Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.2.3.2
4.2.3.2 “Verboden” toekomstige goederen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476854:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/312; Snijders & Rank-Berenschot 2012/424; en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/251.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/312; en Snijders & Rank-Berenschot 2012/308.
In dezelfde zin ten aanzien van art. 1370 lid 2 (oud) BW: HR 25 oktober 1985, NJ 1986/308, m.nt. W.M. Kleijn (Hacken/Jansen).
Anders: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/251, waar mijns inziens ten onrechte uit art. 3:97 lid 1 jo. 4:4 lid 2 BW wordt afgeleid dat men de goederen die tot een nog niet opengevallen nalatenschap behoren niet bij voorbaat kan leveren.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/312.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402. Zie hierover ook P-G Langemeijer, in zijn conclusie bij HR 20 september 2002, JOR 2002/210, NJ 2002/610 (ING/Muller q.q.), nr. 3.17. Lenselink 2005, p. 528, stelt deze verkoop op één lijn met exploitatieovereenkomsten die verplichten tot levering van een geheel (toekomstig) oeuvre.
Zie voor een voorbeeld HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/342; en Van den Brink 2002, p. 97.
Vgl. art. 5 lid 3 Grundgesetz (Duitsland).
Vgl. HR 31 oktober 1969, NJ 1970/57, m.nt. G.J. Scholten (Mensendieckbond/ Kerstens). Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/343; en Van den Brink 2002, p. 41-42.
MvA, Kamerstukken I 2014/15, 33308, C, p. 11.
149. Naast registergoederen, kunnen toekomstige goederen ten aanzien waarvan het verboden is deze tot onderwerp van een overeenkomst te maken, niet bij voorbaat worden geleverd, zo volgt uit art. 3:97 lid 1 BW. Indien een overeenkomst met betrekking tot een toekomstig goed niet verbindend is, dan is ook de levering bij voorbaat van het goed niet mogelijk. Het doel van de uitzondering is te voorkomen dat door een levering bij voorbaat ernstig afbreuk zou worden gedaan aan de betekenis van een verbod.1
De uitsluiting van toekomstige goederen ten aanzien waarvan het verboden is om hen tot voorwerp van een overeenkomst te maken, wordt algemeen beschouwd als een nutteloze of overbodige beperking gelet op het causale stelsel van overdracht.2 Indien een verbod leidt tot de nietigheid van een overeenkomst met betrekking tot een toekomstig goed ontbreekt de voor overdracht vereiste geldige titel (art. 3:84 lid 1 BW). Een eventuele levering bij voorbaat ter uitvoering van de nietige overeenkomst zal alleen al om die reden geen effect sorteren. Anders dan de parlementaire toelichting suggereert, kan een dergelijke levering bij voorbaat geen afbreuk doen aan de betekenis van een verbod. De beperking van de levering bij voorbaat voor deze categorie van toekomstige goederen is, vanwege het causale stelsel van overdracht, dus volledig overbodig.
Daarnaast valt het nodige af te dingen op de juistheid van de voorbeelden die steevast worden genoemd in dit verband: overeenkomsten ten aanzien van goederen uit een nog niet opengevallen nalatenschap en de verkoop door een kunstenaar van al zijn toekomstige werken.3
– Goederen uit een nog niet opengevallen nalatenschap
150. Op grond van art. 4:4 lid 2 BW zijn overeenkomsten die strekken tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, nietig.4 Overeenkomsten ten aanzien van een of meer bepaalde goederen van de erflater vóór diens dood zijn niet ongeldig op grond van art. 4:4 lid 2 BW.5 Het verbod ziet dan ook niet op de overeenkomst waarbij een toekomstig erfgenaam of legataris alvast een bepaalde aan de erflater toebehorende zaak aan een derde verkoopt.6 Art. 3:97 lid 1 jo. 4:4 lid 2 BW sluit aldus alleen een levering bij voorbaat uit van een geheel of evenredig deel van een toekomstige nalatenschap of een toekomstig aandeel daarin. Een of meer bepaalde goederen van een toekomstige nalatenschap kunnen daarentegen zonder bezwaar bij voorbaat worden geleverd.7
Reehuis hanteert in dit verband een ongelukkig voorbeeld. Hij noemt het geval dat A bij voorbaat een Friese staartklok levert die A van zijn tante Neeltje hoopt te erven. Volgens Reehuis blijft deze levering zonder gevolg indien A de klok vervolgens daadwerkelijk erft.8 Die conclusie lijkt mij echter onjuist. Art. 4:4 lid 2 BW verhindert namelijk niet dat A reeds voor het overlijden van zijn tante rechtsgeldig een overeenkomst kan sluiten met betrekking tot de Friese staartklok. Dientengevolge staat ook art. 3:97 lid 1 BW niet in de weg aan een levering bij voorbaat van de klok door A aan een derde. Indien A uiteindelijk door erfopvolging de Friese staartklok verkrijgt – en op dat tijdstip aan alle vereisten van art. 3:84 lid 1 BW is voldaan, zal de klok automatisch door overdracht worden verkregen door de derde.
– Verkoop door een kunstenaar van al zijn toekomstige werken
151. Het voorbeeld van de kunstenaar die al zijn toekomstige werken verkoopt, roept ook vragen op. De Toelichting Meijers veronderstelt dat deze koopovereenkomst nietig is wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW).9 De juistheid van deze veronderstelling valt echter te betwijfelen. Of een overeenkomst nietig is wegens een inhoud of strekking die strijdig is met de goede zeden of de openbare orde, hangt af van het maatschappelijk oordeel omtrent hetgeen behoort (goede zeden) dan wel van de fundamentele beginselen van de huidige maatschappelijke organisatie (openbare orde).10 Het valt niet goed in te zien waarom de verkoop van alle toekomstige werken door een kunstenaar naar zijn aard strijdig is met de goede zeden of de openbare orde. Het ligt meer voor de hand om de overeenkomst tot overdracht van toekomstig werk als uitgangspunt geldig te achten. Zo is het bijvoorbeeld de normaalste zaak van de wereld dat een auteur al zijn huidige en toekomstige auteursrechten (en naburige rechten) ten titel van beheer overdraagt aan een rechtspersoon die zich toelegt op de collectieve belangenbehartiging van de auteurs.11 Het is echter niet uitgesloten dat de verkoop van alle toekomstige werken door een kunstenaar in een concreet geval strijdig is met de goede zeden of de openbare orde. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de verhouding tussen de prestaties waartoe de overeenkomst verplicht in verregaande mate onevenwichtig zijn.12 Ook kan de overeenkomst een onaanvaardbare beperking oplevering van de vrijheid van meningsuiting (art. 7 Gw of art. 10 EVRM) of in het bijzonder de vrijheid van kunst.13 Of de overeenkomst een dergelijke beperking oplevert, hangt af van de omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling zal een concrete afweging moeten worden gemaakt van de betrokken belangen.14 Het belang om de kunstenaar te beschermen tegen ondoordachte vermogensrechtelijke handelingen, kan daarbij een zeker gewicht in de schaal leggen. Daarnaast kan de kunstenaar onder bijzondere omstandigheden worden beschermd op grond van een specifieke regel. Zo zal een kunstenaar die uit onervarenheid, lichtzinnigheid of afhankelijkheid van een opdrachtgever al zijn toekomstig werk verkoopt, een beroep kunnen doen op een wilsgebrek als gevolg van misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW) en op die grond de koop vernietigen. In het kader van exploitatieovereenkomsten biedt art. 25f lid 1 Aw bescherming tegen een beding dat voor een onredelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn aanspraken inhoudt op de exploitatie van toekomstige werken van de maker. Dergelijke bedingen zijn vernietigbaar. De beoordeling van de termijn hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de leeftijd van de maker op het moment van aangaan van de overeenkomst, de duur van de exploitatieovereenkomst en de tegenprestatie die de maker van de exploitant ontvangt.15 Van een algemene ongeldigheid van iedere verkoop van alle toekomstige werken is echter geen sprake.