De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/7.7:7.7 Eindconclusie
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/7.7
7.7 Eindconclusie
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS390905:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hierboven beschreef ik een aantal situaties waarin het recht op medezeggenschap voor werknemers niet goed aansluit op de wijze waarop de besluitvorming in die situatie is vormgegeven, terwijl dit één van de belangrijke beginselen van het medezeggenschapsrecht is. Ik heb daarbij gekeken naar de bevoegdheden van de or op basis van de WOR en naar een aantal specifieke bevoegdheden uit Boek 2 BW, de Fusiegedragsregels en het Bob. Daarbij valt op dat de bijzondere bevoegdheden veel beter aansluiten op de zeggenschapsverhoudingen dan de algemene bevoegdheden op grond van de WOR, wat voortvloeit uit de aansluiting van de WOR bij het begrip onderneming. Door verschillende ‘kunstgrepen’ in de jurisprudentie en praktijk, worden zeggenschap en medezeggenschap toch veelal bij elkaar gebracht. Ik noem de Intergas-leer, waardoor besluiten die de vennootschap betreffen toch adviesplichtig zijn, het aansluiten bij de positieve aanbeveling in het geval van een beursovername en de leerstukken toerekening, medeondernemerschap en vereenzelviging in het geval dat een besluit wordt (voor)genomen door een andere ondernemer dan de ondernemer aan wiens onderneming de or is verbonden.
De praktijk kan hiermee uit de voeten en om die reden is aanpassing van het huidige systeem wellicht niet gewenst. Het blijven echter ‘kunstgrepen’ die niet goed in het systeem passen en ertoe kunnen leiden dat de medezeggenschap niet het gewenste effect heeft, omdat bijvoorbeeld de voorzieningen van de Ondernemingskamer geen werking hebben jegens de aandeelhoudersvergadering of omdat de bepaalde besluiten – zoals winstbestemming – toch geheel buiten de invloed van werknemersvertegenwoordigers vallen.
De bijzondere bevoegdheden in Boek 2 BW, de Fusiegedragsregels en het Bob zijn geschreven voor specifieke rechtsvormen of specifieke situaties en sluiten d aardoor beter aan op de zeggenschapsverhoudingen in de desbetreffende situaties. Daarbovenop staat de or en vakbonden nog een aantal andere – meer algemene – bevoegdheden ter beschikking, zoals de procedure ex art. 2:14-16 BW, het enquêterecht, de jaarrekeningprocedure en de verzetprocedure in het geval van faillissement. Deze procedures bieden werknemersvertegenwoordigers mogelijkheden om hun positie te versterken. Niettemin blijven situaties bestaan waarin de rol van de werknemers beperkt is, terwijl wel sprake is van ingrijpende gevolgen voor de onderneming. Ik noem hier de situatie van overgang van de onderneming, een besluit tot winstbestemming, het aanvragen van het eigen faillissement, de vijandige overname van de onderneming, het onderdeel uitmaken van een internationaal concern en een grensoverschrijdende omzetting. Daarom heb ik in de verschillende hoofdstukken een aantal aanbevelingen gedaan om de positie van werknemersvertegenwoordigers te versterken. Met deze aanbevelingen heb ik zoveel mogelijk geprobeerd aan te sluiten bij het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ en rekening gehouden met de belangen van andere stakeholders in de desbetreffende situatie.
Ik noem hier kort:
de uitbreiding van de spreekrechten ten aanzien van andere besluiten die de vennootschap betreffen, zoals statutenwijziging, winstbestemming, aanvraag tot faillietverklaring en vaststelling van de jaarrekening en tevens uitbreiding naar de BV;
een wettelijk enquêterecht voor de or;
de implementatie van art. 6 van de Richtlijn overgang van ondernemingen;
een rol voor de or in de procedure tot faillietverklaring;
het schrappen van de buitenlandclausule;
het mogelijk maken dat werknemers van buitenlandse vestigingen zitting kunnen hebben in de cor;
het aandringen in Europa op het meenemen van vennootschapsrechtelijke medezeggenschap in de onderhandelingen met de bog ten behoeve van de oprichting van een eor en harmonisatie van Europese herstructureringen;
het aanpassen van het spreekrecht in internationale concernverhoudingen.