Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.6.2.2
3.6.2.2 De privécrediteur tijdens het bestaan van de VOF
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383404:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Van Zeben 1991, p. 161 (MvT bij art. 475a Rv): een vordering hoeft niet overdraagbaar te zijn wil daarop beslag kunnen worden gelegd; Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 314; Beekhoven van den Boezem 2003, p. 122 en de daar vermelde literatuur; Verhagen & Rongen 2000, p. 104: niet-overdraagbaarheid staat los van de mogelijkheid van beslag (hier ging het om niet-overdraagbare vorderingen). Zie ook bijv. art. 435 lid 1 Rv, dat gaat over executoriaal beslag en dat bepaalt ‘Het staat aan de executant vrij te gelijker tijd beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen, waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen.’ De overdraagbaarheid van goederen wordt niet als eis genoemd. Ook staat bijvoorbeeld een blokkeringsregeling ingeval van aandelen niet aan executoriaal beslag in de weg, zie art. 474c Rv. Pas wanneer tot verkoop en overdracht wordt overgegaan, wordt de blokkeringsregeling relevant. Art. 474g lid 4 Rv bepaalt daartoe dat de wettelijke en statutaire bepalingen ter zake van vervreemding van aandelen moeten worden in acht genomen. Zie ook Reehuis 2010, p. 16: onoverdraagbaarheid sluit niet de vatbaarheid voor derdenbeslag uit.
In deze paragraaf heb ik het slechts over het verhaalsbeslag, dat wordt gelegd met als doel het verhaal halen door de uitwinning en verkoop van goederen. Dit in tegenstelling tot het beslag ter verkrijging van een recht waarvan de beslaglegger meent rechthebbende te zijn.
Van der Kwaak 1990, p. 42.
Rb. Arnhem (vzr.) 17 september 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB5418.
Rb. Arnhem (vzr.) 17 september 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB5418. Zo ook Rb. Maastricht 2 augustus 1990, ECLI:NL:RBMAA:1990:AB8064, NJ 1991/389.
Rb. Arnhem (pres.) 12 maart 1998, ECLI:NL:RBARN:1998:AH7527, KG 1998/127.
Rb. Arnhem (pres.) 12 maart 1998, ECLI:NL:RBARN:1998:AH7527, r.o. 3.6, KG 1998/127.
HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, r.o. 3.6-3.7, NJ 2006/203 (Vee- en Kalverenhandel).
Zie ook HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841, r.o. 4.5.2, NJ 2003/440 waarin de Hoge Raad oordeelde ‘De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht.’
Zie ook HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, NJ 2004/281 (Oryx/Van Eesteren), waarin de Hoge Raad oordeelde dat een goed niet voor verpanding vatbaar is als de overdraagbaarheid ervan is uitgesloten.
Dit was het geval in Rb. Maastricht 2 februari 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BW8402,JOR 2012/231.
Rb. Maastricht 2 februari 2011, ECLI:NL:RBMAA:2011:BW8402, r.o. 3.3, JOR 2012/231.
Verhagen & Rongen 2000, p. 106-107.
Verhagen & Rongen 2000, p. 106-107.
Rb. Maastricht 2 augustus 1990, ECLI:NL:RBMAA:1990:AB8064, NJ 1991/389 resp. Van Veen & Grapperhaus, GS Personenassociaties 4.3.3.3 (online, laatst bijgewerkt op 1 april 2014).
Geen beslag op aandeel
Onoverdraagbaarheid en beschikkingsonbevoegdheid vormen een belemmering voor overdraagbaarheid en uitwinning, maar (formeel gezien) niet voor het leggen van beslag.1 Een vraag die dan ook rijst, is of een privécrediteur wel verhaalsbeslag,2 dat strekt tot zekerheid van reële executie,3 kan leggen op een aandeel van een vennoot in een tot de niet-ontbonden VOF behorend goed. Hij zou de vennoten en hun zaakscrediteuren op deze wijze kunnen ‘pesten’, omdat vervreemding van een beslagen goed op grond van art. 453a Rv niet ingeroepen kan worden tegen de beslaglegger en het goed dus minder goed verkoopbaar wordt, en hun zo via een omweg ertoe kunnen brengen zijn vordering te voldoen. Relevant ter beantwoording van deze vraag is een uitspraak van de Rechtbank Arnhem in een zaak waarin een privécrediteur beslag had gelegd op een tot de gemeenschap van een VOF behorend goed. Volgens de rechtbank was het beslag (dat was gelegd op het gehele goed) onrechtmatig, omdat een privécrediteur niet door middel van executie of beslag verhaal kan zoeken op het aandeel van een vennoot in een vennootschappelijk goed.4 Immers, ook de vennoot zelf kan tijdens het bestaan van de VOF geen scheiding en deling vorderen en niet vrijelijk beschikken over zijn aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap.5 In een eerdere zaak oordeelde de Rechtbank Arnhem dat het leggen van beslag als louter pressiemiddel evenmin geoorloofd is.6 Uit het stelsel van de wet volgt nu eenmaal dat het leggen van (in casu conservatoir) beslag bedoeld is om executie te waarborgen en het leggen van beslag op een niet voor executie vatbaar recht als pressiemiddel om de schuldenaar te bewegen tot voldoening van de vordering past niet in dit stelsel.7 Het beslag moest dus worden opgeheven. Volgens de Hoge Raad is het wilsrecht van een cliënt van een bank om kredietruimte in te roepen niet vatbaar voor overdracht en daarom ook niet vatbaar voor beslag en executie.8 Voor dit oordeel wijst de Hoge Raad op de parlementaire geschiedenis van art. 475 Rv, waaruit blijkt dat de wetgever beducht is voor een beslag zonder een reëel uitzicht op executie.
Een schuldenaar mag dus geen beslag leggen als het niet het effect kan hebben waarvoor het middel is gegeven. Legt een privécrediteur niettemin beslag op een aandeel van een vennoot in een gemeenschappelijk goed, dan kan hij aansprakelijk zijn voor als gevolg van dit onrechtmatige beslag geleden schade wegens misbruik van bevoegdheid op de voet van art. 3:13 BW.9
Wel verpanding van en derdenbeslag op vorderingen van een vennoot op de VOF
Op de vorderingen van een vennoot op de VOF kan een pandrecht gevestigd worden (art. 3:236 lid 2 BW en art. 3:239 BW). Vereist is dan wel 1) dat de vordering overdraagbaar/voor verpanding vatbaar is (art. 3:81 BW en art. 3:228 BW) 10 en 2) dat de vordering bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een ten tijde van de verpanding bestaande rechtsverhouding (art. 3:239 lid 1 BW).
De overdraagbaarheid van een vordering kan rechtsgeldig bij overeenkomst worden uitgesloten. Mogelijk bepaalt de vennootschapsovereenkomst dat een vennoot niet zonder toestemming van de andere vennoten zijn vorderingen op de VOF kan vervreemden of bezwaren.11 Een dergelijke bepaling maakt overdracht en verpanding zonder toestemming ongeldig krachtens art. 3:83 lid 2 jo. 3:328 BW.12 Als de vennoten slechts hebben bedoeld de vordering onoverdraagbaar te maken en niet onverpandbaar, dan is rechtsgeldige verpanding wel mogelijk.13 De bedoeling van partijen moet uitdrukkelijk worden bepaald of door uitleg worden vastgesteld.14
Op de winstuitkeringen waarop een vennoot (volgens de vennootschapsovereenkomst) aanspraak kan maken en op de nog niet uitgekeerde uittreedvergoeding van een uitgetreden vennoot kan een privécrediteur derdenbeslag leggen onder de VOF.15
Uitwinnen juridische eigendom
De juridische eigendom van hetgeen een vennoot in economische eigendom of in zuiver genot heeft ingebracht, behoort tot het privévermogen van de vennoot en kan daarom door een privécrediteur worden beslagen en uitgewonnen.
Uitlokken faillissement
Ten slotte kan een privécrediteur het faillissement van zijn schuldenaar uitlokken. De VOF wordt dan (ten aanzien van zijn schuldenaar) ontbonden en de curator van de vennoot/schuldenaar kan onder meer aanspraak maken op uitkering van de waarde van de economische deelgerechtigdheid. Zie over de positie en de bevoegdheden van de curator hoofdstuk 4.