Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/XI.3.2
XI.3.2 Besluitkarakter
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178931:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Ploeg 2005, p. 268 en Dijk/Van der Ploeg 2019, p. 180.
Dijk/Van der Ploeg 2019, p. 180, mede onder verwijzing naar HR 19 december 2003, NJ 2004/559, m.nt. Brunner (Vrijbeheergemeenten/Nederlandse Hervormde Kerk), rov. 3.3.2. In genoemd arrest laat de Hoge Raad de status van de beroepsbeslissing juist in het midden.
Zie bijv. Rb. Zwolle 29 maart 2006, JOR 2007/115, m.nt. Rensen (KLM Aeroclub), rov. 4.2, Hof Arnhem 11 oktober 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BT7495 (Wildbeheereenheid Jachtvereniging Kampen), rov. 10 e.v., Hof ’s-Hertogenbosch 13 december 2011, Prg. 2012/41 (Schutterij St. Eligius Juliana), rov. 4.3.5 e.v, Rb. Midden-Nederland 24 augustus 2016, JOR 2017/32, m.nt. Van Vught (Wildbeheereenheid Noorderpark), Hof ’s-Hertogenbosch 30 mei 2017, JOR 2017/ 315, m.nt. Rensen (Judovereniging) en Rb. Den Haag 4 april 2018, RO 2018/42 (Rijschoolvereniging Attent), rov. 4.15. Anders bijv. Rb. Midden-Nederland 18 december 2013, NJF 2014/176 (ANBO), rov. 4.2-4.3, die aan 7:904 lid 1 BW toetst.
Hoewel de beroepsinstantie een orgaan is, zijn niet al haar beslissingen aan te merken als besluiten. Naar geldend recht steekt een probleem in het vereiste rechtsgevolg. Als het beroepsorgaan beslist het beroep af te wijzen, dan neemt het geen nieuw ontzettingsbesluit. Het beroepsorgaan bevestigt slechts het in eerste instantie genomen ontzettingsbesluit. Volgens Dijk/Van der Ploeg brengt de beslissing van het beroepsorgaan om deze reden geen rechtsgevolg teweeg – de betrokkene is en blijft tenslotte geroyeerd krachtens het eerdere ontzettingsbesluit. De beslissing zou geen rechtshandeling en dus geen besluit zijn.1 Dit betekent dat de beslissing van het beroepsorgaan nu eens een besluit, dan weer een niet-besluit (uitsluitend een bindend advies) is. Het eerste geldt indien het beroepsorgaan het ontzettingsbesluit vernietigt; het tweede indien het orgaan dat besluit in stand laat. Deze wat ongerijmde uitkomst maakt volgens Dijk/Van der Ploeg dat de beroepsbeslissing ‘dan maar’ steeds een bindende partijbeslissing moet zijn, waarop telkens de bepalingen inzake de vaststellingsovereenkomst ‘analogisch’ toepassing vinden.2
Ik zou Dijk/Van der Ploeg hierin niet willen volgen. Negatieve beslissingen moeten mijns inziens wel degelijk als besluit worden aangemerkt. Dan doet de uitkomst van het royementsberoep er niet toe. Steeds is er een vaststelling en ook een besluit. Dogmatisch valt dit uitstekend te verdedigen, zoals betoogd in § II.4 en § II.5. Daarbij komt dat het beroepsorgaan misschien naar de letter iets negatiefs beslist, maar op de keper beschouwd toch zeker een positief besluit neemt. Door zijn zegen te geven aan het royement, is de betrokkene definitief lid-af. Tegenover allen staat bindend vast dat het lidmaatschap is geëindigd. Er is een rechtsgevolg. Deze uitkomst sluit aan bij wat in de rechtspraak al gangbaar is. Meer dan eens wordt de bekrachtiging van een royement reeds via art. 2:14 en 2:15 BW getoetst.3 Kortom: op het royementsberoep wordt steeds met een besluit beslist, dat tevens als vaststelling is aan te merken.