Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.6.1
5.3.1.6.1 Erfopvolging bij versterf en legitieme portie
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS619207:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 48.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 195, 196. Ik kom op deze voorbeelden nog uitgebreid terug in paragraaf 8.1.
Het voorbeeld ziet er in het kort als volgt uit: Vader laat twee zonen en drie dochters achter. Zijn nalatenschap bestaat hoofdzakelijk uit alle honderd geplaatste aandelen in het kapitaal van een N.V./B.V. Hij legateert deze aandelen aan zijn twee zonen, die beiden bestuurders van de vennootschap zijn, onder de verplichting tot inbreng van de waarde.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 196.
In hun onderlinge verhouding zullen de legitimarissen/deelgenoten, naar ik aanneem, na de verdeling over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.
De volgorde van de opsomming van paragraaf 2 aanhoudend, komt het waardevraagstuk in Asser-Van der Ploeg-Perrick ten eerste bij de erfopvolging bij versterf, te weten bij de behandeling van art. 4:899b BW oud, aan de orde. Perrick betoogt dat dit artikel beter een plaats bij de ‘boedelscheiding’ had kunnen krijgen. Voorts geeft hij aan dat om het recht van art. 4:899b BW oud uit te kunnen oefenen, de verdeling – van de nalatenschap – (nog)niet behoeft te zijn aangevangen maar de wettelijke bepalingen omtrent onder meer de waardering (bij verdeling) niettemin van toepassing te moeten achten.1
Bij de behandeling van de berekening van het wettelijk erfdeel stelt Perrick vervolgens de taxatie van de waarde aan de orde. Voor de ‘opsomming’ van de waarde van de nalatenschapsgoederen komt volgens hem de verkoopwaarde als regel in aanmerking, elk goed afzonderlijk beschouwd. Wat echter niet ‘gevoeglijk’ kan worden verdeeld, wordt voor de waardering als een geheel gewaardeerd (bijvoorbeeld een onderneming als een algemeenheid van goederen en schulden). Een aandelenpakket van een N.V./B.V. kan echter steeds worden verdeeld, vanwege het feit dat het kapitaal van deze vennootschap in aandelen is verdeeld. Dat wil volgens Perrick niet zeggen dat ieder aandeel afzonderlijk wordt gewaardeerd: de waardering moet worden betrokken op de omstandigheden van het geval, waarbij mede rekening moet gehouden worden of en zo ja, op welke wijze het pakket ‘gebroken’ wordt.
Hij vervolgt met een drietal voorbeelden aan de hand waarvan hij de ‘waarderingsgevolgen’ van het ‘breken’ van een aandelenpakket illustreert.2
Het eerste voorbeeld laat zien dat het breken van een pakket als gevolg van een beroep op de ‘goederenrechtelijke’ legitieme, voor de waardering van de aandelen in aanmerking genomen moet worden.3 Daarbij teken ik voor de goede orde aan dat onder het oude erfrecht de waarde van een verkrijging door legitimarissen altijd ‘in een verdeling’ bepaald diende te worden. Is door middel van een ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW oud) de legitieme portie in natura onthouden, dan heeft dit – ook – gevolgen voor de waardering. Perrick suggereert met dit voorbeeld dat het toenemen van het aantal ‘afzonderlijke’ pakketten, de waarde van de daartoe behorende aandelen in negatieve zin kan beïnvloeden. In het voorbeeld treedt met toepassing van een ouderlijke boedelverdeling slechts door het legaat een pakketbreuk in twee delen op. Bovendien kent hij voor de waardering gewicht toe aan het feit dat de legatarissen broers van elkaar en beide bestuurder van de vennootschap zijn. Zij vormen, zo schrijft Perrick, ‘in zekere zin een samenwerkende groep’, waardoor – zo leid ik daaruit af – de waardering als eenheid ‘dichterbij komt’.
Het door Perrick gegeven – deels aan Van Solinge ontleende – tweede voorbeeld, dat ik vanwege het belang daarvan volledig citeer, ziet er als volgt uit:
‘Tot de nalatenschap behoren 100 aandelen in een B.V., uitmakende het gehele geplaatste kapitaal. Aan een van de vijf kinderen en aan een derde zijn belangrijke schenkingen gedaan, waardoor de legitiemes van de andere kinderen geschonden zijn. Ten opzichte van de kinderen zal voor de inkorting de waardering van de aandelen afhankelijk zijn van de wijze, waarop zij deze verdelen. Worden de aandelen aan een van hen toegedeeld dan worden zij als een pakket en per sterfdag gewaardeerd. De waarde, waarop de aandelen bij de scheiding worden toegedeeld is irrelevant. Worden de aandelen bij de scheiding verspreid dan geschiedt de waardering (per sterfdag) met inachtneming van het gebroken zijn van het pakket. Ten opzichte van de derde mag men de op hem toe te passen inkorting niet laten beïnvloeden door de wijze, waarop de scheiding – waarbij hij geheel buiten staat – wordt voltrokken. Men zal moeten vaststellen op welke wijze de aandelen verdeeld behoren te worden, rekening houdend met de goede trouw, die de erfgenamen bij de scheiding jegens elkaar moeten betrachten. In het voorbeeld zal dat indien het pakket het belangrijkste deel van de nalatenschap uitmaakt een evenredige verdeling zijn. Wijzigen we thans ons voorbeeld in die zin dat de 100 aandelen niet het gehele geplaatste kapitaal van de vennootschap uitmaken, doch slechts een krappe meerderheid vormen, dat de overige geplaatste aandelen toebehoren aan een van de kinderen en dat een evenredige verdeling tussen de kinderen aan het kind met het minderheidspakket de meerderheid zou geven. Ten opzichte van de derde worden de 100 aandelen als een pakket gewaardeerd.’4
Als ik het goed zie, kunnen de volgende ‘rekenregels’ voor de legitieme portie onder ‘oud’ erfrecht uit dit voorbeeld worden gedestilleerd:
Voor de bepaling van de omvang van de legitimaire massa, ter berekening van de legitieme porties daarin, wordt in de onderlinge (interne)verhouding tussen de legitimarissen de door hen overeengekomen verdeling van de aandelen als uitgangspunt genomen, derhalve voor een waardering als een pakket dan wel als meerdere pakketten, waarbij bij verbreking een meer dan evenredige waardevermindering in de rede ligt; de wijze van verdelen wordt derhalve niet geobjectiveerd omdat voor de waardering wordt aangesloten bij de subjectieve verdelingsafspraken van de deelgenoten/legitimarissen, die mede de waarde van de aandelen en dus de omvang van de legitimaire massa beïnvloeden;
De ter zake van de verdeling tussen de deelgenoten/legitimarissen in hun onderlinge verhouding overeengekomen ‘toedelingsprijs’, is voor de berekening van de legitimaire massa en voor de daarvan afgeleide legitieme portie irrelevant; de wijze van verdelen bepaalt volgens Perrick namelijk de waarde van de aandelen voor de bepaling van de omvang van de legitimaire massa.5
Voor de bepaling van de omvang van de legitimaire massa ter berekening van de legitieme portie in relatie tot – de inkorting bij – derden wordt de wijze van verdelen als zodanig geobjectiveerd, en volgt daaruit de waarde, met inachtneming van de mogelijke invloed van de verbreking van het aandelenpakket. Voor de waardeberekening dient men uit te gaan van de wijze waarop de nalatenschap door zuiver rationeel handelende deelgenoten verdeeld behoort te worden, rekening houdend met de goede trouw die de deelgenoten in de erfrechtelijke sfeer bij de verdeling jegens elkaar zouden moeten betrachten.
Voor de berekeningen in het kader van de legitiemeregeling wordt ten opzichte van derden de nalatenschap als uitgangspunt genomen; de samenstelling en omvang van het eigen vermogen van de legitimarissen is niet van belang. Zo wordt de waarde van de aandelen niet beïnvloed door de toedeling aan een deelgenoot die daarmee tezamen met de reeds door hem gehouden aandelen een meerderheid verwerft; het nagelaten pakket wordt als zodanig gewaardeerd. Daarentegen lijkt in de onderlinge verhoudingen tussen de deelgenoten/legitimarissen het eigen vermogen wel een rol te kunnen spelen voor de waarde van de betrokken goederen, hetgeen niet bevreemdt als men bedenkt dat alle deelgenoten akkoord moeten gaan met de verkrijging door de deelgenoot met het anterieure aandelenbezit.
In het derde voorbeeld laat erflater één zoon achter. De nalatenschap bestaat uit alle honderd geplaatste aandelen in het kapitaal van een B.V. met een pakketwaarde van tweehonderd. Erflater heeft vijftig aandelen aan een derde gelegateerd; de waarde van het halve pakket is vijfenzeventig. Volgens Perrick moet rekening worden gehouden met de door het legaat optredende pakketbreuk, die een meer dan evenredige waardevermindering van de aandelen tot gevolg heeft. De legitieme portie van de zoon is volgens hem niet geschonden, omdat – zo leid ik uit het voorbeeld af – de zoon de helft van de met inachtneming van de pakketbreuk bepaalde legitimaire massa ontvangt.