verschillende redenen. Het betreffende bestuursorgaan kan onwetend zijn van een overtreding, en belanghebbenden die dat wel zijn, zijn niet altijd geneigd zich over de niet-handhaving te beklagen. Ook wanneer een bestuursorgaan wel kennis heeft van een overtreding, kan het om allerlei redenen niet van zins zijn op te treden. Tot die redenen kunnen heel goed capaciteitsoverwegingen behoren: het wordt in het algemeen niet wenselijk geacht dat bestuursorganen al hun mankracht inzetten ter handhaving van de geldende regelgeving. Het bezwaar daartegen kan zijn, dat door het stellen van prioriteiten in de handhaving het gezag van de overheid afneemt. Dat gezag staat echter ook onder druk wanneer een pretentie van volledige handhaving niet wordt waargemaakt.3 Desondanks kan een plicht tot handhaving nuttig zijn. Wanneer bestuursorganen niet de beleidsruimte hebben om overtredingen door de vingers te zien, zullen burgers er niet op speculeren dat het bestuursorgaan zich wel schappelijk op zal stellen. Een beginselplicht tot handhaving kan dus een afschrikkend effect hebben. Daar staat tegenover dat het gedogen van overtredingen onder bepaalde omstandigheden de achterliggende belangen juist beter kan dienen dan het handhaven van het wettelijk voorschrift. De balans lijkt echter door te slaan in het voordeel van de beginselplicht tot handhaving.4 Daarbij gaat het volgens de jurisprudentie niet zozeer om een verplichting tot handhaving op grond van het feit dat een wettelijk voorschrift is overtreden, maar om een verplichting om bij de invulling van de discretionaire handhavingsbevoegdheid het algemeen belang dat met handhaving is gediend voorop te stellen, en slechts in uitzonderlijke gevallen uitzonderingsgronden de doorslag te laten geven.