Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.2.3
2.2.3 De betekenis van het verbod voor het intellectuele-eigendomsrecht
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955438:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deurvorst, GS Onrechtmatige daad, aant. II.2.1.1.7.
Brinkhof, BIE 1997, afl. 1, p. 14.
HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8483, NJ 2009/549, m.nt. P.B. Hugenholtz (XS4ALL/Ab.Fab), rov. 3.18: “Daarnaast heeft Ab.Fab betoogd dat zij heeft aangeboden de kosten te vergoeden van het gebruik dat zij van het computersysteem van XS4ALL maakt. Ook dit aanbod kan de onderhavige inbreuk op de exclusieve rechten van XS4ALL niet rechtvaardigen omdat een exclusief gerechtigde niet door een zodanig aanbod kan worden gedwongen een gebruik van haar goed te dulden waaraan hij niet wenst mee te werken”.
Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML), rov. 4.50.
Intellectuele-eigendomsrechten worden om die reden ook wel beschouwd als publieke goederen (public goods); zie Samuelson, Rev. Econ. Stat. 1954, afl. 4, p. 387-389. Zie ook Varian 1992, p. 414 (betogend dat alleen sprake is van een publiek goed wanneer het zowel niet-rivaliserend als niet-uitsluitbaar is).
Bovendien zal ook de eindgebruiker niet geneigd zijn extra te betalen voor dat resultaat, waardoor het voortbrengsel niet optimaal kan worden geëxploiteerd; Landes & Posner, J. Leg. Stud. 1989, p. 325-363.
Baumol, Q. J. Econ. 1952, afl. 4, p. 545-556; Olson 1965. Het betreft in essentie een variant van het prisoner's dilemma; zie Moore, Fordham Intell. Prop. Media & Ent. L.J. 2018, afl. 4, p. 831-869.
Het adresseren van marktfalen is echter slechts één van de redenen voor de introductie van deze rechten. Zie voor een overzicht: Menell 2000, p. 129-164; Merges 2011.
Cornish/Llewelyn & Aplin 2019, p. 6, nr. 1-004.
Zie ook par. 2.3.2.
HvJ EG 31 oktober 1974, C-15/74, ECLI:EU:C:1974:114 (Centrafarm), rov. 7-14; HvJ EG februari 1992, C-30/90, ECLI:EU:C:1992:74 (Commissie/Verenigd Koninkrijk), rov. 21 (octrooirecht); HvJ EG 23 mei 1978, C-102/77, ECLI:EU:C:1978:108 (Hoffman-La Roche/Centrafarm); HvJ EG 17 oktober 1990, C-10/89, ECLI:EU:C:1990:359 (HAG II), rov. 14 (merkenrecht); HvJ EG 18 maart 1980, C-62/79, ECLI:EU:C:1980:84 (Coditel I), rov. 14; HvJ EU 4 oktober 2011, C-403/08 & C-429/08, ECLI:EU:C:2011:631 (Premier League), rov. 107 (auteursrecht); HvJ EG 5 oktober 1988, C-53/87, ECLI:EU:C:1988:472 (CICRA/Renault), rov. 11 (modellenrecht).
Om een aantal redenen is het verbod van bijzonder belang voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten. Allereerst kan een veroordeling tot schadevergoeding niet worden uitgesproken in kort geding en worden inbreukzaken vanwege de spoedeisendheid die daaraan eigen is veelal in deze procedure beslecht.1 Daarnaast zal het de rechthebbende ook in bodemzaken veelal te doen zijn om het behoud van exclusiviteit.2 Een veroordeling tot schadevergoeding is voor dat doel zoals besproken geen volwaardig alternatief.3
Veel belangrijker is dat intellectuele-eigendomsrechten uitsluitend met een verbod kunnen worden gehandhaafd.4 De oorzaak hiervoor is gelegen in hun rechtsobject. Anders dan bijvoorbeeld een zaak is dat niet een concreet voorwerp (het corpus mechanicum), maar de creatieve, technische of onderscheidende prestatie die in dat voorwerp is belichaamd (het corpus mysticum).5 Dit corpus mysticum is ubiquitair: verschillende personen kunnen simultaan luisteren naar een muziekstuk of een uitvinding toepassen in hun bedrijf zonder dat zij op enig moment hinder van elkaar ondervinden.6
Hoewel deze alomtegenwoordigheid onmiskenbaar voordelen heeft – zij maakt kennisuitwisseling en exploitatie op grote schaal mogelijk – zijn er ook nadelen aan verbonden. Men zal immers niet geneigd zijn tijd, geld en energie te investeren in totstandbrenging van een geestelijke prestatie als anderen kosteloos kunnen profiteren van deze inspanningen door het resultaat ervan te imiteren.7 Dit veronderstelde marktfalen wordt ook wel omschreven als de tragedy of the free-rider.8 Deze problematiek is door de wetgever opgelost door de invoering van ‘uitsluitingsmechanismen’ in de vorm van wettelijk afdwingbare exclusieve rechten op bepaalde prestaties. Deze rechten zijn er primair op gericht ongeoorloofd commercieel gebruik tegen te gaan.9
Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat intellectuele-eigendomsrechten ook wel worden aangeduid als ‘verbodsrechten’. Omdat het gebruik van een uitvinding of werk niet afhankelijk is van feitelijke machtsuitoefening, is een positieve gebruiksbevoegdheid in wezen overbodig.10 De rechthebbende kan het beschermde voortbrengsel per slot van rekening gebruiken en exploiteren zonder dat hij gedwongen is om, met dat doel, het voorwerp op te eisen. De negatieve bevoegdheid (d.w.z. de ‘uitsluitbaarheid’) is daarentegen essentieel en de effectuering ervan is bovendien volledig afhankelijk van de mogelijkheid haar in rechte te kunnen afdwingen.11 Het Hof van Justitie heeft dan ook herhaaldelijk overwogen dat de wezenlijke functie (of het specifieke voorwerp) van een intellectueel-eigendomsrecht erin is gelegen de rechthebbende een uitsluitend recht te verschaffen, zodat hij het beschermingsobject rechtstreeks of door middel van licentiëring kan exploiteren.12