Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/6.2.1
6.2.1 Eerste breuklijn: terugtrekkende bewegingen van Nederlandse institutionele beleggers
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS387036:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin G.T.M.J. Raaijmakers, ‘Actuele ontwikkelingen over aandeelhoudersinvloed’, TFR 2006, p. 5-6: “Het gevolg is het ontstaan van een soort vacuüm, (...): het oude stakeholdersmodel waarin de ondernemingsleiding vooral werd gemonitord door ‘de stakeholders’ is verlaten, terwijl er nog geen goed functionerend model van aandeelhoudersmonitoring voor in de plaats is gekomen.”
Speech Minister van Financiën Zalm tijdens de European Corporate Governance te Den Haag op 18 oktober 2004, opgenomen in het Report of the High Level Group of Company Law Experts for the European Corporate Governance Conference on European Corporate Governance in company law and codes van 18 oktober 2004 (
Voorbeelden zijn de statements van het International Corporate Governance Network (ICGN), een internationaal overkoepelende organisatie van institutionele beleggers, en de speerpuntbrieven van Eumedion, de organisatie die per 1 januari 2006 de activiteiten van de voormalige Stichting Corporate Governance Onderzoek Pensioenfondsen (SCGOP) heeft voorgezet en uitgebouwd.
G.T.M.J. Raaijmakers, ‘Communicatie tussen beursondernemingen en aandeelhouders in en buiten de AVA’, TvOB 2004, p. 3-10, G.T.M.J. Raaijmakers, ‘Beleggers, aandeelhouders en de AVA’, Ondernemingsrecht 2005, 38 en Raaijmakers G. 2006.
R. Abma, ‘Het stemproces van institutionele beleggers’, in G.T.M.J. Raaijmakers & R. Abma, Achter de schermen van beursaandeelhouders, preadviezen van de Vereeniging Handelsrecht 2007, Deventer: Kluwer 2007, p. 75-151.
Raaijmakers G. 2005, p. 111. Deze opvatting van Raaijmakers werd ondersteund door empirisch onderzoek van De Jong et al. naar het stemgedrag van institutionele beleggers waaruit bleek dat er een omgekeerd verband bestond tussen het aandelenbelang van verzekeraars in een betreffend fonds en de kans op tegenstemmen tegen agendapunten op de AVA: hoe groter het belang van verzekeraars, des te kleiner de kans op tegenstemmen. Zie A. de Jong, G. Mertens & P.G.J. Roosenboom, ‘Hoe actief zijn aandeelhouders in Nederland? Een empirische analyse van opkomst en stemgedrag’, MAB 2005, p. 97-107, in het bijzonder p. 104.
Zie Maatman 2004a.
Abma 2007, p. 81-114.
Ibid, p. 86-97.
Raaijmakers G. 2005, p. 107, Raaijmakers G. 2006, p. 4-5, Abma 2007, p. 75-80.
Raaijmakers G. 2005, p. 107. Zie voor een positiever beeld Abma 2007, p. 109-114, die hierbij wel opmerkt dat veel institutionele beleggers activiteiten op het terrein van engagement uitbesteedden aan andere institutionele beleggers of gespecialiseerde vermogensbeheerders.
Abma 2007, p. 80.
Raaijmakers G. 2005, p. 107.
Ibid: “De feitelijke gang van zaken in veel vergaderingen maakt een inhoudelijke discussie over belangrijke aangelegenheden vaak moeilijk of onmogelijk. ‘Discussies’ hebben vaak het karakter van uitwisseling (en herhaling) van over en weer voorbereide standpunten en dat genomen besluiten de ‘vrucht van onderling overleg’ zijn, wordt dan twijfelachtig. De lange en soms wanordelijke vergaderingen die hiervan het gevolg zijn bieden weinig ‘tegenwicht’ en zijn niet bevorderlijk voor deelname aan de AVA.”
M.W. den Boogert, ‘De vergeten band tussen raad van commissarissen en algemene vergadering; de Januskop van de commissaris’, Ondernemingsrecht 2005, 87, p. 255.
Abma 2007, p. 90-106 en Raaijmakers G. 2005, p. 108.
Abma 2007, p. 94.
Ibid, p. 100 en voetnoot 70.
Raaijmakers G./Maatman 2006, p. 257-258.
Boot/Cools 2007, p. 21.
Raaijmakers G. 2005, p. 108.
R. Abma, ‘Het aandeelhoudersvergaderingenseizoen 2006: feiten en trends’, TvOB 2006, p. 169 tabel 1 (verwijzend naar cijfers uit De Nederlandsche Bank, ‘De beleggingsportefeuille van de Nederlandse particulier’, Statistisch Bulletin juni 2006, p. 21-26.
Jaarverslag ABP 2003, p. 55.
Jaarverslag PGGM 2003, p. 23. PGGM had in de top 10 aandelenbeleggingen naast een belang in Shell ook nog een belang van EUR 365 miljoen in ING. De andere top 10 beleggingen waren achtereenvolgens Pfizer, Citigroup, Intel, Microsoft, General Electric, Total, Novartis en UBS.
Jaarverslag ABP 2006, p. 46.
Jaaverslag PGGM 2006, p. 30.
Jaarverslag Delta Lloyd Asset Management 2001, p. 39-50, p. 123-124 en p. 144.
Jaarverslag Delta Lloyd Asset Management 2003, p. 26-41, p. 65 en p. 123.
Jaarverslag Delta Lloyd Asset Management 2004, p. 37-45, p. 67-71 en p. 137.
Abma 2006, p. 169 (verwijzend naar Federation of European Securities Exchanges, Share ownership structure in Europe 2004).
Ibid, p. 169-170.
Ibid, p. 169.
Zie voor een overzicht van de verschillende casus De Jong A. et al. 2007, p. 117-140.
Abma 2007, p. 169.
Jaarverslag ABN AMRO 2006, p. 90-91.
Jaarverslag ING Group 2006, p. 62.
J.W. Winter, ‘Crisis wellicht keerpunt in beleggingsstrategie pensioenfondsen’, Pensioen Magazine 2009, 183 en uitgebreid J.W. Winter, ‘Aandeelhouder engagement en stewardship’ in L. Timmerman et al (reds.), Samenwerken in het ondernemingsrecht, IVO-reeks nr. 80, Deventer: Kluwer 2011, p. 39-56.
Winter 2011a, p. 41-48.
Ibid, p. 48-53.
Winter 2009.
In hoofdstuk 5 is uiteengezet dat rond de verruiming van de bevoegdheden van aandeelhouders in het kader van het Wetsvoorstel structuurregeling uit 2004 en rond de herpositionering van aandeelhouders in het kader van de Code Tabaksblat uit 2003 in een belangrijke rol voor de Nederlandse institutionele beleggers was voorzien. In hoofdstuk 5 is ook beschreven hoe met name de Nederlandse pensioenfondsen zich vanaf de tweede helft van de jaren ’90 in hun openbare uitlatingen weliswaar nadrukkelijker waren gaan profileren als mogelijk toekomstig ‘kernaandeelhouder’ van Nederlandse beursondernemingen, maar dat er door de uitbreiding van hun wereldwijde beleggingsportefeuille in aandelen eerder sprake lijkt te zijn geweest van een netto afbouw in beleggingen in Nederlandse beursfondsen. Tot slot is in hoofdstuk 5 al beschreven hoe vanuit institutionele beleggers zelf al in reactie op de Code de twijfel werd uitgesproken of zij vanwege tijdsbeslag en kosten wel in staat zouden zijn om de voor hen voorziene rol als actieve aandeelhouder te vervullen.
De eerste breuklijn bestond erin dat het nieuwe bestel van corporate governance ervan uitging dat institutionele beleggers in dit bestel een bepaalde rol zouden vervullen, terwijl nog niet duidelijk was of en zo ja in hoeverre zij deze rol daadwerkelijk op effectieve wijze zouden kunnen- en willen – vervullen.1 Dit gold zowel voor de omvang van de aandelenbelangen van institutionele beleggers – de gewenste ‘economische beschermingsconstructie’ die in de plaats van juridische beschermingsconstructies zou moeten komen – als ook voor de wijze waarop institutionele beleggers invulling aan hun aandeelhouderschap zouden geven. De wetswijzigingen en Code-bepalingen hadden met betrekking tot institutionele beleggers in belangrijke mate een aspirerend karakter: zij liepen vooruit op een feitelijke situatie die nog niet bestond. De gedachte was daarbij dat de gewenste feitelijke situatie vanzelf zou ontstaan wanneer bepaalde belemmeringen zouden zijn weggenomen en wanneer beursondernemingen zich meer op de belangen van institutionele beleggers zouden gaan richten. Dit bleek uiteindelijk niet het geval te zijn.
Dat de wijze van optreden van institutionele beleggers in het nieuwe bestel van corporate governance in feite nog een onzekere factor was, is indertijd ook expliciet onderkend. Zo maakte Minister van Financiën Zalm in zijn voordracht tijdens de European Corporate Governance Conference in oktober 2004 de volgende opmerking: “I think that we will witness a shift of emphasis in the codes from rules of behaviour for board members to rules of behaviour for shareholders, especially large institutional investors, like pension funds and mutual funds. Public pressure mounts that these funds participate at shareholders’ meetings and are transparent about their voting policy. Moreover, the internal governance of these funds is now a topic for discussion. As these large investors are increasingly participating in the decision making at shareholders’ meetings, it is also important that the agencies that advise these large investors are really independent and are transparent about their operations.”2 De door Zalm geschetste ontwikkeling vond ook plaats. Zo moesten Nederlandse institutionele beleggers met beursgenoteerde aandelen in hun beleggingsportefeuille vanaf het boekjaar 2007 rapporteren over de naleving van de tot institutionele beleggers gerichte best practices van de Code (artikel 5:86 Wft). Ook maakte de sector zelf werk van de toegenomen verantwoordelijkheid (en aandacht) door het richtlijnen, speerpunten en andere vormen van ‘guidance.’3 De vraag is echter in hoeverre deze maatregelen daadwerkelijk effectief waren.
In de jaren volgend op de vaststelling van de Code is door Raaijmakers4 en later ook door Abma5 gewaarschuwd dat de gewenste actievere opstelling van institutionele beleggers in de praktijk nog altijd niet realiseerbaar bleek. Als oorzaken noemden zij onder meer een aantal belemmeringen waarmee institutionele beleggers nog steeds werden geconfronteerd, zoals verplichtingen om aandelen voorafgaand aan een AVA voor een bepaalde periode te blokkeren of logistieke problemen rond stemmen op afstand. Zij noemden echter ook een aantal meer fundamentele factoren. Zo wees Raaijmakers op de tegenstrijdige belangen waarmee met name de verzekeraars te maken hadden: voor de afdeling vermogensbeheer van een verzekeraar was het weinig aantrekkelijk om als aandeelhouder in een beursfonds de confrontatie met de vennootschapsleiding aan te gaan wanneer de verzekeraar vanuit andere business units een commerciële relatie met de betreffende onderneming had.6 Abma wees – in navolging van Frijns en Maatman7 – op de kosten-batenanalyse die institutionele beleggers ten aanzien van hun stemgedrag op het grote aantal verschillende aandelenpakketten in hun portefeuille moesten maken.8 Volgens Abma kon deze kosten-batenanalyse zodanig uitvallen dat een institutionele belegger in het geheel geen gebruik maakte van de stemrechten op zijn aandelen of hij zich bij de uitoefening van zijn stemrechten blind verliet op de adviezen van stemadviesbureaus (‘proxy advisors’) zoals ISS en GlassLewis.9
In algemene zin stelden Raaijmakers en Abma dat institutionele beleggers nog altijd onvoldoende prikkels hadden om daadwerkelijk een actieve invulling aan hun aandeelhouderschap in beursondernemingen te geven, waardoor de verwachtingen van institutionele beleggers zoals geformuleerd in de Code en de discussies daaromheen niet waargemaakt konden worden.10 Activiteiten op het gebied van ‘engagement’ door institutionele beleggers met de vennootschapsleiding over aangelegenheden van corporate governance buiten het bestek van aandeelhoudersvergaderingen vonden nog niet consequent en gestructureerd plaats.11 Het absenteïsme van institutionele beleggers bij AVA’s bleef relatief hoog, het percentage uitgebrachte stemmen steeg nauwelijks (in 2006 gemiddeld 36%)12 en wanneer institutionele beleggers wel op hun aandelen stemden was niet altijd zeker of hun stemgedrag berustte op een geïnformeerde en weloverwogen analyse van de betreffende agendapunten.13 Ook bood de gang van zaken tijdens de meeste AVA’s weinig aanknopingspunten voor institutionele beleggers om een constructieve en zinvolle gedachtewisseling met de vennootschapsleiding en met andere aandeelhouders te voeren.14
Deze opvatting werd niet alleen vanuit de institutionele beleggers geuit. In 2005 schetste Den Boogert nog het volgende beeld van de gang van zaken tijdens aandeelhoudersvergaderingen: “De jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders zou de hoogtijdag in het leven van de grote NV met verspreid aandelenbezit moeten zijn. In werkelijkheid is het een dag van teleurstelling en niet zelden een dag van boosheid en frustratie. Aan deelhouders trekken ter vergadering met de gerechtvaardigde verwachting dat bestuur en commissarissen zullen laten zien hoe en met welke mooie resultaten zij het geld van aandeelhouders gedurende het verstreken jaar hebben beheerd. Bestuur en commissarissen verwachten dank voor hun inzet en toewijding wanneer het goed is gegaan en begrip en mededogen wanneer het wat minder of ronduit slecht is gegaan. Hoe bedrogen komen zij uit! Spraakmakende aandeelhouders blijken zich te hebben opgemaakt om bestuur en commissarissen de les te lezen. De toon van vraagstelling is vaak inge brekestellend van aard. Achter de bestuurs- en commissarissentafel lijkt de ongeschreven code te zijn: blijf beleefd en zorg dat zo snel mogelijk en zonder kleerscheuren de eindstreep wordt gehaald. Is de vergadering geëindigd dan is de algemene vergadering als met zeggenschap bekleed orgaan van de NV immers weer ontmanteld en tot machteloosheid gedoemd.”15
Raaijmakers en Abma signaleerden nog een andere belangrijke trend: het uitbesteden van activiteiten op het gebied van corporate governance door institutionele beleggers. Dit uitbesteden gebeurde zowel indirect via het stemmen conform de aanbevelingen van stemadviesbureaus als ook direct via de inschakeling van gespecialiseerde vermogensbeheerders.16 Abma beoordeelde de ontwikkeling rond het gebruik van stemadviesbureaus overwegend positief, al maakte hij hierbij wel de kanttekening dat de stemadviezen gegeven de dominante positie van stemadviesbureaus ISS en Glass Lewis doorgaans waren gebaseerd op een analyse vanuit Amerikaans perspectief.17 Hetzelfde deed zich voor bij uitbesteding aan externe vermogensbeheerders, waarbij ook het stembeleid van de externe beheerder werd gevolgd. In toenemende mate besteedden Nederlandse institutionele beleggers het extern beheer van pensioenvermogen namelijk uit aan buitenlandse vermogensbeheerders, voornamelijk aan Amerikaanse en Britse partijen. In 2004 was nog 35% van het extern beheerd Nederlands pensioenvermogen bij buitenlandse beleggers uitbesteed. In 2005 steeg dit percentage naar 50% en in 2006 naar 56%.18 Zodoende werd de uitoefening van de stemrechten op de aandelenpakketten van Nederlandse institutionele beleggers in Nederlandse beursondernemingen in toenemende mate vanuit een Brits of Amerikaans beoordelingskader bepaald. Hetzelfde gold voor de aan- en verkoopbeslissingen die door de Nederlandse institutionele beleggers met betrekking tot deze aandelenpakketten werden genomen.
Institutionele beleggers waren niet alleen via hun eigen portefeuille aan directe beleggingen in aandelen betrokken bij Nederlandse beursondernemingen, maar ook indirect via hun beleggingen in ‘alternative investments’ in de vorm van hedge funds.19 De impact van de beleggingen van institutionele beleggers in hedge funds moet in dit verband niet worden overschat. Van alle hedge funds wereldwijd in 2007 had naar schatting slechts 1% een activistische strategie met betrekking tot beleggingen in aandelen van beursgenoteerde ondernemingen.20 Het overgrote deel van investeringen van Nederlandse institutionele beleggers in hedge funds zag dus niet op beleggingen in aandelen of op beleggingen in fondsen met een activistische strategie. Ook waren activistische hedge funds wereldwijd actief, wat betekent dat de totale omvang van investeringen door Nederlandse institutionele beleggers in hedge funds die op de Nederlandse markt actief waren in verhouding nog kleiner was. Tegelijkertijd illustreert het in de inleiding aangehaalde voorbeeld van Centaurus dat de beleggingen van institutionele beleggers in activistische hedge funds wel degelijk een impact op het Nederlandse corporate governance-landschap hebben gehad.
Uit het bovenstaande volgt dat de Nederlandse institutionele beleggers in de eerste jaren na de vaststelling van de Code nog niet aan de verwachtingen rond hun nieuwe rol voldeden. De mate van activiteit (deelname aan AVA’s, uitoefenen stemrechten, engagement buiten AVA’s om) bleef ondanks inspanningen van bijvoorbeeld de grote pensioenfondsen over het geheel genomen relatief laag. De activiteiten die wel vanuit Nederlandse institutionele beleggers werden verricht kregen ondertussen via verschillende vormen van uitbesteding in toenemende mate een internationaal karakter.
Er was ook in een ander opzicht sprake van terugtrekkende bewegingen: de omvang van de beleggingen in aandelen van Nederlandse beursondernemingen. Nederlandse pensioenfondsen hadden weliswaar het percentage van beleggingen in aandelen in hun totale beleggingsportfolio – na een korte dip vanwege de dotcom-crash op de aandelenmarkten in de Verenigde Staten in 2001 en 2002 – verhoogd naar circa 49% in 2003 (ten opzichte van 23% in 1995), maar deze stijging had zich hoofdzakelijk vertaald in een relatieve toename van beleggingen in buitenlandse aandelen: 80% in 2003 tegenover circa 60% in de periode 1995-1998.21 Deze ontwikkeling lijkt zich in de jaren erna ook te hebben doorgezet, waarbij ook sprake lijkt te zijn geweest van een steeds verdere spreiding binnen de portfolio en daarmee van een steeds verdergaande versnippering van de omvang van individuele aandelenbelangen. Ook bij andere institutionele beleggers zoals verzekeraars lijkt zich een dergelijke ontwikkeling te hebben voorgedaan. Het effect was hoe dan ook duidelijk zichtbaar. Werd in 1995 nog 24% van de aandelen in Nederlandse beursondernemingen gehouden door Nederlandse institutionele beleggers, in 2005 bedroeg dit percentage nog maar 10%.22
Een vergelijking van de berichtgeving van ABP Vermogensbeheer over de top 10 beleggingen in aandelen naar marktwaarde aan de hand van de jaar verslagen van het ABP levert bijvoorbeeld het volgende beeld op. Per ultimo 2003 bedroeg de totale marktwaarde van aandelenbeleggingen van het ABP nog EUR 57,4 miljard. De top 10 beleggingen vertegenwoordigden samen een waarde van EUR 6 miljard, ofwel een omvang van 11,4% van de totale portfolio. De grootste belegging was een belang ter waarde van EUR 1 miljard in Shell, goed voor 1,8% van het totaal. De overige top 10 belangen waren telkens ongeveer 1% van de totale portfolio. Deze belangen waren alle in buitenlandse ondernemingen en zagen qua sector op olie (BP, Total), financiële instellingen (RBS, Citigroup, HSBC), pharma (Pfizer, GlaxoSmithKline), levensmiddelen (Nestle) en telecom (Vodafone).23 Het jaarverslag van PGGM over 2003 laat min of meer hetzelfde beeld zien.24 Per ultimo 2006 bedroeg de totale waarde van de portefeuille van aandelenbeleg gingen in de beleggingsportefeuille van ABP inmiddels EUR 75 miljard.
De top 10 beleggingen naar omvang vertegenwoordigden samen een waarde van EUR 5,6 miljard, ofwel 7,5% van de totale portefeuille. Het grootste belang (in oliemaatschappij ExxonMobil) vertegenwoordigde 1,1% van de totale waarde van de portefeuille. De geografische en sectorale spreiding in de top 10 belangen was ten opzichte van 2003 ongewijzigd gebleven.25 Ook bij PGGM was per ultimo 2006 in vergelijking tot de situatie per ultimo 2003 de omvang van de totale aandelenportefeuille aanzienlijk toegeno men en de relatieve omvang van de top 10 aandelenposities ten opzichte van de totale portefeuille aanzienlijk afgenomen.26
Ter illustratie van de afbouw van het aandeel van Nederlandse aandelenbeleggingen door institutionele beleggers kan voorts worden gewezen op de ontwikkelingen in de portefeuilles van de fondsen van verzekeraar Delta Lloyd. Per ultimo 2001 hield het hoofdfonds Delta Lloyd Investment Fund op een totale aandelenportefeuille ter waarde van EUR 1,5 miljard nog een pakket ter waarde van EUR 122 miljoen aan aandelenbeleggingen in Nederlandse beursfondsen. Via specifieke fondsen (Delta Lloyd Euro Fonds en Delta Lloyd Nederland Fonds) werd nog eens voor EUR 89 miljoen aan Nederlandse aandelen gehouden.27 Per ultimo 2003 hield het hoofdfonds van Delta Lloyd op een totale portefeuille van EUR 1,3 miljard nog maar EUR 66,6 miljoen aan Nederlandse aandelen, het eurofonds van Delta Lloyd voor EUR 62 miljoen en het Nederland fonds voor EUR 39 miljoen.28 Aan het slot van 2004 was dit beeld weer veranderd. Het hoofdfonds hield nog maar EUR 34 miljoen aan Nederlandse aandelen op een totale portefeuille van EUR 1,45 miljard. Het Nederland fonds van Delta Lloyd was in 2004 wel gegroeid naar EUR 46 miljoen, maar hier stond weer een substantiële afname in het gedeelte van Nederlandse aandelenbeleggingen in het Euro fonds (in totaal EUR 14 miljoen) tegenover.29 Bij een relatief constante omvang van de totale portefeuille naar marktwaarde gemeten nam het aan deel van Nederlandse aandelenbelangen in de portefeuille van het hoofdfonds van Delta Lloyd dus in een tijdsbestek van drie jaar dus aanzienlijk af, terwijl hier geen noemenswaardige toename van beleggingen in Nederlandse aandelen via andere fondsen tegenover stond.
Aan de andere kant was er juist een toename zichtbaar van de beleggingen in Nederlandse aandelen door buitenlandse beleggers, in het bijzonder door buitenlandse institutionele beleggers. In 2003 werd nog 69% van de aandelen in Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen gehouden.30 In 2005 bedroeg dit percentage 75% en ten aanzien van de 25 AEX-fondsen zelfs 80%.31 Deze toename werd voor een belangrijk deel veroorzaakt door een uitbouw van beleggingen in Nederlandse aandelen door Britse en Ierse vermogensbeheerders. In 2003 hielden deze beleggers nog 8% van de aandelen in Nederlandse AEX-fondsen, in 2005 was dat 21%.32 Onder deze groep Britse institutionele beleggers bevonden zich ook activistische vermogensbeheerders zoals Centaurus, Trafalgar en Mellon (later omgedoopt tot Fursa) die juist in deze periode actief werden op de Nederlandse markt.33 Naast Britse institutionele beleggers waren ook Amerikaanse beleggers goed vertegenwoordigd: zij hielden per ultimo 2005 26% van de aandelen in de Nederlandse AEX-fondsen.34
Illustratief voor deze ontwikkeling is de peiling van het aandeelhoudersbestand die ABN AMRO in december 2006 uitvoerde.35 ABN AMRO was via een eigen onderzoek – de wettelijke regeling voor identificatie van inves teerders van artikel 49a-e Wge bestond op dat moment nog niet – in staat om de identiteit van 78% van haar aandeelhouders te achterhalen. Van de geïdentificeerde aandelen was 87,3% in handen van institutionele beleggers en 12,7% in handen van particuliere beleggers. 15% van de geïdentificeerde aandelen werd gehouden door institutionele beleggers binnen de Benelux. Uit het overzicht blijkt niet of dit percentage mede het op dat moment door ING aangehouden belang van 11,55% in het kapitaal van ABN AMRO (hoofdzakelijk in de vorm van preferente aandelen)36 omvatte, maar dit is wel aannemelijk. Daarnaast werden substantiële aandelenpakketten gehouden door institutionele beleggers uit de Verenigde Staten (17,2%), het Verenigd Koninkrijk (7,4%), Duitsland (7%), Frankrijk (3,9%) en Zwitserland (3,8%).
Een verklaring voor de handelswijze van Nederlandse institutionele beleggers is later aangereikt door Winter.37 Institutionele beleggers werden door een combinatie van factoren, onder meer standaarden voor portfoliospreiding en intermediatie via vermogensbeheerders waarvan de beleggingsactiviteiten door prikkels gericht op transacties werden geleid, juist ertoe aangezet om een zeer diverse portfolio aan aandelenbeleggingen te voeren met een focus op het continu verrichten van aan- en verkooptransacties.38 In een dergelijk krachtenveld, waarin liquiditeit en verhandelbaarheid van de beleggingen voorop staan, was het volgens Winter voor institutionele beleggers niet mogelijk om een betekenisvolle betrokkenheid bij de individuele beursondernemingen waarin werd belegd te ontwikkelen.39
Winter merkte voorts op dat institutionele beleggers, hoewel van karakter lange termijnbeleggers vanwege de noodzaak om langlopende verplichtingen af te dekken, vanwege hun op diversificatie en liquiditeit gerichte actieve beleggingsstrategie in werkelijkheid juist korte termijnbeleggers waren geworden. Zijn conclusie was hard: “Als zelfs pensioenfondsen als beleggers met een langetermijnhorizon in feite kortetermijnbeleggers zijn geworden, dan is de hele markt myopisch (bijziend) geworden, nog uitsluitend op de korte termijn gericht. Het is dit gegeven dat de governance kortsluiting voor beursgenoteerde ondernemingen veroorzaakt. Ondernemingen die vaak een langetermijnoriëntatie moeten hebben om goede strategische keuzes te kunnen maken en uitvoeren en om de investeringen te kunnen doen die nodig zijn voor hun succes, zijn feitelijk afhankelijk geworden van een kapitaalmarkt die continue kortetermijnbeloning voor aandeelhouders eist. Blijft die beloning uit, dan verkopen de institutionele beleggers hun aandelen en is de onderneming al snel overgeleverd aan activisten. We kunnen ons ergeren aan agressieve activisten, maar hun spel is alleen mogelijk doordat andere institutionele beleggers niet werkelijk geïnteresseerd zijn in de langetermijnstrategie van ondernemingen.”40
De Nederlandse institutionele beleggers hadden zich in tegenstelling tot eerdere verwachtingen dus niet ontwikkeld tot stabiele kernaandeelhouders met substantiële belangen in Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen die voor een lange termijn werden aangehouden. Hierdoor ontstond in feite een vacuüm in het nieuwe systeem van corporate governance. Buitenlandse institutionele beleggers, waaronder activistische hedge funds, sprongen in het gat dat de Nederlandse institutionele beleggers hadden laten vallen. Bij een aantal beursondernemingen zoals Stork en ABN AMRO konden activistische aandeelhouders gebruik maken van de geboden ruimte door het aandeelhoudersbestand in de nieuwe samenstelling naar hun hand te zetten. Van noemenswaardige tegendruk vanuit Nederlandse institutionele beleggers kon geen sprake meer zijn, daarvoor waren hun aandelenbelangen te klein. De economische beschermingsconstructie die in het kader van de versterking van de positie van aandeelhouders was voorzien, werkte dus niet.