Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.3.12
3.3.12 Rechtspraakoverzicht na het arrest JPO/CBB; een selectie over gerechtvaardigd vertrouwen
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS303035:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 april 2007, RvdW 2007, 470 (Puramis Consultancy/MAB Groep).
HR 15 december 2006, RvdW 2007, 5 (Planoform/ABN AMRO).
HR 8 december 2006, RvdW 2006, 1150 (X/Kabos).
Hof 's-Hertogenbosch 25 maart 2008, LJN: BC8682.
Hof Amsterdam 30 augustus 2007, NJF 2008, 121.
Hof `s-Hertogenbosch 22 mei 2007, LJN: BB0496.
Hof `s-Gravenhage 6 februari 2007, NJF 2007, 153.
Hof Arnhem 7 november 2006, NJF 2007, 118.
Hof `s-Gravenhage 8 september 2006, JAR 2006, 281.
Hof Arnhem 25 juli 2006, LJN: AY5602.
Hof 's-Hertogenbosch 29 november 2005, NJF 2006, 246.
Rb. Utrecht 12 oktober 2008, LJN: BG3821.
Vznr. Rb. Dordrecht 18 september 2008, LIN: BF1260.
Rb. Utrecht 13 augustus 2008, LIN: BD9800.
Rb. Utrecht 2 juli 2008, NJF 2008, 402.
Vgl. ook Hof Arnhem 7 november 2006, NJF 2007, 118 waarin een soortgelijke discussie speelde met betrekking tot vermeend aan te nemen 'andere omstandigheden'. Het hof overwoog (r.o. 4.10): 'Bij de in 4.5 bedoelde 'andere omstandigheden van het geval' gaat het (...) om een zeer beperkte categorie uitzonderingsgevallen. Gedacht kan worden aan het geval dat wegens de maatschappelijke belangen die met de totstandkoming van een overeenkomst gemoeid zijn, geen mogelijkheid tot het bereiken van overeenstemming mag worden veronachtzaamd, zoals het geval kan zijn bij onderhandelingen over een collectieve arbeidsovereenkomst, ook al kan niet worden gesproken van een gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in de totstandkoming van een overeenkomst. Ook kan worden gedacht aan het geval dat moet worden onderhandeld tegen de achtergrond van een bepaalde, reeds bestaande rechtsverhouding, die partijen in beginsel verplicht tot onderhandelen, zoals een bedongen verplichting tot heronderhandelen over de voortzetting van een duurovereenkomst na het verstrijken van een bepaalde termijn of het intreden van bepaalde omstandigheden (Pari. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1440, 1442). Het moet derhalve gaan om (zeer) zwaarwegende omstandigheden die veelal een veroordeling tot hervatting van de onderhandelingen (en niet een vordering tot schadevergoeding, zoals hier aan de orde) het meest voor de hand doen liggen.'.
Rb. Amsterdam 22 mei 2008, NJF 2008, 330.
Rb. Haarlem 14 mei 2008, NJF 2008, 362.
Rb. Utrecht 23 april 2008, LIN: BD0116.
Rb. Arnhem 5 maart 2008, LIN: BC6877.
Rb. Rotterdam 13 februari 2008, LIN: BC6340.
Rb. Amsterdam 6 februari 2008, L.IN: BC7190.
Rb. Rotterdam 21 november 2007, L.IN: BCO215.
Rb. Rotterdam 17 oktober 2007, LIN BB7883.
Rb. Haarlem 12 juli 2007, L.IN: BB4068.
Rb. Amsterdam 4 juli 2007, RCR 2008, 21.
Rb. Dordrecht 27 juni 2007, LIN: BB0178.
Rb. Assen 30 mei 2007, L.IN: BA5823.
Rb. Almelo 31 januari 2007, LJN: AZ9196.
Rb. Haarlem 13 december 2006, LJN: AZ4442.
Rb. Rotterdam 21 juli 2006, NJF 2006, 557.
Rb. Haarlem 5 juli 2006, LJN: AY3519.
Vznr. Rb. Rotterdam 9 juni 2006, LIN: AX8491.
Rb. Arnhem 18 januari 2006, LIN: AV5462.
Rb. Arnhem 21 december 2005, L.IN: AV1987.
Rb. Arnhem 5 oktober 2005, L.IN: AU7615.
Hof Arnhem 19 juni 2007, LJN: BA8878.
Rb. Rotterdam 23 april 2008, LJN: BD2974.
Vznr. Rb. Haarlem 6 maart 2008, LIN: BC6684.
Rb. Arnhem 14 februari 2007, LIN: BA0057.
Rb. Alkmaar 29 maart 2006, LIN: AV7589.
In gelijke zin (namelijk: dat een strengere vertrouwensnorm moet worden aangelegd) is het arrest JPO/CBB m.i. ook opgevat in de lagere jurisprudentie, zij het dat de hiernavolgende analyse leert dat de rechtsonzekerheid er niet minder door geworden is. Geconstateerd kan worden dat vooral de lagere jurisprudentie die sinds het arrest JPO/CBB is verschenen met betrekking tot het antwoord op de vraag wanneer vertrouwen in het welslagen van de onderhandelingen rechtens relevant wordt, alles behalve een eenduidig beeld geeft. In sommige zaken geeft de rechter weliswaar aan, zich ervan bewust te zijn dat "streng en terughoudend" moet worden getoetst voor wat betreft het kunnen aannemen van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen, maar lijkt vervolgens een norm te worden aangelegd die — voor zover op grond van de beperkte weergave van de feiten kan worden geconstateerd — eerder lijkt aan te sluiten bij de jurisprudentie van voor het arrest JPO/CBB, terwijl in andere uitspraken juist een norm lijkt te worden aangelegd die zodanig streng is, dat men zich kan afvragen of het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen i berhaupt nog enige betekenis heeft. Onderstaand volgt een selectie van de na 12 augustus 2005 (het arrest JPO/CBB) gewezen jurisprudentie van zowel de Hoge Raad als (vooral) lagere rechters. In alle gevallen gaat het in de betreffende uitspraken om de vraag wanneer rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen dient te worden aangenomen en in (nagenoeg) alle gevallen wordt in de uitspraken met zoveel woorden gerefereerd aan de volgens de Hoge Raad in JPO/CBB aan te leggen "strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf" of in elk geval aan dit arrest.
Hoewel ik mij realiseer dat het antwoord op de vraag naar de aanwezigheid van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen een hoog casuïstisch karakter heeft en de rechter zich bij het formuleren van de uitspraak noodzakelijkerwijs beperkingen dient op te leggen voor wat betreft de (omvang van de) weergave van de feiten (die ik in het kader van dit boek bovendien ook nog eens slechts samengevat en daarmee selectief weergeef), meen ik desalniettemin dat onderstaande selectie een beeld geeft van de rechtsontwikkeling na het arrest JPO/CBB waaruit naar mijn mening de conclusie getrokken kan worden dat de begrippen "streng" en "terughoudend" bepaald geen eenduidige begrippen zijn en dat de spreekwoordelijke lat, hoewel in het algemeen hoger gelegd, niet altijd volgens de zelfde norm wordt gehanteerd.
Allereerst volgen enkele uitspraken waarin de norm (duidelijk) hoger lijkt te liggen dan in de periode van voor het arrest JPO/CBB (waarbij ik mij overigens realiseer dat mijn oordeel daarbij in belangrijke mate is bepaald door de selectie van de feiten zoals die uit de uitspraak blijkt en dat, mede als gevolg daarvan, een zekere subjectiviteit in de interpretatie van de uitspraken niet te vermijden is). Vervolgens worden enkele uitspraken aangehaald waarin naar mijn oordeel de lat weer een stuk lager lijkt te liggen, althans waarin lang niet zo "streng en terughoudend" getoetst lijkt te worden.
HR 27 april 2007 (Puramis/MAB Groep)1
Puramis en MAB Groep voerden onderhandelingen over een mogelijke samenwerking in verband met het tot stand brengen van een World Trade Center te Nice. MAB Groep had bepaalde koopopties bij Franse partijen verworven, maar besloot op een gegeven moment deze opties op te geven. De Franse partijen wilden hierover niet meer in overleg treden met Puramis. Het kwam uiteindelijk niet meer tot een voltooiing van het plan en Puramis stelde schade te hebben geleden als gevolg van het door toedoen van MAB Groep niet doorgaan van het plan en hield daarvoor MAB Groep aansprakelijk. De rechtbank oordeelde dat niet was gebleken dat Puramis en MAB Groep op essentiële onderdelen overeenstemming hadden bereikt, zodat Puramis er, onder toepassing van de JPO/CBB-norm, niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de onderhandelingen succesvol zouden worden afgesloten en dat de onderhandelingen dus niet in een zodanig stadium waren dat deze niet meer zonder schadevergoeding mochten worden afgebroken. Het hof bevestigde deze visie en de Hoge Raad verwierp het beroep op grond van art. 81 RO.
HR 15 december 2006 (Planoform/ABN AMRO)2
Planoform en ABN AMRO onderhandelden over de huur van bedrijfsruimte. ABN AMRO deed verschillende huuraanbiedingen, onder voorbehoud dat voor 1 december 1999 met de bouw zou worden gestart. Dit lukte niet. Na een onderhandelingsproces van ongeveer 3 jaar brak ABN AMRO de onderhandelingen af. Planoform vorderde voor de Rb. Arnhem vergoeding van schade door het niet-nakomen van de aangegane huurovereenkomst en subsidiair vergoeding van kosten en (overige) schade door het onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen door ABN AMRO. De rechtbank oordeelde dat
"gezien de vele punten waarop al overeenstemming bestond en uit het verdere verloop van de onderhandelingen bij Planoform het vertrouwen kon ontstaan dat daaruit een huurovereenkomst zou resulteren.".
Vergoeding van de kosten die hiermee specifiek waren gemoeid werd toegewezen, de overige vorderingen werden afgewezen. Planoform kwam in hoger beroep en stelde wederom dat er een perfecte huurovereenkomst tot stand was gekomen en (subsidiair) dat de onderhandelingen onrechtmatig waren afgebroken. Dit resulteerde in een eis voor vergoeding van positief contractsbelang, respectievelijk schadevergoeding, waaronder gederfde winst. Het Hof Arnhem bekrachtigde echter het vonnis van de kantonrechter en de Hoge Raad verwierp het beroep op grond van art. 81 RO.
HR 8 december 2006 (X/Kabos)3
In deze zaak was in geschil of er al dan niet een huurovereenkomst tussen partijen was ontstaan en zo niet, of één van partijen dan de onderhandelingen onrechtmatig had afgebroken. Partijen onderhandelden over de verhuur/huur van een aantal loodsen dat opgekocht kon worden uit een faillissement, onder de voorwaarde dat partijen niet met derden zouden onderhandelen. Gedaagden hadden eiser tot tweemaal toe een overeenkomst toegezonden met het verzoek deze te tekenen en dan te retourneren. Eiser weigerde dat echter en gedaagden gaan met een andere partij in zee. Zowel de Rb. Rotterdam, het Hof 's-Gravenhage als de Hoge Raad wees de vordering af. De belangrijkste reden was de bekendheid van eiser met het feit dat gedaagden onder bepaalde tijdsdruk opereerden en voor een bepaalde datum huurders voor de loodsen moesten hebben. Toen eiser naliet om de overeenkomst te retourneren, waren gedaagden vrij om met anderen in zee te gaan.
Hof 's-Hertogenbosch 25 maart 20084
Partijen onderhandelden over de koop van een horecabedrijf, te weten de inventaris en de goodwill. Appellante stelde primair dat er sprake was van een perfecte overeenkomst. Het hof verwierp deze stellingname omdat er geen overeenstemming was over de essentialia van de overeenkomst. Ook van gerechtvaardigd vertrouwen in de totstandkoming van een koopovereenkomst was geen sprake. Het hof hanteerde in deze zaak de formule uit JPO/CBB en kwam tot de conclusie dat partijen nog geen overeenstemming over de prijs hadden en dat er daarnaast ook nog vele onduidelijkheden waren wat betreft andere punten:
"Nu het appellante bekend was of kon zijn dat geïntimeerden al die andere aspecten nog wilden onderzoeken alvorens een besluit omtrent de koop van de onderneming te nemen, heeft appellante te weinig gesteld om te kunnen komen tot de conclusie dat het geïntimeerden op grond van een gerechtvaardigd vertrouwen bij appellante in het tot stand komen van een overeenkomst niet zonder meer vrijstond om tot het besluit te komen om niet met appellante te contracteren." (r.o. 4.16)
Hof Amsterdam 30 augustus 20075
In deze zaak spraken partijen met elkaar af dat de geplande bedrijfsovername in zogenaamde "beslisfasen" zou plaatsvinden. Al in de eerste fase brak één van partijen de onderhandelingen af. Ondanks het feit dat deze partij volgens het hof gedurende een periode van maximaal een jaar de tijd had om van de overname af te zien, was dat niet in alle gevallen gerechtvaardigd.
"Het hof verwerpt dus het betoog (...), dat partijen zijn overeengekomen dat zij in het eerste jaar, ongeacht tussentijdse ontwikkelingen, steeds van elkaar af zouden kunnen zonder schadeplichtig te worden" (r.o. 4.9)
Hof 's-Hertogenbosch 22 mei 20076
Satellietmeubelen B.V. en Infolook B.V. onderhandelden met elkaar over een nieuwe huurovereenkomst, nadat zij eerder met elkaar een huurovereenkomst waren aangegaan. Satellietmeubelen stelde de voorwaarde dat er vooraf een nieuwe bankgarantie zou worden gesteld en een bedrag betaald zou worden voor nog openstaande bedragen. Het kwam niet tot een schriftelijke overeenkomst tussen partijen en Satellietmeubelen stelde zich op het standpunt dat Infolook de kantoorruimte diende te verlaten. In kort geding vorderde Infolook in reconventie schadevergoeding vanwege het ongerechtvaardigd afbreken van de onderhandelingen door Satellietmeubelen. De kantonrechter wees deze vordering toe omdat Infolook gedurende zekere tijd aan uitlatingen en gedragingen van Satellietmeubelen het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat in ieder geval enigerlei overeenkomst tot stand zou komen. (r.o. 4.3.1) Echter, het hof overwoog dat Satellietmeubelen, gezien de omstandigheden, terecht de voorwaarden van een bankgarantie en een vooraf te betalen bedrag stelde. Infolook had namelijk toentertijd verschillende financiële problemen. Het hof vernietigt het oordeel van de rechtbank onder toepassing van de JPO/CBB-norm.
Hof 's-Gravenhage 6 februari 20077
In deze zaak onderhandelden de gemeente en een projectontwikkelaar (Rogom) over de ontwikkeling van een nieuwbouwproject. Rogom deed de gemeente een aanbieding en stelde tegelijkertijd de gemeente op de hoogte van de tot dan toe gemaakte kosten. De gemeente reageerde dat is overeengekomen op no cure no pay basis te werken en beëindigde de samenwerking. Na protest van de projectontwikkelaar formuleerde de gemeente een laatste bod, waarop Rogom te laat reageerde en herhaalde dat de gemeente haar kosten moest vergoeden. Rogom was echter wel "in hoofdlijnen" akkoord met het bod. De gemeente stelde dat het bod was vervallen en uiteindelijk werd de grond aan een derde verkocht. De rechtbank oordeelde dat de gemeente niet gerechtigd was om de onderhandelingen af te breken en dat de gemeente het positief contractsbelang aan Rogom moest vergoeden. Het hof oordeelde echter dat het de gemeente onder deze omstandigheden vrij stond om de onderhandelingen af te breken, aangezien het aan Rogom zelf te wijten was dat er geen overeenkomst tot stand was gekomen. (r.o. 8) Op grond daarvan was er geen enkele grond voor vergoeding van enige schade, noch het positief contractsbelang, noch het negatief contractsbelang. (r.o. 9) Het hof stelde nog dat als een onderhandelende partij zekerheid wil over de vergoeding van de door haar gemaakte kosten, het op de weg van die partij ligt om daarover tijdig bindende afspraken te maken. (r.o. 9)
Hof Arnhem 7 november 20068
In dit arrest, waarin appellante en geïntimeerde (een projectontwikkelaar) onderhandelden over de realisatie van een bedrijfspand, werd het vonnis van de rechtbank vernietigd, omdat de rechtbank niet de tot terughoudendheid nopende maatstaf van de Hoge Raad uit het JPO/CBB arrest had gehanteerd. (r.o. 4.6) Het hof overwoog dat er geen sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van geïntimeerde en dat er ook geen andere omstandigheden waren die het onaanvaardbaar maakten dat de onderhandelingen werden afgebroken. In r.o. 4.10 noemt het hof een aantal voorbeelden waarin dat wel het geval kan zijn, maar overwoog het ook dat dit een zeer beperkte categorie uitzonderingsgevallen is. Dat er geen gerechtvaardigd vertrouwen bestond, leidde het hof vooral af uit het feit dat geïntimeerde zelf een bod had gedaan waaraan een bepaalde deadline verbonden was. De vraag of onaanvaardbaarheid moest worden getoetst aan de eisen van redelijkheid en billijkheid of aan de maatstaf van art. 6:162 BW kan volgens het hof in het midden blijven:
"Het zal immers weinig uitmaken of men het gedrag van onderhandelende partijen toetst aan de eisen van redelijkheid en billijkheid dan wel aan de maatstaf van art. 6:162 BW, nu het in beide gevallen zal gaan om het gedrag dat van partijen in het licht van hun onderhandelingspositie en de verdere omstandigheden van het geval kan worden gevergd",
hetgeen, aldus het hof, ook in de Parlementaire Geschiedenis is terug te vinden. (r.o. 4.18)
Hof 's-Gravenhage 8 september 20069
Dit geschil ging over de vraag of er een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand was gekomen of dat er sprake is van ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen door de werkgever. Het hof overwoog dat ook voor dit soort geschillen de maatstaf van JPO/CBB van toepassing is (r.o. 7), en paste vervolgens een m.i. buitengewoon strenge maatstaf toe, reden waarom ik dit arrest iets uitvoeriger omschrijf. Begin september 2002 vond overleg plaats op initiatief van Metterwoon, de potentiële nieuwe werkgever van de sollicitant. In het kader daarvan vond onder meer het navolgende plaats:
10 september 2002: een gesprek met de adjunct-directeur, de directeur en een personeelslid van afdeling Bedrijfshuisvesting;
23 september 2002: een dag meegelopen, de ochtend met een personeelslid van afdeling verhuur, de middag met de heer [Z], en gesproken met het hoofd van de afdeling Technisch onderhoud en een personeelslid van de afdeling Technisch onderhoud;
25 oktober 2002: gesproken met de heren [X en Y] (beiden van de afdeling acquisitie vastgoed) en de directeur. Daarbij heeft de directeur de sollicitant gezegd met hem verder te willen gaan. De directeur heeft hem toen ook een kopie van het vertrouwelijk ingewonnen antecedentenonderzoek meegegeven, alsmede het zgn. Monacokoffertje met video en een boek over het personeelsfeest naar aanleiding van het 25-jarige bestaan van Metterwoon dat alleen voor personeelsleden bestemd was;
26 oktober 2002: de directeur belde de sollicitant thuis op om "zijn goede gevoel uit te spreken" en om te melden dat hij de sollicitant ook privé wilde bezoeken om ook thuis kennis te maken;
7 november 2002: bespreking contractsvoorwaarden met de adjunct-directeur, en deels met het hoofd boekhouding die met name uitleg gaf over de bij Metterwoon geldende en aangeboden pensioenregeling en autokostenvergoeding, en later nog even apart met een personeelslid van de afdeling Bedrijfshuisvesting. De adjunct-directeur heeft bij voormeld gesprek de sollicitant een arbeidsovereenkomst voorgesteld in de functie van portefeuille manager voor de duur van zes maanden ingaande 1 januari 2003 met een bruto maandsalaris van € 8 335;
8 november 2002: de sollicitant belde de adjunct-directeur met de vraag het voormelde aangeboden salaris te verhogen tot 9n zijn auto; Metterwoon reageerde daarop negatief;
12 november 2002: de sollicitant meldde telefonisch aan Metterwoon (zowel aan de secretaresse van de adjunct-directeur als aan de heer X) dat hij het aanbod van 7 november 2002 aanvaardde;
13 november 2002: de adjunct-directeur heeft de sollicitant telefonisch welkom geheten bij de "club";
15 november 2002: de adjunct-directeur deelde de sollicitant mee dat hij hem de dag daarop een conceptarbeidsovereenkomst zou overhandigen; voorts is op verzoek van de adjunct-directeur een afspraak gemaakt om op 19 november 2002 bij Metterwoon alvast strategieën, denkbeelden en oplossingen uit te wisselen aan de hand van recente gebeurtenissen, de problematiek en werkzaamheden van de afdeling Technisch Onderhoud (alwaar de eerste taken van de sollicitant na aanvang werkzaamheden zouden komen te liggen);
De sollicitant zegde vervolgens zijn toenmalige dienstverband bij Nobis REMS B.V. per brief van 15 november 2002 op met ingang van 1 januari 2003;
Op 17 november 2002 kreeg de sollicitant de conceptarbeidsovereenkomst (hierna: het concept) ter ondertekening thuis bezorgd. De afspraak van 19 november 2002 had hij verzet naar 22 november 2002 om 15.30 uur;
Op 22 november 2002, begin van de middag, stelde de sollicitant telefonisch met de adjunct-directeur (in ieder geval) de volgende punten ter bespreking aan de orde:
Het ontbreken van een perspectief op voortzetting na afloop van de bepaalde tijd; in het concept was vermeld dat het dienstverband voor een half jaar werd aangegaan dat na afloop daarvan van rechtswege eindigde
(art. 2.1), alsmede dat indien de overeenkomst na het verstrijken van die termijn zou worden verlengd of door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, zij werd geacht steeds voor dezelfde termijn op dezelfde voorwaarden te zijn aangegaan (art. 2.3);
De sollicitant wilde doen opnemen vanaf welke datum hij in de pensioenregeling van Metterwoon zou worden opgenomen; in het concept was hieromtrent niets opgenomen; de pensioenregeling van Metterwoon hield onweersproken in dat men pas zou gaan deelnemen als men in vaste dienst zou zijn;
De sollicitant was het niet eens met de strekking van de in het concept vermelde regeling ten aanzien van de vakantie; het concept maakte onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen.
De werktijden; volgens het concept waren deze van maandag t/m vrijdag vanaf 09.00 - 19.00 uur en indien de werkzaamheden daartoe aanleiding zouden geven ook op avonden en andere dagen en/of werktijden; De sollicitant stemde op zich in met ruime werktijden maar achtte het concept in strijd met de wet;
Het verbod om zonder toestemming van Metterwoon privé onroerend goed transacties uit te voeren; de sollicitant vond dit te betuttelend omdat ook de aankoop van een tweede huis daaronder zou vallen;
Het recht van Metterwoon om de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen; in het concept had Metterwoon zich dit recht voorbehouden indien zij een zodanig zwaarwichtig belang zou hebben dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou moeten wijken; een dergelijke bepaling was in het overleg tussen partijen niet aan de orde gekomen en de sollicitant wenste limitatief te doen opnemen in welke gevallen Metterwoon van dit recht gebruik zou kunnen maken.
Metterwoon voelde daar niets voor en brak vervolgens de onderhandelingen met de sollicitant af. Laatstgenoemde stelde zich echter op het standpunt dat het Metterwoon niet meer vrij stond om de onderhandelingen eenzijdig af te breken. Het hof oordeelt daarop:
"Het feit dat partijen elkaar op 15 november 2002 zozeer waren genaderd dat zij op dat moment verwachtten dat een overeenkomst in het verschiet lag, is onvoldoende om te concluderen dat Metterwoon in zo sterke mate het vertrouwen had gewekt dat een overeenkomst tot stand zou komen dat de sollicitant nog voor hij het aangekondigde concept had ontvangen zonder risico zijn toenmalige baan kon opzeggen." (r.o. 8)
Naar mijn oordeel heeft het hof hier wel een zeer straffe maatstaf aangelegd voor het aannemen van totstandkomingsvertrouwen; zelfs de mededeling van de directeur waarbij de sollicitant wordt welkom geheten tot de "club" is kennelijk niet voldoende om dit vertrouwen rechtens relevant te doen zijn. Men kan zich afvragen welke omstandigheid hier dat vertrouwen dan nog wel zou kunnen hebben laten postvatten.
Hof Arnhem 25 juli 200610
Dit is een zaak verwant aan die welke ten grondslag lag aan het arrest JPO/CBB. In dit geval procedeerde de gemeente tegen WO. De gemeente vorderde in hoger beroep dat de in eerste aanleg toegewezen vorderingen alsnog zouden worden afgewezen. Het hof overwoog, mede naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad inzake JPO/CBB en onder toepassing van de daarin geformuleerde JPO/CBB-norm, dat WO niet meer gerechtvaardigd kon vertrouwen op de totstandkoming van een overeenkomst met de gemeente en er daardoor voor de gemeente geen enkele verplichting bestond om door te onderhandelen met WO. (r.o. 4.13 en 4.14) Het door WO gevorderde werd afgewezen.
Hof 's-Hertogenbosch 29 november 200511
In deze casus stelde de afbrekende partij een vordering in tegen de onderhandelingsparter. Appellante onderhandelde met de gemeente Simpelveld over de aankoop van een industrieterrein. Appellante kwam er achter dat de gemeente het stuk grond had belast met een aan een derde contractueel toegezegde en nog te vestigen erfdienstbaarheid van overpad. Daarop besloot appellante de onderhandelingen af te breken en vorderde zij van de gemeente nodeloos gemaakte kosten. Het hof overwoog dat er geen overeenkomst tussen partijen tot stand was gekomen en partijen dus nog steeds in de precontractuele fase verkeerden. Het hof herhaalde de maatstaf voor het toekennen van schadevergoeding in geval van afgebroken onderhandelingen uit JPO/CBB en stelt dat in het onderhavige geval, waarin de afbreker schadevergoeding vordert:
"juist (...) voor het aannemen van aansprakelijkheid een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf moet worden gehanteerd." (r.o. 4.5.2)
Rb. Utrecht 12 oktober 200812
Laservision en Bam Techniek onderhandelden met elkaar over de inrichting van een nieuwe kliniek voor Laservision. Na verschillende gespreken en correspondentie over en weer, brak Bam Techniek de onderhandelingen af, voornamelijk omdat partijen het niet eens konden worden over de datum van oplevering en de gevolgen van overschrijding daarvan. Partijen spraken, gedurende de onderhandelingen, af dat, indien geen overeenstemming zou ontstaan, Laservision de door Bam Techniek gemaakte uren na 30 juni 2006 zou vergoeden. Het door Laservision gedane aanbod op 6 juli 2006 was onder de voorwaarde dat binnen één week overeenstemming zou worden bereikt over de leveringsomvang en een bijbehorend contract. De rechtbank hanteerde de maatstaf uit JPO/CBB en concludeerde dat het onder deze omstandigheden niet onaanvaardbaar was dat de onderhandelingen door Bam Techniek werden afgebroken. Volgens de rechtbank waren partijen het nog niet eens over de essentialia van de te sluiten overeenkomst, waarbij vooral de datum van oplevering en de gevolgen van overschrijding daarvan een heikel punt vormden. In reconventie vorderde Bam Techniek het positief contractsbelang van Laservision, argumenterend dat Laservision de onderhandelingen willens en wetens had gefrustreerd en dus materieel de partij was die de onderhandelingen afbrak. De rechtbank accepteerde deze redenering niet en herhaalde haar standpunt dat de onderhandelingen tussen partijen nog niet in een zo ver gevorderd stadium verkeerden dat deze niet afgebroken mochten worden. Laservision diende echter wel, volgens afspraak, de verrichte werkzaamheden na 30 juni aan Bam Techniek te vergoeden.
Vznr. Rb. Dordrecht 18 september 200813
De gemeente Papendorp en een projectontwikkelaar onderhandelden met elkaar over de realisering en exploitatie van een winkel door deze projectontwikkelaar op een door deze van de gemeente te kopen perceel grond. In de koopovereenkomst was opgenomen dat de levering en betaling pas dienden te geschieden na verlening van een definitieve bouwvergunning en de start van de bouw van het project door het bouwteam. Nadat al een bouwvergunning le fase was verleend en men begonnen was met de sloop, liet de projectontwikkelaar weten af te zien van de ontwikkeling van de winkelruimte. De voorzieningenrechter achtte niet aannemelijk dat er sprake was van de totstandkoming van een overeenkomst. Er was echter wel gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de gemeente dat overeenstemming zou worden bereikt over alle essentialia van de samenwerkings- en realisatieovereenkomst. (to. 4.11) De rechter overwoog:
"Bij langdurige onderhandelingen als de onderhavige mag van een partij die twijfelt over het sluiten van de beoogde overeenkomst helderheid worden verwacht. Zo mag van die partij worden verwacht dat die duidelijk is over de breekpunten en de termijn waarbinnen deze dienen te worden opgelost. Uit het vorenstaande volgt dat gedaagden dat in onvoldoende mate hebben gedaan, waardoor zij er aan hebben bijgedragen dat de Gemeente er op 23 mei 2008 nog gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook overeenstemming zou worden bereikt over de essentiële onderdelen om met de bouw te kunnen aanvangen. Op grond van het vorenstaande is voldoende aannemelijk dat het gedaagden niet vrij stond de onderhandelingen af te breken, zodat op haar de plicht rust om door te onderhandelen. Dat het door de inmiddels verstreken tijd niet meer mogelijk is het winkelpand voor 1 juni 2009 aan gedaagden op te leveren, dient daarbij voor rekening en risico van gedaagden te komen." (r.o. 4.13 en 4.14)
Rb. Utrecht 13 augustus 200814
Partijen onderhandelden over overdracht van het klantenbestand van gedaagde aan eiser, een drukkerij. Tussen partijen ontstond een uitvoerige correspondentie, waarin partijen het voornamelijk niet eens blijken te zijn over de vraag of gedaagde al dan niet bepaalde bedragen van eiser had ontvangen. Deze discussie kwam er volgens de rechtbank aan in de weg te staan dat er gerechtvaardigd vertrouwen bij gedaagde kon ontstaan dat partijen een overeenkomst zouden gaan sluiten, zulks onder toepassing van de JPO/CBB-norm.
Rb. Utrecht 2 juli 200815
Partijen onderhandelden over de koop door EP van de vorderingen van Megapool op de franchisenemers, aangezien Megapool in staat van faillissement was verklaard. EP brak de onderhandelingen af en Megapool voerde aan dat er al sprake was een perfecte overeenkomst. De rechtbank overwoog dat dit niet het geval was aangezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de franchisenemers en EP niet als één van de essentialia van onderhavige overeenkomst kon worden beschouwd. Voorts waren partijen het nog niet eens over de koopprijs. Tevens was er geen sprake van onrechtmatig afbreken van onderhandelingen, waarbij de rechtbank de maatstaf uit JPO/CBB hanteerde. De van belang zijnde elementen waren in dit geval dat de koopprijs nog niet was vastgesteld, maar ook dat andere onderwerpen, zoals de verificatie van vorderingen en de zogenaamde Megapool Plus Garantie, nog onderwerp van discussie waren. Dit leidde ertoe dat er geen sprake kon zijn van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van Megapool. Ten slotte beriep Megapool zich op de aanwezigheid van andere omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maakten. Megapool wees onder andere op het feit dat er sprake was van een faillissementssituatie en dat ook voor die tijd al onderhandelingen hadden plaatsgevonden. Dit alles mocht niet baten, want de rechtbank stelde dat "andere omstandigheden" een zeer beperkte categorie uitzonderingsgevallen zijn:
"Het moet gaan om (zeer) zwaarwegende omstandigheden die veelal een veroordeling tot hervatting van de onderhandelingen (en niet een vordering tot schadevergoeding, zoals hier aan de orde) het meest voor de hand doen liggen."'16 (r.o. 4.24)
Rb. Amsterdam 22 mei 200817
Eiser en Delta Lloyd onderhandelden over de overname van de aandelen in Robein Leven N.V., waarvan eiser enig aandeelhouder was. In de loop van de onderhandelingen, nadat overeenstemming was bereikt over de prijs van de aandelen, eiste Delta Lloyd een vrijwaring, waarop de onderhandelingen werden afgebroken. De rechtbank oordeelde dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat Delta Lloyd niet gerechtigd zou zijn een voorstel tot een minder vergaande vrijwaring (dan algehele) voor te stellen en dat als finaal voorstel te presenteren. Uiteindelijk werd geoordeeld dat Delta Lloyd gerechtvaardigd deze eis mocht stellen en dat in het midden kan blijven wie uiteindelijk de onderhandelingen heeft afgebroken, zulks ook in dit geval weer onder toepassing van de JPO/CBB-norm.
Rb. Haarlem 14 mei 200818
Partijen onderhandelden over het opzetten van een theatertour. Op het moment dat de laatste besprekingen tussen partijen plaatsvonden, stelde gedaagde als voorwaarde dat eiser een bankgarantie zou stellen van 100 procent van het totaal aan gedaagde te betalen bedrag. Eiser wilde of kon daaraan niet voldoen, waarop gedaagde de onderhandelingen afbrak. De rechtbank oordeelde als volgt:
"Het afbreken van de onderhandelingen in de hiervoor genoemde omstandigheden kan op zichzelf niet ongeoorloofd worden geacht. Gedaagde diende daarbij echter wel rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van eiser, die ter voorbereiding van de tour en in het vertrouwen in het tot stand komen van enige overeenkomst reeds kosten had gemaakt. Tot dat vertrouwen had gedaagde tot dan toe ook bijgedragen door een tekst voor het theaterboekje aan te leveren en een aankondiging op zijn website te zetten. Het stond gedaagde dan ook niet zonder meer vrij de onderhandelingen af te breken." (r.o. 4.10)
Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat er plaats is voor vergoeding van kosten, "voor zover deze daadwerkelijk en in redelijkheid zijn gemaakt". Voor vergoeding van het positief contractsbelang was geen plaats.
Rb. Utrecht 23 april 200819
In deze zaak ging het over de onderhandelingen tussen Edah Bruining en Schuitema over de overname van de onderneming van Edah Bruining door Schuitema. Na verschillende onderhandelingen trok Schuitema zich terug. Edah Bruining stelde nu dat er een overeenkomst tot stand was gekomen, ofwel dat de onderhandelingen in een dusdanig stadium waren afgebroken dat Schuitema schadeplichtig was. De rechtbank oordeelde dat, ondanks dat bepaalde hoofdpunten voor een koopovereenkomst in een brief waren weergegeven, er geen sprake kon zijn van een perfecte overeenkomst. Bovendien moest Laurus (moedermaatschappij) nog schriftelijke goedkeuring geven. De vraag of er al dan niet sprake was van onaanvaardbaar afbreken van de onderhandelingen werd door de rechtbank aan de hand van de maatstaf van JPO/CBB beantwoord. (r.o. 4.7) De onderhandelingen over deze overname vonden plaats tegen de achtergrond van de verkoop van de Edah formule, waarbij Laurus toestemming moest geven aan franchisenemers. Edah Bruining kon dus slechts gerechtvaardigd vertrouwen als zij er tevens vanuit kon gaan dat er overeenstemming tussen Laurus en Schuitema zou komen. In dat verband speelden verschillende aspecten van mededingingsrechtelijke problematiek een rol. De rechtbank concludeerde dat Edah Bruining niet gerechtvaardigd kon vertrouwen op het totstandkomen van een overeenkomst en er daarom geen sprake was van onaanvaardbaar afbreken van de onderhandelingen.
Rb. Arnhem 5 maart 200820
Errobo en gedaagden onderhandelden over de aankoop van een onroerende zaak. Partijen werden het niet eens en een derde deed een bod op de onroerende zaak. Gedaagden lieten aan Errobo weten een bod te hebben gekregen en Errobo maakte geen gebruik van de door gedaagden geboden gelegenheid om het bod te overtreffen. Errobo stelde nu dat de onderhandelingen op onrechtmatige wijze zijn afgebroken en zij vorderde positief en/of negatief contractsbelang. De rechtbank hanteerde de maatstaf van JPO/CBB (r.o. 4.4) en stelde dat het niet zo is dat het enkele feit dat partijen mogelijk dicht bij overeenstemming waren al mee bracht dat Errobo erop mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen. Alleen lang tijdsverloop van de onderhandelingen levert dit vertrouwen in ieder geval niet. (r.o. 4.8) Errobo kreeg de gelegenheid om haar stellingen verder toe te lichten. (r.o. 4.16)
Rb. Rotterdam 13 februari 200821
Rabobank en MIO onderhandelden over een doorstart van FG, nadat deze gefailleerd was. MIO verweet Rabobank deze doorstart te hebben gefrustreerd door de crediteuren van FG in kennis te stellen van het pandrecht van Rabobank op de vorderingen van FG op haar crediteuren. De rechtbank hanteerde de maatstaf uit JPO/CBB. (r.o. 7) De rechtbank overwoog dat het vertrouwen van MIO op een goede afloop alleen gebaseerd was op haar eigen inschatting en niet op gedragingen of mededelingen van de Rabobank. MIO werd toegelaten om te bewijzen dat Rabobank haar had meegedeeld dat debiteuren van FG pas zouden worden aangeschreven als duidelijk werd dat de doorstart niet door zou gaan.
Rb. Amsterdam 6 februari 200822
AZ en Versatel onderhandelden over een sponsorovereenkomst. Versatel brak op een zeker moment de onderhandelingen af. AZ claimde dat er al sprake was van een overeenkomst, maar deze stelling werd door de rechtbank afgewezen. Voorts stelde AZ dat de onderhandelingen op onrechtmatige wijze waren afgebroken. De rechtbank hanteerde de maatstaf uit JPO/CBB (r.o. 4.3) en gaf aan dat toen partijen over de inhoud van de te maken afspraken debatteerden, bleek dat partijen het op wezenlijke onderdelen oneens waren. In de daaropvolgende communicatie hielden beide partijen aan hun standpunten vast. In die situatie kon AZ er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat er overeenstemming bestond of dat er uitzicht bestond op een oplossing. Er was geen sprake van onaanvaardbaar afbreken van de onderhandelingen.
Rb. Rotterdam 21 november 200723
MoZa en Texaco waren in onderhandeling getreden over de (ver)koop van tankstations. Texaco had nadrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat haar directie goedkeuring diende te verlenen aan de transactie. In verband met gewijzigd beleid ging de directie van Texaco niet akkoord met de verkoop. Allereerst stelde MoZa dat er sprake was van een overeenkomst tussen partijen, waaraan Texaco gebonden was. Deze stelling werd door de rechtbank verworpen. Er was inderdaad overeenstemming over de essentialia van de overeenkomst, maar vanwege het gemaakte voorbehoud kon Texaco daaraan niet gebonden worden geacht. Om dezelfde reden had er geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontstaan bij MoZa dat er enigerlei overeenkomst tot stand zou komen en daarom was het afbreken van de onderhandelingen door Texaco, ook bij toepassing van de JPO/CBB-norm, niet ongeoorloofd.
Rb. Rotterdam 17 oktober 200724
Eiser en gedaagden onderhandelden over de verkoop van een woning. Uiteindelijk verkochten gedaagden deze aan een derde. Eiser stelde dat gedaagden de onderhandelingen op onaanvaardbare wijze hadden afgebroken en dat zij schadeplichtig waren. De rechtbank hanteerde de maatstaf uit JPO/CBB (r.o. 3.4 en 3.5) en concludeerde dat en geen sprake was van onaanvaardbaar afbreken of een schadevergoedingsplicht. De rechtbank stelde:
"Het stond gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 vrij de woning voor een door hen bepaalde vraagprijs te koop aan te bieden aan Estate en Roos Projectontwikkeling B.V., de partij van hun voorkeur, ook al wisten zij dat (ook) eiser, die hen diverse malen had benaderd, de woning heel graag wilde verwerven en mogelijk bereid zou zijn daarvoor dezelfde of eventueel een nog hogere prijs te betalen." (r.o. 3.6)
Rb. Haarlem 12 juli 200725
Hemubo (aannemer) en de VVE van Flatgebouw Strandhotel Zandvoort (VVE) onderhandelden over de renovatie van het flatgebouw. Dat resulteert in een afstandsovereenkomst, welke de strekking had dat exclusief met Hemubo zou worden onderhandeld teneinde te bezien of partijen ter zake van de voor het flatgebouw noodzakelijke renovatiewerkzaamheden tot overeenstemming konden komen. (r.o. 4.1) Op een zeker moment zegde de VVE de afstandsovereenkomst op wegens gebrek aan financiële middelen. Deze opzegging was in strijd met het bepaalde in de afstandsovereenkomst en daarom werd de VVE veroordeeld tot het betalen van de door Hemubo gemaakte kosten. (r.o. 4.4) Voorts diende berekend te worden welke gederfde winst in aanmerking komt voor vergoeding, en wel aan de hand van de volgende vragen. Hoe groot, in percentages uitgedrukt, zou de kans op de totstandkoming van een renovatieovereenkomst tussen Hemubo en de VVE zijn geweest, indien de VVE het spel volgens de regels was blijven spelen? En wat voor overeenkomst was er dan uit de bus gekomen? Bij de beantwoording van deze vragen kan ook de overeenkomst die de VVE met een derde heeft gesloten, een rol spelen. (r.o. 4.8-4.9)
Rb. Amsterdam 4 juli 200726
NBM en DB REI onderhandelden over de koop van de Kalvertoren te Amsterdam. In dit verband waren partijen een Letter of Intent overeengekomen, met onder andere daarin de voorwaarde dat de Raad van Bestuur van DB REI haar goedkeuring voor de transactie moest verlenen. De prijs die was vastgesteld in de Letter of Intent bleek later onder de marktwaarde te liggen en DB REI ontving een hoger bod. De Raad van Bestuur onthield haar toestemming voor de verkoop omdat het bedrag in de Letter of Intent tegenover investeerders niet verantwoord was. De rechtbank overwoog dat, gelet op de formuleringen in de LOI partijen niet hebben beoogd een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde aan te gaan, maar dat partijen zouden overgaan tot het sluiten van een koopovereenkomst indien de voorwaarden zouden zijn vervuld. Het intreden van de voorwaarde, doet dus niet automatisch een koopovereenkomst tot stand komen. (r.o. 5.5) Eén van de voorwaarden was niet vervuld, namelijk de goedkeuring van de Raad van Bestuur van DB REI. NBM stelde dat de Raad niet op grond van de prijs haar goedkeuring mocht onthouden, omdat de Raad van Bestuur wist van deze prijs. De rechtbank stelde echter dat sprake was van een ongeclausuleerd goedkeuringsvereiste, dat ten volle door de Raad van Bestuur kon worden benut. (r.o. 5.11) Subsidiair vordert NBM het positieve contractsbelang, omdat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank hanteerde de maatstaf uit JPO/CBB en concludeert dat het in dit geval niet onaanvaardbaar was om de onderhandelingen af te breken. Om die reden hoefde het positief contractbelang niet te worden vergoed. (r.o. 5.18-5.19)
Rb. Dordrecht 27 juni 200727
Exclusive Yachts International N.V. (EYI) en X België en X Nederland onderhandelden over samenwerking bij de vervaardiging en verkoop van polyester jachten. De samenwerking kwam toch niet van de grond en EYI stelde primair dat er een overeenkomst was en dat X deze moest nakomen. De rechtbank overwoog als volgt:
"Bij een beroep op het tot stand komen van een rompovereenkomst doet zich de vraag voor of ten aanzien van een overeenkomst, waarin een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent één of meer onderdelen een rompovereenkomst doet ontstaan, zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de bedoeling van partijen, zoals deze moet worden aangenomen op grond van: (i) de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, (ii) het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en (iii) de verdere omstandigheden van het geval. Nu [X] c.s. enige wilsovereenstemming tussen partijen betwist, wordt eerst onderzocht of partijen over één of meer van de door EYI c.s. gestelde onderwerpen wilsovereenstemming hebben bereikt. Dit hangt af van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden." (r.o. 4.4)
Om wilsovereenstemming te kunnen aannemen, diende EYI er redelijkerwijs op te mogen vertrouwen dat X Nederland toestemming zou geven. Hiervoor was vereist dat uit enige gedraging of verklaring van X Nederland was af te leiden dat een toereikende volmacht aan de gesprekspartner was gegeven. Daar was in casu geen sprake van. (r.o. 4.6-4.7) EYI beriep zich op het mondeling tot stand zijn gekomen van wilsovereenstemming De rechtbank overwoog hieromtrent het volgende:
"Hoewel niet vereist, zal een dergelijke veelomvattende overeenkomst in de regel door middel van een schriftelijk contract worden gesloten. Indien dit niet het geval is zal een dergelijke overeenkomst op zijn minst worden voorbereid door op enig moment tijdens de onderhandelingen op schrift te stellen wat de belangrijkste punten van de overeen te komen samenwerking zijn." (r.o. 4.8)
Daar was in dit geval geen sprake van. Subsidiair beriep EYI zich op de plicht van X om de schade te vergoeden vanwege de stukgelopen onderhandelingen. De rechtbank herhaalde de maatstaf uit JPO/CBB (r.o. 4.29) en stelde dat deze maatstaf niet alleen van toepassing is indien partijen met elkaar onderhandelen:
"Ook als partijen anders dan door onderhandelingen betrokken zijn bij het voorbereiden van een tussen hen te sluiten overeenkomst, dient bij het beoordelen van het staken van die voorbereidingen deze maatstaf te worden gehanteerd." (r.o. 4.30)
De rechtbank kwam tot de slotsom dat er geen sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen in het tot stand komen van enigerlei overeenkomst,
"nu het afbouwen van meerdere jachten volgens het concept [jachtenontwerper] en onder de naam [jachtenontwerper] daarvan een essentieel onderdeel vormde." (r.o. 4.35)
Hierover was blijkens de feiten nog geen overeenstemming bereikt. Rb. Assen 30 mei 200728
Eiser en de gemeente onderhandelden over het Project Ontwikkeling Cultuur Kwartier Assen. De gemeente brak op een zeker moment de onderhandelingen af en eiser stelde dat er een overeenkomst was gesloten. De rechtbank oordeelde echter dat er geen wilsovereenstemming was dan wel op korte termijn zou worden bereikt. (r.o. 5.20) Subsidiair stelde eiser dat het afbreken van de onderhandelingen door de gemeente onaanvaardbaar was. De rechtbank overwoog dat dit niet het geval was:
"Hierbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat partijen steeds uitdrukkelijk rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat ze uiteindelijk niet samen in zee zouden gaan, in dat verband ook afspraken hebben gemaakt over kosten, deadlines zijn overeengekomen en er na het verstrijken van de deadline, op 31 januari 2005, geen uitzicht op was dat zij op een aantal wezenlijke onderdelen van de te sluiten overeenkomst, zoals de grondprijs en het minicasino binnen een redelijke termijn alsnog tot overeenstemming zouden komen." (r.o. 5.25)
Rb. Almelo 31 januari 200729
X en Y onderhandelden over de aanleg van een bouwput. Na verschillende offertes en gesprekken besloot Y de opdracht niet aan X te gunnen. X stelde allereerst dat er een overeenkomst tot stand was gekomen die nagekomen diende te worden. Voorts stelde X dat er sprake was van ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen en X vorderde zowel gederfde winst als gemaakte kosten. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake kon zijn van een overeenkomst, voornamelijk omdat de directie van Y zich daarover nog niet had uitgesproken. Wat betreft het ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen, overwoog de rechtbank als volgt, de maatstaf uit JPO/CBB in ogenschouw nemende. Er kan geen sprake zijn van vergoeding van gederfde winst, aangezien dit een gerechtvaardigd vertrouwen in de totstandkoming van de overeenkomst vereist. Daar was geen sprake van nu er geen aanwijzingen waren dat er uitlatingen of gedragingen van de directie van Y waren die zo'n vertrouwen deden ontstaan. Er was echter wel plaats voor vergoeding van bepaalde kosten, gemaakt in de onderhandelingsfase. De rechtbank overwoog:
"Uitgangspunt daarbij moet zijn dat de kosten die men in de precontractuele fase maakt in beginsel voor eigen rekening komen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan het zo zijn dat de afbrekende partij de door de wederpartij gemaakte kosten moet vergoeden." (r.o. 7.10)
De rechtbank oordeelde dat er in dit geval sprake was van zulke bijzondere omstandigheden. Y gaf zelf al aan dat haar contacten met X over de ontwikkeling van het plan het niveau van acquisitie was ontstegen en dat er sprake was van een vergevorderd offertestadium.
Rb. Haarlem 13 december 200630
Eiser was door Filmmij benaderd om als geluidsman te werken voor een documentaire. Partijen gingen daarover in onderhandeling en spraken op een bepaald moment het een en ander af met betrekking tot het salaris en de werkperiode. Echter, toen Filmmij aan eiser het contract opstuurde, deed eiser met betrekking tot bovengenoemde punten wijzigingsvoorstellen. Daarop besloot Filmmij de onderhandelingen af te breken. De rechtbank overwoog dat er geen overeenkomst tot stand was gekomen en dat Filmmij de onderhandelingen mocht afbreken zonder schadeplichtig te zijn, omdat het eiser was die uiteindelijk door het doen van wijzigingsvoorstellen het bereiken van wilsovereenstemming tussen partijen had belet.
Rb. Rotterdam 21 juli 200631
TNT huurde een bedrijfsruimte van Uni Invest en wenste deze huurovereenkomst vroegtijdig te beëindigen. Dat kon, maar Uni Invest stelde als voorwaarde dat er tussen Uni Invest en Securicor dan een nieuwe huurovereenkomst zou worden gesloten. Na vele contacten brak Securicor toch de onderhandelingen af, voornamelijk omdat er geen overeenstemming ontstond over airconditioningvoorzieningen en over de huur van een gedeelte van een naastgelegen pand. De rechtbank oordeelde dat er geen overeenkomst tot stand was gekomen. Gezien het feiten-complex konden bovenstaande twistpunten niet als ondergeschikt worden gezien. Vervolgens kwam de vraag aan de orde of Securicor de onderhandelingen kon afbreken zonder schadeplichtig te zijn. De rechtbank oordeelde van wel:
"Bij deze beoordeling zijn van belang de aard van het contract waarover werd onderhandeld, de daaruit voortvloeiende belangen van de bij de onderhandelingen betrokken partijen en het feitelijke verloop van de onderhandeling." (r.o. 2)
Het belang van Securicor — eigen huisvesting — werd groter geoordeeld dan het belang van Uni Invest of TNT.
Rb. Haarlem 5 juli 200632
Metroprop B.V. en Special Sports Beheer B.V. onderhandelden over de (ver)huur van een bedrijfspand. Metroprop (de potentiële verhuurder) stelde een concept-huurovereenkomst op, die niet werd getekend door Special Sports. Special Sports wenste eerst nog duidelijkheid te hebben over het opleveringsniveau van het gehuurde en stelde als voorwaarde dat de overeenkomst alleen kon worden gesloten als er een onherroepelijke bouwvergunning zou zijn verleend en de voorgenomen bedrijfsvoering in het pand zou kunnen worden gerealiseerd. Een jaar later was er nog geen duidelijkheid over de vereiste vergunningen en stelde Special Sports een termijn waarbinnen duidelijkheid moest zijn over de vergunningen. Als dat ook niet het geval was, brak Special Sports de onderhandelingen af. Behalve een interessante uiteenzetting over opschortende voorwaarden, overwoog de rechtbank dat Special Sports niet op ongeoorloofde wijze de onderhandelingen had afgebroken:
"Special Sports zou pas gehouden kunnen zijn tot vergoeding van de door Metropop gestelde voorbereidingskosten en schadevergoeding wegens gederfde huurinkomsten, indien komt vast te staan dat de contractsonderhandelingen tussen partijen door Special Sports zijn afgebroken in een zodanig vergevorderd stadium dat Metroprop er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat een huurovereenkomst tot stand zou komen. In een zo vergevorderd stadium zijn de besprekingen van partijen evenwel niet gestrand." (r.o. 17)
Vznr. Rb. Rotterdam 9 juni 200633
Aldi en Heijmans (projectontwikkelaar) onderhandelden over de vernieuwing van een huurovereenkomst als onderdeel van een nieuwbouwproject. Onderdeel van de onderhandelingen was dat het huidige pand van Aldi ontruimd en gesloopt zou worden en dat Aldi in een nieuw pand zou worden gehuisvest. Voorts had Aldi met Heijmans afgesproken dat Heijmans zich zou inspannen voor een Aldi vestiging in Tilburg. In geschil was of tussen partijen een overeenkomst tot stand was gekomen, nu het project ver gevorderd is en Aldi weigerde om het huidige pand te ontruimen. De rechter concludeerde dat er sprake was van wilsovereenstemming over de essentialia en daardoor de ontruimingsverplichting voor Aldi weldegelijk bestond. (r.o. 5.8 en 5.9) Aldi stelde voorts nog dat de directie van Aldi geen goedkeuring had gegeven aan de overeenkomst. De rechter nam echter impliciete goedkeuring aan dan wel de impliciete indruk van de directie dat een van de medewerkers bevoegd was om bindende afspraken te maken met Heijmans. (r.o. 5.11) Ten slotte overwoog de voorzieningenrechter dat Heijmans wel aan haar inspanningsverplichting had voldaan, ondanks dat het Tilburgse bestemmingsplan geen ruimte bood voor een Aldi-supermarkt. (r.o. 5.12)
Rb. Arnhem 18 januari 200634
Chiptec en de Raad van de gemeente Nijmegen onderhandelden over de implementatie van een bepaald chipsysteem in Nijmegen. Tijdens de onderhandelingsfase was steeds gezegd dat uiteindelijk de Raad goedkeuring zou moeten geven aan dit plan en uiteindelijk onthield de Raad goedkeuring. Chiptec stelde nu primair dat er een overeenkomst tot stand was gekomen en vorderde subsidiair, op grond van het onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen, positief en negatief contractsbelang. De rechtbank stelt vast dat er geen overeenkomst tot stand was gekomen. De vraag naar de vergoeding van positief en negatief contractsbelang werd, via het gerechtvaardigd vertrouwen in het welslagen van de onderhandelingen, aan de hand van de maatstaf van JPO/CBB beoordeeld. Er was geen plaats voor vergoeding van het positief contractsbelang, omdat er geen aanwijzingen waren die er op duidden dat Chiptec er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat er enigerlei overeenkomst tot stand zou komen. Met betrekking tot vergoeding van gemaakte kosten, overwoog de rechtbank dat slechts onder bijzondere omstandigheden het zo kan zijn dat de afbrekende partij de door de wederpartij gemaakt kosten moest vergoeden. (r.o. 7) Chiptec had ook bepaalde uitvoeringskosten, met medeweten van verscheidene wethouders, gemaakt. Deze kwamen echter ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat Chiptec wist dat de Raad nog goedkeuring zou moeten geven. (r.o. 10)
Rb. Arnhem 21 december 200535
Partijen onderhandelden over de verkoop van een aantal percelen door gedaagde aan Clou, een projectontwikkelaar. Clou had, nadat partijen dat hadden afgesproken, een conceptkoopakte laten opstellen bij de notaris. Nadat deze bij gedaagde was afgegeven, liet deze aan Clou weten niet over te gaan tot ondertekening. In een eerdere procedure had Clou een vordering tot nakoming, subsidiair tot door-onderhandelen ingesteld. De rechtbank overwoog dat de vordering tot nakoming niet toewijsbaar was, omdat er geen sprake was van een perfecte en onvoorwaardelijke overeenkomst tussen partijen. De vordering tot dooronderhandelen was ook niet toewijsbaar, gezien de houding van partijen en voornamelijk gedaagde tijdens het proces. Gedaagde werd veroordeeld de helft van de proceskosten van Clou te betalen. In deze procedure vorderde Clou vergoeding van positief contractsbelang. De rechtbank hanteerde de strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf van JPO/CBB. Er werd geconcludeerd dat er geen sprake kon zijn van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van Clou, aangezien over een aantal punten nog een overeenstemming was bereikt, met name over welke onderdelen voor wiens rekening en risico zouden komen.
Rb. Arnhem 5 oktober 200536
De gemeente en een projectontwikkelaar onderhandelden over het ontwikkelen van de zogenaamde Kloosterplaats in Bemmel. Na vier jaar onderhandelen gaf de welstandscommissie van de gemeente een negatief advies en besloot de gemeente de onderhandelingen af te breken, onder vergoeding van bepaalde door de projectontwikkelaar gemaakte kosten. Allereerst stelde de eiser dat er een intentieovereenkomst tot stand was gekomen en dat, subsidiair, op grond daarvan diende te worden dooronderhandeld. Beide vorderingen werden afgewezen, omdat de gemeenteraad tot het aangaan van zulke overeenkomsten diende te besluiten en dat in deze zaak een dergelijk besluit niet was genomen. Meer subsidiair eiste de projectontwikkelaar schadevergoeding wegens het ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen door de gemeente. De rechtbank hanteerde de maatstaf uit JPO/CBB en concludeerde dat er geen sprake kon zijn van gerechtvaardigd vertrouwen in het tot stand komen van, vooral, de exploitatieovereenkomst bij de projectontwikkelaar. Relevante omstandigheden hiervoor waren het feit dat tijdens het overleg steeds bleek dat het niet gemakkelijk was om tot overeenstemming te komen tussen de verschillende belangenvertegenwoordigers. Bovendien had de gemeente bedongen dat zij de exploitatieovereenkomst zou opstellen, maar tijdens de onderhandelingen was er nog geen concept voor een dergelijke overeenkomst gemaakt. Voorts was over de te volgen procedure voor wijziging of vrijstelling van het bestemmingsplan door partijen nog niet gesproken. Tenslotte was het negatieve advies van de welstandscommissie van belang. De rechtbank merkte ook nog op dat de lange duur van de onderhandelingen — vier jaar — voor de gemeente een argument vormden voor haar twijfel of zij er ooit uit zou komen met de projectontwikkelaar. De aangeboden schadevergoeding — voor voornamelijk bepaalde architectkosten — werd als voldoende beoordeeld.
Enkele (lagere) uitspraken waarin bepaald minder "streng en terughoudend" lijkt te worden getoetst voor wat betreft het aannemen van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen, betreffende de navolgende.
Hof Arnhem 19 juni 200737
Partijen onderhandelden over een huurovereenkomst, waarvoor de mogelijke huurder een voorkeursrecht had verworven. De verhuurder brak de onderhandelingen af omdat hij de bedrijfsunit aan zijn zoon wilde verhuren. Hij voerde aan dat het voorkeursrecht van de mogelijk huurder was vervallen. Het hof verwierp deze stelling omdat de mogelijke huurder had aangegeven, via de makelaar, nog over de huurovereenkomst te willen dooronderhandelen en omdat daartoe ook een afspraak was gemaakt. Het hof oordeelde voorts dat er geen sprake is van een voorovereenkomst, stellende:
"Voor het aannemen van een voorovereenkomst acht het hof vooreerst vereist dat partijen zich over de inhoud van de te sluiten overeenkomst in zodanige mate gelijkluidend hebben uitgelaten of opgesteld, dat over die overeenkomst daarmee een inhoud kan worden toegekend waarbij voldoende bepaalbaar is welke verbintenissen partijen op zich hebben genomen. Voorts is het echter ook nodig dat partijen zich zodanig uitgelaten en gedragen hebben dat zij dat in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs in die zin mochten begrijpen dat zij aan de tot op dat ogenblik bereikte overeenstemming als overeenkomst gebonden zouden zijn." (r.o. 5.6)
Daar was in casu geen sprake van. Het hof overwoog voorts dat in geval van afgebroken onderhandelingen terughoudendheid dient te worden betracht bij het toewijzen van een vordering tot dooronderhandelen, welke in eerste aanleg was toegewezen. Gezien het ontbreken van een voorovereenkomst, werd deze vordering in hoger beroep afgewezen. Het hof hanteerde de maatstaf uit JPO/CBB en concludeerde wel dat de mogelijke huurder er gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat er enige huurovereenkomst tot stand zou komen. De eisen van de verhuurder en de, bij de verhuurder bekende, voorwaarden van de mogelijke huurder kwamen in belangrijke mate overeen. Bovendien had de mogelijke huurder aannemelijk gemaakt dat zij de voorwaarden van de verhuurder wilde accepteren en dat er nog slechts over ondergeschikte punten moest worden gesproken. Aangezien de verhuurder er niet in slaagde om enige onvoorziene omstandigheid aan te tonen, welke, ondanks het gerechtvaardigde vertrouwen van de toekomstig huurder, het afbreken van de onderhandelingen rechtvaardigde, diende de verhuurder schadevergoeding te betalen.
Rb. Rotterdam 23 april 200838
Eiseres en Wivevi onderhandelden over de koop door eiseres van 50% van de aandelen in een vennootschap, welke aandelen voor 100% eigendom waren van Wivevi. Na ongeveer een half jaar onderhandelen brak Wivevi de onderhandelingen af. De rechtbank overwoog dat de stelling van eiseres dat partijen het over de prijs en het object eens waren, onvoldoende was om te concluderen dat er sprake was van een perfecte overeenkomst. (r.o. 5.4) Bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van een schadevergoedingsplicht wegens het afbreken van de onderhandelingen, hanteerde de rechtbank de "strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf" uit JPO/CBB. (r.o. 5.9-5.10) Er diende echter meer bewijs te worden geleverd door eiseres om haar stellingen te onderbouwen. De rechtbank overwoog wel het volgende:
"In het geval dat komt vast te staan dat partijen een overeenkomst hebben opgesteld en in het kader van de voorgenomen samenwerking gezamenlijke beslissingen hebben genomen op het gebied van personeel en/of behuizing van de vennootschap en daaraan ook uitvoering hebben gegeven, was het in beginsel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Wivevi de onderhandelingen heeft afgebroken zonder de door eiseres geleden schade te vergoeden." (r.o. 5.12)
Door gezamenlijk beslissingen te nemen op het gebied van personeel en huisvesting had Wivevi een voorschot genomen op de samenwerking en kon er bij eiseres een vertrouwen ontstaan dat enigerlei overeenkomst tot stand zou komen.
Vznr. Rb. Haarlem 6 maart 200839
VNU en Eventex organiseerden gezamenlijk een beurs voor online marketing en werkten aan de voorbereiding voor een nieuwe beurs in 2008. Onderhandelingen over de schriftelijke vastlegging van de afspraken waren vastgelopen. VNU vorderde onder andere dat Eventex zou worden veroordeeld tot verder onderhandelen over de precieze vorm van samenwerking. Eventex droeg drie onderwerpen aan waarover geen overeenstemming was bereikt tussen partijen, namelijk de overdraagbaarheid, de duur en beëindiging van de overeenkomst en het non-concurrentiebeding. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze drie elementen niet als essentialia van de overeenkomst konden worden gezien en dat er sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen in het welslagen van de onderhandelingen, ook volgens de JPO/CBB-norm. (r.o. 4.11 e.v.) De vordering tot dooronderhandelen werd toegewezen. (r.o. 4.18)
Rb. Arnhem 14 februari 200740
Philips onderhandelde met Vitens en Winkelsteeg over het zgn. permeaatwaterproject. Philips brak uiteindelijk de onderhandelingen af en voerde verschillende redenen aan die het afbreken aanvaardbaar moesten maken. In het tussenvonnis had de rechtbank al vastgesteld dat het afbreken in principe onaanvaardbaar was toen Philips een leveringscontract parafeerde. Echter, daarna was ook nog een aantal dingen voorgevallen dat het afbreken volgens Philips aanvaardbaar maakte. Allereerst voerde Philips de financieringsproblemen aan die zij met ING had. De rechtbank oordeelde echter dat de door Philips gestelde "verminderde haalbaarheid" niet was komen vast te staan. (r.o. 2.8) Voorts voerde Philips aan dat de nieuwe accountancyregelgeving als een onvoorziene omstandigheid moest worden gezien. Echter, deze regelgeving was al eerder geïntroduceerd en viel bovendien in de risicosfeer van Philips zelf. (r.o. 2.11 en 2.12) Daarnaast had Philips haar twijfels over het project niet voldoende duidelijk gecommuniceerd naar de gesprekspartners, waardoor bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen op een overeenkomst kon blijven bestaan. De slotsom was dat Philips schadeplichtig was en ook het positief contractsbelang diende te vergoeden. (r.o. 2.29)
Rb. Alkmaar 29 maart 200641
Partijen onderhandelden over de (ver)koop van een onroerende zaak. Eiser kreeg een optie op het pand voor twee weken, binnen welke termijn hij een serieus bod kon uitbrengen. Na het verstrijken van deze periode brengt de eiser een bod uit van € 200 000, terwijl de vraagprijs € 250 000 was. Op het makelaarskantoor is tussen eiser en gedaagde onderhandeld, waarbij gedaagde had aangegeven dat de bodemprijs € 240 000 was en eiser dat niet had geboden. Uiteindelijk nam gedaagde het pand uit de verkoop. Eiser vorderde nu een verklaring voor recht dat er sprake is van een overeenkomst en, subsidiair, dat er sprake was van ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen, ten gevolge waarvan positief dan wel negatief contractsbelang diende te worden vergoed. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een overeenkomst tussen partijen en dat tevens gedaagde niet het vertrouwen had gewekt bij eiser dat er een overeenkomst tot stand zou komen. Hierbij baseerde de rechtbank zich op het overwogene in JPO/CBB. De belangrijkste overweging om geen gerechtvaardigd vertrouwen aan te nemen was het feit dat eiser niet de bodemprijs had geboden, die door gedaagde als voorwaarde was gesteld.