Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/64.2
64.2 De stamboom van vertrouwensbescherming
mr. dr. C.N.J. Kortmann, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. C.N.J. Kortmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel beginselen in het Nederlands onzijdig zijn, associeer ik ze eerder met moeders en dochters dan met vaders en zonen. Vast omdat de onderwerpen van deze beginselen vaak vrouwelijk zijn: rechtszekerheid, evenredigheid, gelijkheid.
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat. Band 1, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 319.
H.D. van Wijk, W. Konijnenbelt & R. van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2014, par. 40.
Zo beschouwt de regering de regeling van intrekking en wijziging van besluiten (ook) als een uitwerking van het vertrouwensbeginsel. Kamerstukken II, 1993/94, 23700, 3, p 124.
Zie hierna par. 4.
In zijn meest basale vorm houdt vertrouwensbescherming in dat gewekte verwachtingen zoveel mogelijk ingelost moeten worden. Zo geformuleerd stelt deze bescherming niet veel voor. Zelfs van een rechtsbeginsel is geen sprake; veeleer van een desideratum. Om als rechtsbeginsel te kunnen functioneren heeft de formule verfijning en context nodig. Die geef ik de vorm van een stamboom.
In het bestuursrecht heeft de wens om vertrouwen te beschermen twee beginselen voortgebracht die wel het predicaat rechtsbeginsel verdienen: het vertrouwensbeginsel en het materiële rechtszekerheidsbeginsel. Zij kunnen als zusters worden beschouwd.1 Samen geven zij de samenleving stabiliteit. Zij zorgen ervoor dat wetten niet zomaar kunnen worden veranderd, dat afspraken nagekomen en zo nodig afgedwongen kunnen worden en dat een vandaag verkregen vergunning niet morgen weer wordt ingetrokken. De rechtsbeginselen beschermen onze rechtspositie. Zij schenken vertrouwen in de toekomst.
Het onderscheid tussen beide zusters zit hem volgens Schlössels en Zijlstra in het prospectieve karakter van het vertrouwensbeginsel.2 Dit beginsel werkt, als een verklaring of gedraging het vertrouwen wekt dat een bepaalde rechtspositie zal worden gewijzigd of juist intact zal worden gelaten. Om die reden zal een stilzitten of nalaten zelden tot activering van het vertrouwensbeginsel leiden. Bij het materiële rechtzekerheidsbeginsel is dit precies andersom. Daar gaat het om het kunnen vertrouwen op het (voort)bestaan van de opgebouwde rechtspositie. Daarom speelt dit beginsel een belangrijke rol bij de wijziging en intrekking van regels en beschikkingen en bij verjaring en verval.
Konijnenbelt en Van Male beschouwen de beginselen als twee kanten van dezelfde medaille.3 Daar is best wat voor te zeggen, maar het nadeel van deze interpretatie is, dat het vertrouwensbeginsel zo aan scherpte verliest.4 In het vervolg van deze bijdrage opteer ik voor de interpretatie van Schlössels en Zijlstra.
Het vertrouwensbeginsel is niet alleen zuster, maar ook moeder van een groot gezin. Kinderen zijn de rechtsfiguren die uit het vertrouwensbeginsel voortvloeien. De verschillende verschijningsvormen van de meerzijdige afspraak (zoals de gemeenschappelijke regeling, de overeenkomst en het convenant) kunnen als zonen worden getypeerd, die van de eenzijdige verklaring (zoals de beschikking, de toezegging en de inlichting) als dochters.
Kenmerkend voor deze stamboom is, dat als je hem afdaalt het algemene en abstracte karakter afneemt, waarvoor in de plaats een veelheid aan concrete rechtsfiguren verschijnt die de rechtspraktijk houvast bieden. De uitwerking van rechtsbeginselen in rechtsfiguren bevordert de kenbaarheid en toegankelijkheid van het recht, en daarmee de werking van een ander rechtsbeginsel, de formele rechtszekerheid.5