Einde inhoudsopgave
Codes en convenanten (SteR nr. 20) 2014/2.2.3
2.2.3 Vormen
mr. A.G.D. Overmars, datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- Auteur
mr. A.G.D. Overmars
- JCDI
JCDI:ADS358944:1
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht / Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Westerman, P.C. & A.R. Mackor (red.), Vormen van (de)regulering, Den Haag 2008.
Nike heeft bijvoorbeeld sinds 1992 een gedragscode die bedrijven die voor Nike werken verplicht zorg te dragen voor goede arbeidsomstandigheden voor de werknemers uit de lagelonenlanden, met een veilige en gezonde werkomgeving zonder misbruik, vernedering of uitbuiting.
Nota Rechtsstaat en rechtsorde, Kamerstukken II 2003-2004, 29 279, nr. 1, p. 5-6.
Eijlander & Voermans 2000, p. 71. Zie ook: Petersen, A. van & F. van Vree, Randvoorwvaarden voor zelfregulering. Het veld aan het roer, Research voor Beleid nr. 2, 2005.
Zie ook Baarsma e.a. 2003, p. 52.
Gestel, R. van, Zelfregulering, milieuzorg en bedrijven, diss. Universiteit van Tilburg, Den Haag 2000, p. 144-145.
Eijlander & Voermans, 2000, p. 72 e.v.
Art. 28 e.v. van de Loodsenwet. Het loodswezen kent – evenals de advocatuur, het notariaat, de gerechtsdeurwaarders, accountants, octrooigemachtigden, beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg, veterinairen en zeevarenden – een wettelijk geregeld tuchtrecht, als sluitstuk van zelfregulering. Het wettelijk tuchtrecht stelt onder meer regels over de eisen aan een klaagschrift, het onderzoek naar een klacht, de gang van zaken tijdens het proces, de op te leggen maatregelen (zoals de boete of een schorsing), spoedvoorzieningen en rechtsmiddelen, maar regelt niet het materiële tuchtrecht (de beroepsnormen), de beroepsorganisaties en de organisatie van de tuchtcolleges.
Van Gestel 2000, p. 74 en 309.
Zie bijvoorbeeld art. 4.1.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Eijlander & Voermans 2000, p. 75.
Zelfregulering kan op uiteenlopende wijze vorm krijgen.1 Maatschappelijke druk speelt soms een rol: met het ‘vrijwillig’ opstellen van gedragsregels kan een organisatie het publiek laten zien van goede wil te zijn (imago). Zo ontwikkelde de kleding- en sportgoederenindustrie een gedragscode, als reactie op de maatschappelijke verontwaardiging over vermeende kinderarbeid.2
Ook de overheid kan een maatschappelijk vraagstuk geheel aan de betrokken sector overlaten, of algemene kaders stellen waarbinnen burgers en instellingen zelf de regels een bepaalde – door de overheid gewenste – inhoud kunnen geven.3 Bij wettelijk geconditioneerde zelfregulering, tot slot, laat de overheid het reguleringsinitiatief volledig over aan het veld maar stelt zij aan het te bereiken resultaat wel randvoorwaarden, welke in wettelijke kaders kunnen zijn vastgelegd. Hierbij zijn de activiteiten van de overheid en veldpartijen complementair aan elkaar.4 Voordeel is dat de inbreuk door de overheid geringer is en dat de handelingsvrijheid van het veld groter is ten opzichte van zuivere overheidsregulering terwijl de overheid de te realiseren overheidsdoelstelling in de gaten houdt.5
De wetgever stelt materiële of procedurele voorwaarden en oefent grote invloed uit.6 Er zijn drie hoofdvormen te onderscheiden:7
De vorm waarin de wetgever zelfregulering op draagt en rechtsgevolgen aan het eindproduct verbindt. Een voorbeeld is het wettelijk tuchtrecht voor loodsen.8
De vorm waarin de wetgever de mogelijkheid tot zelfregulering biedt, en rechtsgevolgen aan het eindproduct verbindt. Een voorbeeld is de algemeenverbindendverklaring van een CAO.
De vorm waarin de (dreiging met) wet(geving) een stok achter de deur is, voor het geval partijen er zelf niet uitkomen.
Er wordt in veel sectoren zelfregulering aangetroffen. Van belang daarbij is dat de wetgever aansluit bij de belevingswereld van de doelgroep, wil hij de identiteit en autonomie van de betrokken sector tot hun recht laten komen.9 Dat kan een principiële grond hebben, zoals bij de commissies van beroep in het bijzonder onderwijs (de grondwettelijke vrijheid van onderwijs is daar leidend), 10 maar het kan ook een meer praktische reden hebben, zoals de gedachte dat de doelgroep (uitvoerenden, belanghebbenden, afnemers, gebruikers) het beste zelf kan uitmaken hoe zij haar belang behartigt. Daarnaast kan de grotere betrokkenheid van de doelgroep ook leiden tot grotere bereidheid de zelfgestelde regels na te leven. Bovendien bespaart de overheid op handhavings- en uitvoeringskosten.11