Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/13.4.1:13.4.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/13.4.1
13.4.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452794:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de duiding in privaatrechtelijke zin, namelijk als rechtspersoon, worden door de wetgever bijzonder weinig handvatten gegeven om aan de term kerkgenootschap in concrete situaties toepassing te geven. De wetsgeschiedenis maakt inzichtelijk dat de wetgever bewust nooit een inhoudelijke definitie heeft gegeven van het kerkgenootschap. Een dergelijke definitie zou maar leiden tot theologische disputen en zou bovendien in strijd komen met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien waren er in het verleden slechts enkele algemeen erkende kerkgenootschappen en gaf het ontbreken van een definitie geen problemen.
In de jurisprudentie werd het kerkgenootschap in 1947 omschreven als een organisatie die zich de gemeenschappelijke godsverering van haar leden, op grondslag van gemeenschappelijke opvattingen ten doel stelt. Deze omschrijving wordt nog steeds gehandhaafd. In deze interpretatie liggen een aantal objectieve eisen vervat. Het moet gaan om: 1. een organisatie, 2. er moet sprake zijn van een gemeenschappelijke godsverering, 3. de organisatie moet een grondslag hebben van gemeenschappelijke opvattingen. Later is daar als vierde eis bijgekomen dat de organisatie ook zelf als kerkgenootschap wil gelden.
In het arrest Satanskerk (1986) overwoog de rechter voor het eerst dat gezien de huidige multiculturele samenleving in beginsel ook andere dan christelijke en joodse organisaties konden worden gekwalificeerd als kerkgenootschap. Dit uitgangspunt komen we halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw ook tegen in EHRM-jurisprudentie. Bij de aanpassing van het NBW in 1991 lijkt ook de wetgever expliciet een ruimer begrip van kerkgenootschap te omarmen. Zo stelde de minister dat onder de term kerkgenootschap ook andere groeperingen konden vallen zoals islamitische of boeddhistische.
In de jurisprudentie van het EHRM wordt gesteld dat verdragsstaten niet op inhoudelijke, dogmatische gronden mogen bepalen wat een kerkgenootschap of religieuze gemeenschap is. Wel mogen verdragsstaten formele of procedurele eisen stellen. Het is de vraag of de eis van ‘gemeenschappelijke godsverering’ zoals die wordt gehanteerd in de nationale jurisprudentie in het licht van de jurisprudentie van het EHRM kan worden gezien als een formele of procedurele eis. De woorden ‘gemeenschappelijke godsverering’ lijken toch een vrij exclusieve lading te hebben die vooral kan worden geassocieerd met de traditionele monotheïstische godsdiensten.
In de literatuur spreekt men ten aanzien van over de religiositeitseis. In tegenstelling tot de jurisprudentie is men in de literatuur al tot de slotsom gekomen dat de eis van ‘gemeenschappelijke godsverering’ (religiositeitseis) kan worden afgezwakt. Men vindt dat het voldoende is wanneer de gemeenschap een religieus karakter heeft. Wat dit concreet betekent, blijft onbepaald. Ook de (mede)wetgever lijkt niet per se te willen vast houden aan ‘gemeenschappelijke godsverering’. De minister had het in 2004, in een brief aan de Kamer betreffende de mogelijkheid tot ontbinding van onder andere kerkgenootschappen en moskeeën in het kader van terrorismebestrijding, over de eis van ‘gemeenschappelijke religieuze beleving of bezinning’ in plaats van ‘gemeenschappelijke godsverering’. We kunnen concluderen dat de religiositeitseis in toenemende mate een open karakter krijgt. Dit past in een subjectiverende trend waarbij ruimte wordt geboden aan een pluraliteit van godsdiensten, religieuze bewegingen etc.
Gezien de jurisprudentie, wetsgeschiedenis en literatuur kunnen we concluderen dat het begrip kerkgenootschap steeds verder is gesubjectiveerd. Aanvankelijk is men de definiëring van het kerkgenootschap uit de weg gegaan voornamelijk vanwege de uiteenlopende theologische visies tussen de katholieke en protestantse denominaties, later werd de moeilijkheid om een definitie te geven voor het kerkgenootschap versterkt door de komst van (religieuze) migranten, de opkomst van religieuze bewegingen en de opwaardering van het gelijkheidsbeginsel.